Het woord populisme wordt al jaren in ons tijdperk misbruikt. Een politicus die zich van demagogie of van racistische opmerkingen bedient, wordt populist genoemd, niet demagoog of racist. Wat is dat voor een onzin. En dan te weten dat het woord populisme al als scheldwoord werd gebruikt voor midden negentiende eeuwse Russische socialisten, de narodniki.

(Door Thom Holterman, eerder verschenen op Libertaire Orde)

Nu de eerste de beste idiote politicus ‘populist’ noemen, is historisch gezien schandelijk. Noem degene die zich van demagogie bedient, na analyse van zijn of haar uitspraken, nationalist, racist, neofascist, neonazi, als de analyse van zijn taaldaden daartoe strekt.

Het is de Italiaanse socioloog Federico Tarragoni, werkzaam aan een van de Parijse universiteiten, aan wiens studie over het populisme ik dit ontleen. De studie is getiteld L’esprit démocratique du populisme (De democratische geest van het populisme). Hieronder volgt een bespreking van zijn boek.

Een algemeen concept van populisme

Een van de dingen die Tarragoni bezighoudt, is dat het woord populisme ook door wetenschappers te pas en te onpas wordt gebruikt, zonder dat zij er een sociologisch concept voor hebben ontworpen. Hij acht het zijn taak daaraan te werken. Hedendaagse gebruikers van het woord vullen dat niet analytisch maar normatief. Veel taalgebruik begint daarom negatief: (a) extremisten (van links of rechts) zijn altijd ‘populisten’ (met constructies als links populisme en rechts populisme); (b) onze democratieën worden bedreigd door ‘populisten’…Hier wordt niet geanalyseerd, zegt Tarragoni, maar verdacht gemaakt, in diskrediet gebracht.

Het algemene concept van populisme dat Tarragoni in zijn boek ontwikkelt, veronderstelt steeds vier elementen. Het eerste element betreft zijn radicale en revolutionaire dimensie. De kritiek die het populisme aan het adres van de liberale, representatieve democratie richt is: je moet democratie democratischer maken en de liberale democratie gronden op grotere gelijkheid, rechtvaardigheid en inclusiviteit.

Het tweede element is het verschijnen van uiteenlopende sociale bewegingen, gevormd uit delen van de volksklassen en middenklassen die door de (neo)liberale economische politiek tot het precariaat zijn vervallen. Het derde element heeft het oog op het charismatisch leiderschap, noodzakelijk om de uiteenlopende democratische eisen, die in het binnenste van de volksbewegingen leven, tot een eenheid te smeden. Het vierde element richt zich op de kwestie van de acceptatie specifiek voor de volkse groepen van de tegenstelling volk – elite.

Tarragoni laat zien hoe deze vier elementen inhoudelijk het populisme gestalte geven. Tegelijk is hij zich bewust, gelet op wat in de geschiedenis aan politiek bedreven wordt, dat bij elk van elementen sprake kan zijn van afglijden. Dat komt vooral aan de orde als hij zich bezighoudt met het geconsolideerde populisme in Latijns-Amerikaanse landen (periode 1930-1960). Met betrekking tot het eerste element (meer democratie) kan door verzwakking van tegenkrachten afgegleden worden naar een vorm van autoritarisme. Wat het tweede element betreft ziet hij populisme aan de macht afglijden naar een vorm van statelijk corporatisme. Het charismatische leiderschap, het derde element, kan terecht komen bij een vorm van fascisme. En wat de vierde vorm aangaat, is afglijden naar revanchistisch nationalisme niet onmogelijk.

Men moet er dus op bedacht zijn dat het populisme kan omslaan in autoritarisme, in nationalisme, in fascisme. En als iemand verklaart, zoals de leider van de hedendaagse Franse politieke beweging ‘La France insoumise’ (Ongehoorzaam Frankrijk), Jean-Luc Mélenchon: ‘Ik ben het soevereine volk’, dan is dat een symptoom van de transformatie van het populisme in iets anders, vult Tarragoni aan.

Opzet van het boek

Tarragoni heeft zijn boek in zes hoofdstukken opgebouwd. Hij volgt daarbij twee ‘etappes’.  De eerste etappe draait om de deconstructie van wat er zoal door menig auteurs over populisme wordt geschreven. Dat heeft hij verwerkt in de eerste drie hoofdstukken. Daarna volgt de tweede etappe, de constructie van een ‘nieuw’ populisme concept – te vinden in de laatste drie hoofdstukken.

In het eerste hoofdstuk, getiteld ‘De populistische banvloek’, veegt hij alle mogelijk geaccepteerde dagelijks gebruikte en via de media verspreide populismeverwijten bij elkaar. Hij geeft aan dat dit zo’n rommeltje vormt, dat er niets anders dan verwarring over de betekenis van ‘populisme’ kan ontstaan (en bestaat). In hoofdstuk twee haalt hij dan stuk voor stuk uit elkaar wat hij als het dominante populismeparadigma in de (Franse) politicologie ziet. De gedeconstrueerde elementen waaruit de dominante opvatting bestaat wordt geleverd door wat bij hem heet populologie (de bedrijvers ervan zijn bij hem populologen). De elementen komen voor in taaie ideeën omtrent populisme, zoals hij noemt: (1) populistische demagogie, (2) het trans-ideologische karakter ervan (het feit dat het zowel op politiek links als op politiek rechts van toepassing kan zijn), (3) zijn wezenlijke autoritaire dimensie, (4) zijn pathologisch democratische natuur.

In het derde hoofdstuk, getiteld ‘Vormen van populisme en hun bron’ levert Tarragoni een soort cartografie. Het is in Rusland (de narodniki) en in de Verenigde Staten (People’s Party) waar hij de historische bronnen van het populisme vindt. Hij zet daar als contrastvorm tegenover de Franse politieke beweging, het boulangisme, dat géén populisme is hoewel het er door menigeen wel voor wordt gehouden. De naam is ontleend aan de Franse generaal George Boulanger (1837-1891). Ze doet zich eindjaren 1880 voor. Die beweging zwalkt van de ene naar de andere kant; ze lijkt ‘geboren in de politiek linkse hoek’, maar zonder concreet programma.

In het begin weet ze vele ontevredenen, zowel van links als van rechts, voor zich te winnen, maar de beweging valt in duigen vanwege interne tegenstellingen. Er zijn dan ook verschillende vormen van boulangisme te ontdekken. Aan het eind valt te concluderen, aldus Tarragoni, dat het project van de sociale republiek van de boulangisten niet alleen vergelijkbaar is met een autoritaire staat, maar erin oplosbaar is. Het vooruitzicht zou zijn een autoritaire nationalistische staat, met een charismatische leider. Als Tarragoni in het begin opmerkt dat het boulangisme in werkelijkheid een proto-fascistische beweging is geweest, koppelt hij aan het eind die uitwerking van het boulangisme aan wat zich enkele jaren later in Italië voordoet: de ontwikkeling van het project van de sociale republiek van de ex-socialist Benito Mussolini (1881-1945) en de transformatie van de Italiaanse staat in een ultranationalistische fascistische staat.

De eerste etappe had mede tot doel de lezer bewust te maken van de historiciteit van het verschijnsel populisme. Aan het eind daarvan gekomen, kan hij aan de tweede etappe beginnen. Deze etappe opent met een hoofdstuk getiteld ‘Het gerealiseerde populisme’ (hoofdstuk 4) in landen van Latijns-Amerika. Het verschil met de beschreven vormen van populisme in Rusland en de Verenigde Staten is, dat in die situaties het om een ideologie in een crisissfeer ging, terwijl het in Latijns-Amerika daarbij niet gebleven is. Het populisme is een coherente filosofie van publieke actie geworden. De situatie daar (in de jaren 1930-1960) levert aldus Tarragoni een context bij uitstek om het populisme te analyseren als politiek verschijnsel. Heeft het Russische narodnischestvo een intellectuele en ideologische matrix van het populisme voortgebracht, dan levert Latijns-Amerika de praktische en politieke context  van de verwerkelijking ervan. Dit betekent niet dat er geen problemen te signaleren zijn. Daar wordt in hoofdstuk 5, onder de titel ‘Naar een nieuwe theorie van het populisme’, op in gegaan.

Tarragino merkt op dat aan alle geanalyseerde ervaringen, drie algemene karakteristieken zijn te ontlenen. De eerste heeft te maken met de context: steeds wordt die uitgemaakt door een soort noodtoestand ontstaan door armoede, ernstige sociale ongelijkheid, corruptie van de partijen en de macht, afbraak of afschaffing van sociale rechten. De tweede karakteristiek betreft de mobiliserende rol van het charisma: de erkenning van het functionele charisma, dat in dienst staat van een politieke organisatie zonder leider (zoals in het narodnischestvo of bij de boeren van de Amerikaanse People’s Party). De derde karakteristiek is van het zijn van volkse bewegingen bestaande uit gemengde klassen. Wat de dynamiek van de beweging aangaat volgt die drie stappen: de crisis, de mobilisatie, de institutionalisering. Op te merken is dat het in Rusland noch in de Verenigde Staten tot institutionalisering van het populisme is gekomen, wel in Latijns-Amerika. Tarragoni werkt deze drie stappen vervolgens in drie definitorische voorstellen uit.

Populisme blijkt een manier van politieke actievoeren die een democratie in crisis (de liberale, representatieve) afwijst en op zoek is naar radicalisering van de democratie en dan bij institutionalisering een aantal klippen tegenkomt. Die worden door Tarragoni besproken. Wat hij dan als nieuwe theorie ontwikkeld heeft, toets hij in hoofdstuk zes, getiteld ‘Het populisme in Europa: Latijns-Amerikanisatie van het oude continent’. Hij voert daarvoor vier nieuwe links radicale Europese partijen op (Syriza, Podemos, M5S en het atypische La France insoumise).

Er zijn twee thema’s die ik van belang acht voor een goed begrip van hetgeen Tarragoni zijn lezer of lezeres voorhoudt. Die thema’s betreffen (a) de historische herkomst van populisme, te beginnen bij de narodniki en (b) de verhaspeling door de populologen van goed bruikbare termen om daarvoor in de plaats het woord populisme te gebruiken.

Populisme en de historische herkomst: narodnischestvo

Aan de hand van een indeling waar Tarragoni op aansluit, wordt gesproken over ‘populisme van de ouden’, het klassieke populisme. Hieruit volgt de aanname van het bestaan van ‘populisme van de modernen’. Die van de ouden zijn alle van politiek linkse soort. In het verloop van ‘oud’ naar ‘modern’ legt het populisme in een eeuw tijd een parcours af van politiek links naar politiek rechts. Maar is het correct de gang van zaken op deze manier ideologisch te duiden. Zijn de vermeende erfgenamen van de ‘ouden’, dus zijn de moderne xenofobe, extreemrechtse partijen wel als erfgenamen te beschouwen? Om dat inhoudelijk te bespreken onderzoekt Tarragoni welke historische uitwerkingen binnen het politiek linkse erfgoed vallen. Hij komt met drie uitwerkingen:

  1. De Russische narodniki (1840-1880);
  2. De People’s Party in de VS (1877-1896);
  3. Het ‘geconsolideerde populisme in Latijns-Amerika (1930-1960).

Tarragoni besteedt aan deze drie politieke formaties om goede redenen uitgebreid aandacht. Ik houd het vooral bij de eerste. De narodniki (narod, mensen, volk) maken deel uit van de socialistische en anarchistische geschiedenis en bij deze formatie is de herkomst van het woord populisme zelf te vinden.

In het Rusland van de 19de eeuw werd het tsaristische despotisme als maar drukkender door de boerenbevolking ervaren. Het is in dezelfde tijd dat Russische intellectuelen, kleine notabelen (advocaten, artsen) en studenten geënthousiasmeerd werden door de ‘Lente van de Europese volken’ van 1848. Zij wensten ‘te gaan’ naar hun eigen volk, de Russische boeren, om hen te mobiliseren tegen het tsaristisch bewind. Dat gebeurde niet uit naam van geïmporteerde ideeën, abstracties en boeken, maar vanuit het verzet tegen de tsaar (Tarragoni werkt hier vanuit Franco Venturi, Les intellectuels, le peuple et la révolution, 1952). De door het regime veroorzaakte armoede leidde noodzakelijk tot het zelf verwerkelijken van de voorwaarden, die konden bijdragen tot voldoen aan dagelijkse levensbehoeften.

Voor de organisatie van zelfvoorziening in de sfeer van directe democratie kon worden teruggegrepen op oude instituties, die via het gewoonterecht van weleer werden doorgegeven. Zo waren er de obscina (plattelandsgemeente; lokale leefgemeenschap) en de mir, het lokale parlement (plattelands-assemblee). Elke boer was daarvan lid. De functie ervan was onder meer het regelen van lokale geschillen, het harmoniseren van de individuele en collectieve eigendom en het creëren van vormen van wederzijdse hulp onder de leden. Over deze instituties en functies ervan valt meer te zeggen; ik verwijs ervoor naar Arthur Lehning, Radendemocratie of staatscommunisme (1972; zie het eerste hoofdstuk p. 21-34).

Tarragoni gaat het erom duidelijk te maken dat hier mensen de boeren aan het mobiliseren waren, die zich zelf ‘democratische revolutionairen’ noemden (onder wie in de eerste periode Alexander Herzen en Michael Bakoenin). Deze Russische socialistische stroming, die echt het volk opzocht, de agrarische bevolking dus, heette in het Russisch narodnischestvo. Het zijn de Russische orthodox-marxisten die daarvoor de term populisme bedachten en het als scheldwoord hanteerde. De narodniki werden door deze marxisten verweten niet de marxistische strategie aan te houden, die leert dat je niet zonder meer uit het feodalisme in het socialistische tijdperk kan komen, zonder eerst een kapitalistisch stadium te hebben doorgemaakt.

De Russische narodniki dachten dat dit wel kon: de revolutie zou voortkomen uit de zelforganisatie van het volk, en niet uit het optreden van een professionele politieke voorhoede. Tarragoni wijst er nog op dat ook Marx daar niet orthodox over dacht. Hij twijfelde sterk dat de marxistische theorie buiten het Westen van toepassing kon zijn. Hij concludeerde dan ook dat de populistische hypothese van een sprong uit het feodalisme in het socialisme mogelijk kon zijn. Het terughalen van de plattelands gemeenschap als sociaal houvast, zou best de voorwaarde kunnen leveren voor een spontane ontwikkeling, aldus Marx (door Tarragoni geciteerd uit een brief van Marx). Opgemerkt wordt nog door Tarragoni dat na de Parijse Commune (1871), Marx meer en meer zich aangetrokken voelde tot vormen van autonome en spontaan volkse organisatie.

Wordt het woord populisme voor het eerst in Rusland tegen 1870 geïntroduceerd, twintig jaar later, in 1891, doet het zijn intrede in de Engelse taal. Amerikaanse dagbladen gebruiken dit neologisme om te schrijven over de nieuwe partij, gevormd door geruïneerde Amerikaanse boeren, de People’s Party. Deze partij is niet ver verwijderd van hun Russische voorbeeld. Tarragoni beschrijft dat de aanvoerders van de Amerikaanse boeren net als de Russische populisten, de narodniki dus, intellectuelen zijn die zoeken naar verbindingen tussen een culturele en politieke revolutie. Zowel van de politieke als van de esthetische kant is de term populisme bedoeld als verwijzing naar de kwestie van het (willen) bestaan als democratisch volk. De Russische populisten en de Amerikanen zijn opzoek naar een sociaal bewustzijn van de onderdrukte boerenbevolking met het doel haar op te wekken om zich te verzetten en om te strijden voor democratie, aldus Tarragoni.

Als dan in 1956 de Amerikaanse socioloog Eduard Shils een omschrijving van populisme opzet, is die niet alleen ahistorisch maar ook ingegeven door een subjectief oordeel over de onmiddellijke actualiteit. Hier prefigureert, schrijft Tarragoni, wat 40 jaar later de populologie ervan maakt. Het is geen wetenschappelijk concept maar een waarschuwing: populisme wijst op een dreigend gevaar.

In zijn uitwerking zet Tarragoni daar tegen over dat populisme een radicaal democratische ideologie is, die zich manifesteert bij crisis van liberale, representatieve democratieën. Ze kent daarbij haar eigen logica’s en interne tegenstellingen. Dat laatste wordt vooral duidelijk aan de hand van zijn analyse van het populisme in Latijns-Amerika (periode 1930-1960). Ik laat het hierbij omdat ik mij nu wil richten op het verhaspelen, dat wil zeggen betekenissen verwarren, van bruikbare termen waar te hooi en te gras het woord populisme (of populist) wordt gebruikt.

De verhaspeling door de populologie

Wat zien we gebeuren in de lage landen en in de landen daarom heen? Van alles, waaronder de terugkeer in het politieke kamp van etnisch nationalisme, met racistische, neo(of post) fascistische of neonazistische elementen. De schietschijf van het etnisch nationalisme is de van buiten de EU komende migrant. Al dit soort politieke verschijnselen wordt verhaspeld tot ‘populistisch’, tot ‘extreemrechts populisme’. Tarragoni komt zelf met het voorbeeld van de Griekse politieke partij, ‘Gouden dagenraad’, die ‘extreemrechts populistisch’ wordt genoemd. De Griekse rechter heeft (in 2014) deze partij expliciet als ‘een criminele neonazistische organisatie’ aangeduid. Waarom gebruiken wij niet deze door de Griekse justitie gegeven kwalificatie? Wat heeft het populisme hiermee van doen? Helemaal niets.

Overigens, zo gaat Tarragoni verder, is een terugkeer van bedoelde vormen van nationalisme en neofascisme in de jaren 1980 zonder moeite te begrijpen. Om dat uit te leggen vertrekt hij vanuit de jaren 1960-1970. De aspiraties van volkse politiek tegen ‘het systeem’ waren gericht op een universalistische horizon: (a) strijd om sociale rechten en (b) solidariteit met het internationale proletariaat en met de postkoloniale strijd. Daar moest rechts niets van hebben. Dan, eindjaren 1980, kon extreemrechts op twee velden tegelijk spelen (a) het oude front van het redden van de natie van de corruptie door allerlei ‘cosmopolitismen’ en (b) een nieuwe strijd… tegen de elites.

De conclusie die Tarragoni trekt is: het is niet het populisme dat in een eeuw tijd rechts is geworden. Het is het oude nationalisme, het oude fascisme of het oude nationaalsocialisme dat terug is. Dat nam bepaalde formules van het ‘oude’ populisme voor zijn rekening door ze leeg te maken en die te vullen met hun eigen politieke zingeving. De populologie sloeg volgens Tarragoni dan ook letterlijk de plank mis. In plaats van op een wetenschappelijke wijze (zoals hij noemt een socio-historische vergelijkingsprotocol opzetten) het populisme van de ‘ouden’ te vergelijken met dat van de ‘modernen’, heeft ze de facto het populisme verhaspeld, dat wil zeggen verward met nationalisme. En dus kan Tarragoni nu schrijven: ‘Als het populisme een nationalisme tout court is, waarom gebruik je dan niet het woord nationalisme in plaats van het woord populisme?’.

Tarragoni verwijst daarbij naar de gezaghebbende Franse filosoof en socioloog Pierre-André Taguieff. Die erkent, aldus citeert Tarragoni hem: ‘Het is meer en meer ondoenlijk het woord populisme maar op alles te plakken; het is de realiteit van het nationalisme, (..); het ‘populisme’ als retoriek en politieke stijl heeft aan ons het nationalisme verborgen gehouden (..)’.

In feite, zo schrijft Tarragoni, zien we eenzelfde semantische verschuiving bij demagogie. In sommige teksten wordt populisme gelijk gesteld aan demagogie. Dus leest men wel: populisme is een demagogische affaire. Echter, zou dit zo zijn, dan zie je meteen dat het woord populisme niets meer zegt dan al met het woord demagogie wordt uitgedrukt. Demagogie is een retoriek die blinde bijval, mechanisch vertrouwen, onnadenkend volgelingschap produceert. Demagogie verwekt geen enkele op zichzelf staande politieke actie, maar eenvoudigweg macht en overheersing. Een politiek leider, zo vervolgt Tarragoni, beroept zich in zo’n geval op het volk om het te instrumentaliseren voor zijn persoonlijke macht of om electorale consensus binnen te halen. We moeten stoppen met dit verhaspelen van termen en een kat een kat noem.

Volgens de populologie zou het populisme bijvoorbeeld een mix van democratie en autoritarisme zijn. Maar, zo vraagt Tarragoni zich retorisch af of we het woord populisme nodig hebben om dat te duiden. Als het om de persoonlijke, demagogische en tirannieke praktijk van macht gaat, dan zijn veel oudere termen dan populisme op hun plaats. En die staan tot onze beschikking, in het bijzonder de term: cesarisme. Dat definieert autoritaire regimes verpakt in een uiterlijke democratische schijn.

Cesarisme, schrijft Tarragoni, ook wel ‘bonepartisme’ als een historisch voorbeeld, verwijst meer naar een politiek regime, dan naar persoonlijke praktijk. Of een regime zich nu beroept op de wil van het volk, op het behoeden voor een revolutie of op het stabiliseren van financiële markten, als de manier van besturen zich baseert op liberticide (knevelen van vrijheid) dan valt het onverkort onder autoritarisme. Dat inbegrepen als dit het product is van vrije, concurrentiële verkiezingen. In die zin zijn regimes van Carlos Menem (Argentinië), Victor Orbán (Hongarije), Vladimir Poetin (Rusland) of Nicolás Maduro (Venezuela) autoritair en behoren ze tot de klasse van het cesarisme.

Als in tegenstelling daarmee het populisme zich bezighoudt met het beschrijven van volkse legitimiteit waaraan regimes zich houden, dan kan een en ander mogelijk anders liggen. Het kan zijn dat de voorkeur zichtbaar wordt voor een politiek van publieke dienstverlening, van collectieve uitdrukking met kennis van zaken georganiseerd via referenda. Maar wat zien we in plaats daarvan, schrijft Tarrgoni, als het om Carlos Salinas de Gortari (Mexico), Alberto Fujimori (Peru) of Carlos Menem gaat…een antivolkse politiek (ongelijkheid, antidemocratisch en repressief), die met plaatsvervangend clientelisme werkt. Dit soort Latijns-Amerikaans ‘neo-populisme’ is ook snel geanalyseerd: hun ideologie is niet het populisme maar het neoliberalisme. Het is hetzelfde neoliberalisme dat in de hedendaagse wereld naar alle hoeken van de aarde het autoritaire bestuur heeft verspreid. Als een virus, zo voeg ik nu toe.

Slot

De studie van Tarragoni, zo leert de paragraaf over de opzet van zijn boek, is breder uitgewerkt dan ik heb samengevat. Maar er is wel de kern van zijn betoog aan ontlenen, te weten: (a) het antwoord op de vraag waar de term populisme historisch-situationeel vandaan komt (Rusland) en naar welke ideologie ze verwijst (socialistisch; volks; het eisen van democratie) en (b) ophouden het woord populisme (of ‘populistisch’) te gebruiken voor verschijnselen waarvoor het niet staat en waarvoor andere termen bestaan, zoals afhankelijk van de analyse: demagogie, nationalisme, autoritarisme, cesarisme, (neo-)fascisme, (neo-)nationaalsocialisme.

Wie het populisme wil bestuderen kan (voorlopig) niet om dit boek heen. Over de uitvoering ervan wil ik nog wel opmerken, en dat is niet voor de eerste keer, het bizar te vinden dat aan een dergelijk boek niet alleen een literatuurlijst (wat terugvinden van verwijzingen zeer bemoeilijkt), maar ook namen- en trefwoordenregisters ontbreken. Kom op Franse uitgevers, we leven in een tijdperk dat deze vereisten niet moeilijk zijn te realiseren.

Thom Holterman

Tarragoni, Federico, L’esprit démocratique du populisme. Une nouvelle analyse sociologique, Éditions La Découverte, Paris, 2019, 371 blz., prijs 22 euro.

[Cartoons zijn welwillend voor gebruik aangeboden door Brumlord.]