Ga naar de inhoud

Een welwillende wereld

Na een zuidwaartse tocht van drie steeds hetere dagen, kilometers vreten dwars doorheen Frankrijk en Spanje met de vaalgele twee PK camionette dat ik van nonkel Antoon had gekocht, kwam ik begin september 1982 aan in Algeciras. De kortste oversteek bracht me ‘s anderendaags naar Ceuta, waar ik, geen 24 jaar oud, voor het eerst voet op Afrikaanse bodem zette.

10 min leestijd

(Foto: Asilah, Marokka, door Dr J Clarke, Flickr CC BY 2.0)

Ik was me bewust van de grote stap die ik voor mezelf kwam te zetten, alle trossen los, alleen in een nieuwe wereld, het verre westen van een fabelachtig oosten, een andere wereld. Het duurde wat rondjes in die Spaanse enclave voor ik besefte dat de enige mogelijke uitweg de naam Marruecos had.

Via Tetuan bereikte ik tegen de middag vlot Tanger met de bedoeling me eerst aan te melden op het consulaat alvorens naar Asilah verder te reizen. Op zoek naar het adres in die ongekende stad met ongekende letters op de straatnaamborden, werd ik plots toeterend voorbij gestoken door een wagen die me de pas afsneed, stopte en me zo ook tot stoppen dwong. Onmiddellijk sprong de bestuurder, een jonge kerel, uit de wagen en kwam op me afgestapt. Shit, dat begint hier goed.

Belge? Oui. Vlaming? Ja. Ik ook, uit Borgerhout, mijn naam is Mustafa, we zagen je zoeken en ik herkende de nummerplaat, ik dacht ik ga zien of ik kan helpen. Het consulaat is hier vlakbij maar het is al gesloten en alleen in de voormiddag open. Weet ge wat, ga met mijn broer mee naar huis zodat ge kunt uitrusten en dan regelen we de rest wel en morgen kunt ge dan naar het consulaat gaan. Mustafa, wreed merci en dat was het laatste dat ik van Mustafa zag.

Zijn broer sprak geen Vlaams en weinig of geen Frans, maar zijn vingers vroegen en ik gaf hem mijn dirhem waarna we snel aan een huis kwamen dat in volledige stilte was gedompeld, waar ik in een koele kamer met getemperd licht, water, muntthee en koekjes kreeg en me aan een welkome siësta overgaf. Later op de namiddag reden we beiden via een smal kustwegje naar een wit huisje waar een zestal vrolijke vrienden, buiten rond een open vuurtje kletsend aan het kokkerellen waren. Iedereen heette me welkom in Marokko, stelde honderduit vragen en was benieuwd naar wat ik allemaal te vertellen had. Er werd heen en weer gevraagd, gebabbeld in van beider zijden gebrekkig Frans of gebarentaal.

De aardappelen en de ajuinen werden geschild, evenals de tomaten in schijfjes gesneden en met de verse sardientjes, van kop, schubben en ingewanden ontdaan, achtereenvolgens in lagen gestapeld in een rechthoekige ovenschaal. Flinke geut olijfolie, peper en zout, nog wat andere kruiden, aluminiumfolie erover, mijn maag grolde.

Kom, we gaan op café. Laten die gasten hun tajine, die nog maar net op het smeulende open grondvuur werd gezet, zomaar langs de baan achter, een godverlaten baantje dat wel, en wij met z’n allen naar een cafeetje wat verderop. Versta me goed, bier of wijn werd niet geschonken, lauwe frisdrank, munt- en andere thee of koffie wel. Aan tafeltjes binnen werd met de kaarten gespeeld, met de dobbelstenen, veel en expressief gebabbeld zonder dat ik woorden kon onderscheiden, thee gedronken, door enkele klanten werden kleine pijpjes met lange rechte steel gerookt. We gingen op het terras buiten zitten, onder het vlechtwerk ter bescherming van de zon, met zicht op zee. Versta me goed, geen vrouwen, geen kinderen, geen toeristen. Mijn hoofd tolde, mijn maag grolde.

Uren later, de oranje zon laag boven het water, slenterden we terug langs de kustweg, links de kliffen in de zilte lucht, een tiental meter lager het woelwater, rechts een onrustig kort gegraasd landschap zonder bomen, groenig, stenig, wat geiten, schapen, ezels, een paar gedaanten in witte gewaden, wat verspreid staande witte huisjes.

Eerste nieuwigheden van de lokale levenskunst. Handen schudden bij het groeten is gewoon, maar er kwam iets bij kijken, na het loslaten werd snel even het borstbeen, het eigen hart aangeraakt, als om te benadrukken dat er van ganser harte werd gegroet en welkom geheten. Toen ik het huis wilde binnentreden werd onmiddellijk mijn been tegengehouden en toonde men mij de rij met sandalen en schoenen die buiten bleven en de blote voeten die als enige op het tapijt binnen werden toegelaten. Handen wassen in een teiltje dat samen met een kan water, zeep en een handdoek werd rondgegeven voor het eten, na het eten, op kussens zittend rond een lage tafel.

De tajine, samen met het platte ronde brood, was heerlijk, mijn maag hield op met grollen. Geen vork en geen mes, er wordt met de handen gegeten, een ontdekking. Water bij de maaltijd, muntthee en weer die pijpjes (sebsi, meervoud s’basa) erna. Iedereen zocht zich een plek, de gesprekken verstomden en alleen het geruis van de zee begeleidde mijn eerste Marokkaanse nacht. Haar geruis zou me ’s nachts nog dikwijls begeleiden, in dit land van een volk dat met de maan leeft.

De volgende ochtend afscheid, een halte aan het consulaat en dan zuidwaarts, de oceaan rechts en plots rijkswacht langs de kant van de weg, stoppen, papieren, volgeladen auto gekeurd, veel vragen en dan plots het inzicht van die rijkswachter. Hoe is het mogelijk dat die hier twee jaar aan onze kinderen les komt geven en Frans spreekt als een Spaanse koe. Ik kende het gezegde niet en had geen idee wat het kon betekenen, zag er ook de tragedie of komedie niet van in en ging ervan uit dat de man gelijk had.

Bij aankomst in Asilah, kort na de middag en snikheet, reed ik recht de eerste camping binnen, huurde een caravan voor de nacht, wierp een valies op het bed en ging op zoek naar mijn contact. Ik stond namelijk onder de bescherming van een toverspreuk op de achterkant van een bierviltje, geschreven door Nagib, een vroegere kotgenoot die ik heel toevallig nog eens tegen het lijf liep een paar weken voor mijn vertrek. De boodschap was gericht aan zijn oom, “M, taxichauffeur, die een zoon heeft die S heet”. Nagib vroeg in een paar Franse zinnen of M mij wou helpen. Nagib had me verzekerd dat het plein met de taxi’s in Asilah eenvoudig was te vinden.

De door statige, witgekalkte platanen beschaduwde hoofdstraat van Asilah, een rustig stadje vijftig km bezuiden Tanger aan de Atlantische kust, komt uit op een plein met een paar palmbomen waaronder wat lichtblauwe taxi’s stonden. Links de moskee, aan de overkant, rechts op de hoek van de straat, een café met smal terras langs beide hoekgevels, verderop het strand. Overwegende kleur van de huizen lichtblauw of wit, groenig gefilterd door het gebladerte. Alles ademt sidderende hitte en doodse stilte uit, siësta time in deze kustwestern. Parkeren, uitstappen, rondkijken en langzaam, met mijn bierviltje in de aanslag, richting een drietal onder de palmboom gezeten, keuvelende mannen in djellaba. Je cherches M en die werd snel aangewezen, wakker geschud en me voorgeleid. Niemand begreep de Franse bezwering maar bij de naam van zijn zoon S besloot M me mee te nemen naar huis om de zaak met S uit te klaren, die kon Frans, studeerde aan de universiteit in Rabat. Zoals ik Nagib uitsprak lachten de mensen zich beleefd gehoorkreupel, Neezjieb moest dat zijn.

Kennismaking met S, zijn broers J en Z, zijn zuster R, zijn moeder M. De toverformule van Nagib treedt in werking. Mijn nieuwe familie heet me welkom in Marokko en stelt honderduit vragen over alles en nog wat, de familie, België, muziek, sport, mensen, taal, reizen, cultuur begeleid met muntthee en koekjes. Ik heb nooit in die caravan geslapen en de volgende dagen trok ik voortdurend op met J en zijn vrienden, allemaal een paar jaar jonger dan ik, gingen zwemmen, dronken muntthee, kuierden, luisterden naar Bob Marley en Nass el Ghiwane, genoten van de laatste vakantiedagen voor het begin van het nieuwe schooljaar. Ze leerden me mijn eerste woorden, openden zo hun wereld. Na het begin van het schooljaar, zou ik pas drie maanden later weer eens Vlamingen tegen het lijf lopen. Of hoe een Vlaams rund Frans en Darija oppikt.

Twee weken later betrok ik, na palavers tussen M en een eigenaar, een net appartement op de eerste en enige verdieping van een nieuwe en half bewoonde blok van zes appartementen rond een binnenkoer, met zicht op de oceaan, geweldig. Hier voor het eerst in eigen bed gewekt door de omroeper van de moskee, ik was dat toen al gewoon. Die eerste dagen, toen een nieuwe welwillende wereld openging, staan me nog levendig voor de geest. Het was het begin van twee intense jaren waarin ik altijd en overal heb kunnen genieten van vriendelijke gastvrijheid vanwege volslagen vreemden, altijd zeer open en nieuwsgierig, leergierig naar het aftasten van de gemeenschappelijke menselijkheid.

Het leven in al zijn vormen is gratis. Geen eikel die betaalt om eik te worden, geen larf voor het grut dat ze verslindt om libelle te worden. Alles wat niet gratis is, kan het leven niet zijn, is het overleven, het geëconomiseerde leven, met z’n gemeten tijd van ogenblikken die zich aaneenrijgen tot een bestaan op eindeloze afbetaling, het noodlot in al zijn gedaanten. Het overleven met zijn scheiding van geest en lichaam, van goed en kwaad, van God en Staat, die samen het leven ontaarden in een kramp van de rede geproduceerd door een hoofd zonder lijf dat zelf krampachtig en vol beestachtigheden door dat hoofd in bedwang moet worden gehouden in een eindeloze cirkel van karaktergestoorde opkroppingen en uitbarstingen, verbod en overtreding. Het ogenblik is de bittere kelk van het memento mori en van het noodlot.

Momenten staan los van die getelde tijd, speurtochten naar het kloppende hart, ze zijn de ademhaling van de tijd op zoek naar harmonie. Het zijn is voor het leven wat het hebben is voor het overleven en voor de noodzaak om te lijken.

Tientallen jaren later zou ik het motto ontdekken van de Engelstalige boekhandel in Parijs, Shakespeare & Company, in de schaduw van de Notre-Dame. De vrijgevigheid indachtig die hem te beurt viel op zijn eigen zwerven, koos George Whitman voor ”be not inhospitable to strangers lest they be angels in disguise”. (Wees niet ongastvrij jegens vreemden, het zouden wel eens vermomde engelen kunnen zijn) De boekhandel werd een bijenkorf van tumbleweeds, uit allerhande windstreken gedreven schrijvers, dichters, kunstenaars, drifters, is dat trouwens nog altijd.

Versta me goed, die vermomde engelen zijn geenszins hemels. Het zijn die opwellingen van stemmen en stemmingen die uit onze ongekende diepten opduiken, ons voortdurend begeleiden, wederkerig bezighouden, zonder aanwijsbare redenen aan het schrikken of grinniken brengen, midden in een serieuze aangelegenheid de herinnering aan een onbetamelijk kinderwoord of een liefdevolle omhelzing oproepen, je beroeren, verwarren. Als die angelos, door de antieke Grieken daimôn genoemd, ons nu bizar lijkt, dan is dat omdat we vreemden zijn geworden in zijn universum. Het is nochtans het onze.

Die engel is een boodschapper van het leven dat we gemeen hebben met alle leven en we kunnen het bewust aanmoedigen en stimuleren, of treiteren en mismeesteren. Hoe kan het ook anders dan dat we met voortdurend gepieker om te overleven, zwartgallig worden en kankers koesteren of dat we ons hart gestresseerd op stang jagen tot het op hol slaat en potten breekt? Het omgekeerde is dus ook van toepassing. Het genot opzoeken en de begeerte louteren staan voor een gezonde dialoog tussen lijf en leven.

In het lijfelijke genot toont de engel zijn ware gelaat, strelingen van plezier als vleugels. Het is de liefde voor het leven, die leven geeft aan de liefde. Het bewustzijn ervan zwengelt de poëzie aan die welwillende werelden opent en het werk van de schikgodinnen afschaft. Tijd voor het menselijke wezen in zijn menswording om, net zoals te weinig nog van zijn wijn en van zijn groenten, weer biologisch te worden. Danaé, twee maanden oud, weet het wel, weet het nog, ze verkiest de moederborst en spuwt die fopspenen uit, natuurlijk. Tijd om niet te vergeten te leven, memento vivere. Elke blik kan elke dag die van een engel zijn, een nieuwe wereld openen.

Cursieve inspiratie: Raoul Vaneigem, De la destinée, le cherche-midi, 2015 vertaling GC, De bestemming, 2022, Nederlandse vertaling online.

Geert Carpels, Wodecq, 2018