Ga naar de inhoud

Van Taylorisme via sociotechniek naar flexibilisering

De onderschikking van de arbeid aan de machinerie en het voorrecht vrij over de arbeid te beschikken, bieden het kapitaal de mogelijkheid om de organisatie van de arbeid naar eigen goeddunken vorm te geven. Het criterium voor het kapitaal blijft de winstgevendheid en in het verlengde daarvan de verhoging van de arbeidsproductiviteit. Met andere woorden, de uitbreiding van de exploitatie van de arbeid. De standaardisering van de arbeid heeft deze andere organisatie van de arbeidsprocessen bevorderd.

7 min leestijd

Project “Klassenstrijd” deel 2 – ontwikkeling van de arbeid: nummer 3

(Foto Toyota UK, Flickr CC2.0)

De wetenschap die deze andere organisatie uitgebreid bestudeerde, wordt de arbeidsprocesbenadering genoemd. Nieuwe productieprocessen zijn al aan het begin van de twintigste eeuw ontworpen, maar de wetenschap is echt op stoom gekomen door het werk van Harry Braverman (1). Dat was de ‘labour proces theory’ – arbeidsprocesbenadering. Opvallend is dat de wetenschap zich nauwelijks bezig hield met de ervaringen van arbeiders/sters, de nadruk lag op het ontwerp van nieuwe productieconcepten.
De ontwikkeling van die productieprocessen is onder te verdelen in drie fasen: Tayloristische productieconcepten, nieuwe productieconcepten en de fase waarin we nu zitten, de flexibilisering en precarisering van de arbeid. Hier aandacht aan de drie fasen – chronologisch en beknopt uitgewerkt.

Herhaalarbeid en lopende band

FW Taylor
FW Taylor

elton Mayo
Elton
Mayo

Frederick Winslow Taylor, een Amerikaanse ingenieur, is de ontwikkelaar van wat is gaan heten het Tayloristisch productieconcept en bekend is als ‘scientific management’. (2) Taylor keek nauwkeurig naar industriële productieprocessen en splitste handelingen in delen. Op die manier werd de arbeidsproductiviteit sterk verhoogd. De arbeiders verrichtten kort cyclische herhaalarbeid – vaak verbonden aan stukloon.
Mijn eerste vakantiebaantje was bij een fornuizenfabriek: buigen van binnenleidingen van gasfornuizen. Het was tariefwerk, dat wil zeggen: een voorgeschreven aantal leidingen per uur. De meerproductie werd uitbetaald per meer geproduceerde leidingen. Door hard aan de slag te gaan, overschreed ik menigmaal het tarief. De vaste arbeiders kwamen snel op mij af en maakten me duidelijk met die flauwekul op te houden, want zo ging hun tarief stuk.

Het hoogtepunt van deze productietechniek was de lopende band, geïntroduceerd door Henri Ford. De totale splitsing in deelhandelingen had een desastreus effect op de arbeidstevredenheid, waarop Elton Mayo zijn onderzoek richtte en daarmee was de bedrijfs-/arbeidssociologie geboren. Mayo onderzocht het effect op de arbeidsresultaten door veranderingen van de arbeidsomstandigheden, zoals verlichting en verwarming van de arbeidssituatie, Vooral gericht op efficiëntie en productiviteit, zoals snelheid en precisie. Mayo was geen tegenstander van de rigide arbeidsdeling van Taylor, maar zag wel dat verbeterde arbeidsomstandigheden de motivatie van de arbeiders verhoogden. Hij kan gezien worden als de wegbereider van de arbeidsomstandigheden en bood daarmee de arbeiders een nieuw strijdpunt naast de arbeidsvoorwaarden.

De ‘slanke’ productie

De kritiek op Taylor door Mayo werd aangevuld door drie nieuwe problemen, nog afgezien van het feit dat het scientific management wereldwijd werd toegepast waardoor concurrentievoordelen verdwenen.
a) Er was nauwelijks controle op de kwaliteit van de tussenproducten en als gevolg daarvan op het eindproduct. De producerende arbeiders waren niet verantwoordelijk voor de kwaliteit van het product.
b) Om te produceren was er veel constant en variabel kapitaal nodig. Vaak stonden machines stil, omdat vervolgprocessen nog niet uitgevoerd konden worden. Een anekdote uit de tijd dat ik bij de Hoogovens werkte. De directeur kwam een keer op mij af met de vraag waarom er altijd mensen onder werktijd in de kantine zaten. Ik wist het antwoord, maar gaf het hem niet. Simpel, als de installaties draaiden dan was het bedieningspersoneel aan het werk en hadden de bankwerkers niets te doen. Omgekeerd was dat, wanneer de installaties in onderhoud stonden, dan waren de bankwerkers hard aan het werk, de bedieningsmensen zaten in de kantine te kaarten tot de onderhoudsploeg klaar was. De rigide arbeidsdeling verminderde de arbeidsproductiviteit.
c) De hoeveelheid functies was groot. Al het werk was opgesplitst, ook hiërarchisch. Er waren opzichters, chefs, kwaliteitsmensen, administrateurs, schoonmakers, bankwerkers, procesregelaars, kraandrijvers. Die functionarissen moesten ook de werkzaamheden op elkaar afstemmen. Dit is het ‘heijunka’ probleem. Heijunka is Japans voor het in balans brengen van de productie en het herleiden van verschillen door activiteiten in te plannen en te verdelen.

huis van Toyota op twee pijlers
Huis van Toyota op twee pijlers

De nieuwe productieconcepten ontwikkelden zich na de Tweede Wereldoorlog met Japan als voorloper, gedreven om kwalitatief goede producten te maken. In de ‘lean production’- de slanke productie – zijn oplossingen te zien van de genoemde problemen. (3) Voor de kwaliteit was dat bijvoorbeeld de lijnstop. De lijnstop is de verplichting voor de bedieningsmensen om de productielijn direct stil te zetten wanneer ze een afwijking in het product zien. Het probleem wordt verholpen en de productie kan door. Voordeel is dat kwaliteitscontrole niet meer nodig is, dat arbeid uit. De arbeider/ster is in productiviteit omhoog gegaan omdat productie en kwaliteitscontrole zijn samengevoegd.
Het probleem van het constante kapitaal werd opgelost door machines dubbele functies te geven en het arbeidstekort op te vangen door taakintegratie. Het probleem van de directeur en de kantines werd aangepakt door de. bedieningsmensen taken te leren voor het onderhoud van de eerste lijn en de bankwerkers ook bedieningstaken te laten uitvoeren.

Arbeidsprocesbenadering

In Engeland en Nederland is er een stroming tegen ‘lean production’ gekomen: de moderne sociotechniek. Op initiatief van de Nederlandse overheid heeft Ulbo de Sitter, hoogleraar bedrijfskunde, een grootschalig onderzoek gedaan naar een verbeterde verhouding tussen techniek en arbeid, de sociotechniek.(4) De nadruk bij dat onderzoek lag vooral op de kwaliteit van de arbeid en het idee dat een rigide arbeidsdeling niet gunstig is voor de ontwikkeling van de arbeid.

De Sitter richtte zich op de link tussen de arbeidsprocesbenadering en het debat over een andere inrichting van de bedrijfsorganisatie.(5) Zijn onderzoek is echter in schoonheid naar de geschiedenis verbannen en met de sociotechniek in een diepe la van het management verdwenen. De belangrijkste reden daarvoor was tweeledig. Ten eerste, dit alternatief voor het Taylorisme moest het afleggen tegen de ‘slanke productie’, waar het gaat over de productiviteit en dus de winstgevendheid, Ten tweede, dit concept van de sociotechniek tartte het voorrecht van het management om de organisatie van de arbeid te bepalen, heilig voor het kapitalistische productiesysteem. Lean Production laat dat voorrecht ongemoeid.

Het precariaat

Het Taylorisme en de nieuwe productieconcepten waren vooral gericht op de uitwerking van productie- en organisatieprocessen vanuit een mechanische ontwikkeling van de technologie; de ontwikkeling van de machine. Zo ontstaat controle over het menselijke handelen, de levende arbeid wordt door de machine aangestuurd.
De opkomst van de computer heeft langzaam maar zeker een nieuwe dimensie toegevoegd aan de standaardisatie van de arbeid. De scheiding tussen denken en doen is door de oude en nieuwe productieconcepten aangebracht. De invloed van de computer is zonder meer dat ook denkprocessen gestandaardiseerd kunnen worden.
Dat heeft vergaande consequenties voor de arbeid in kapitalistische productieprocessen. Deze beperken zich niet tot de productie van waren. De standaardisatie dringt stelmatig door in de reproductie van de arbeid met effecten op de zorg, de overheid, het onderwijs, de communicatie. Kortom, op het sociale leven van gemeenschappen, met een groot effect op de levende arbeid, zo zelfs zo dat de schijn ontstaat dat arbeid niet of nauwelijks meer nodig is.

balanceren op de arbeidsdraad
draaddansers: bron: LNR 21
skills voor de toekomst

De diepere betekenis van ‘lean’ is niet meer of minder dan wat strikt noodzakelijk is om de job te doen. Die aanpak leidt tot minder arbeid, arbeid wordt ingezet als het strikt noodzakelijk is. De stap naar flexibilisering en losse arbeid is dan nog maar klein. Een uitzendkracht mag komen opdraven als er werkelijk werk is. In dit mechanisme schuilt de werkelijk problematiek van de tegenwoordige arbeidsmarkt. Arbeid wordt verder geflexibiliseerd, opgeroepen wanneer het nodig is. Werkzaamheden worden ad hoc, mensen weten niet meer waar of wanneer ze welke arbeid moeten verrichten, de arbeid wordt precair. Dit heeft verregaande gevolgen voor de manier waarop de samenlevingen van mensen, wereldwijd, worden ingericht. Er zijn geen tekorten op de arbeidsmarkt, de arbeidsmarkt is bij voorbaat niet in staat om plotselinge schommelingen op te vangen, met als voorbeeld de coronacrisis.

Geen enkeltje onzerheid

Conclusie. Standaardisatie van de arbeid, als uitwerking van de reële onderschikking van de arbeid aan het kapitaal, is een sociaal en economisch verschijnsel. Dit wordt bevestigd door de wijze waarop de arbeid georganiseerd is en wordt. Omdat het kapitaal het voorrecht van de organisatie van de arbeid zich toegeëigend heeft en de doelstelling van het kapitalisme – groei of accumulatie – hetzelfde blijft, groeit het gevaar van ontwrichting van de samenlevingen.

(1) Standaardisatie
(2)‘The Principles of Scientific Management’, Biblobazaar, Charleston.
(3) Womack, J.P., Jones, D.T. and Roos, D., (1991) ‘The machine that changed the world, the story of Lean Production, how Japan’s secret weapon in the global auto wars will revolutionize western industry’, Harper Perennial, New York.
(4) Sitter de, U., (1994) ‘Synergetisch produceren, human resources mobilisation in de productie: een inleiding in de structuurbouw.‘ Van Gorcum, Assen.
(5) Standing, G., (2011) ‘The Precariat, the new dangerous class’, Bloomsbury Academic, Londen