“Terwijl iedereen naar de automatische, gps-gestuurde kranen van de moderne havens staart en melancholisch afscheid neemt van de oude havenarbeiders en ‘handenarbeid’, zijn er in het onzichtbare achterland driehonderdduizend Britse magazijnarbeiders die de containers lossen – magazijnwerk is arbeidsintensief en wreed.” Zo schrijven de Angry Workers in hun boek “Class power on zero hours”. Daarin doen ze verslag van hun leven en strijd als werkers in het industriële West-Londen.

(Afkomstig van de website van Doorbraak)

Vorige week publiceerden we een artikel over dat boek. Een van de Angry Workers werkte in een bedrijf dat 3D-printers produceert en schreef daar een uitgebreid hoofdstuk over. De introductie daarvan gaat meer algemeen over kapitalisme, macht en technologische vooruitgang en eindigt met een pleidooi voor “workers’ inquiries” en een aantal belangrijke vragen. We vonden dat wel een vertaling waard. Je kunt het boek hier bestellen.

Wees je eigen fabriek – Ambachtelijke dromen en kapitalistische productie in het tijdperk van 3D-printen

Voordat we ingaan op de hype en de realiteit van de huidige productietechnologie, willen we een stap terug doen en kijken naar de relatie tussen industriële of massaproductie en kapitalisme, en de tegenstrijdigheden daarin. We willen namelijk de linkse hype aan de kaak stellen, met name Negri’s ideeën over “immateriële arbeid” en neo-liberale ideologen, die ons willen doen geloven dat we dankzij kleinschalige technologieën als computers allemaal onze eigen onafhankelijke producenten kunnen zijn. In hun opvatting is het kapitalisme begonnen als een kleine marktplaats van vrije ondernemers en zouden we dankzij nieuwe technologieën terug kunnen keren naar die idylle. Dit is historisch onjuist. Grootschalige industrieën zijn een politieke noodzaak voor het kapitalisme, omdat zij de belangrijkste vorm zijn waarin de producenten worden onteigend en de klassenverhoudingen in stand worden gehouden. Waarom is dat zo?

Historisch gezien was de macht van het kapitaal gebaseerd op een dubbelslag. De opstanden van 1789 en 1848 werden grotendeels gedragen door ambachtslieden, die zich beklaagden over het feit dat zij op het platteland als lijfeigenen werden behandeld en door de stedelijke kooplieden werden uitgebuit. Het stedelijke karakter van deze opstanden maakte ze gevaarlijker dan de geïsoleerde opstanden op het platteland van daarvoor. Repressie alleen zou niet voldoende zijn geweest om de privileges van de heersende klasse veilig te stellen – “ontwikkeling” werd het voornaamste wapen. De grote industriële bazen konden de handwerkslieden en kleine producenten confronteren met een wereldwijde bevoorradingsketen van nieuwe grondstoffen (katoen van plantages in de VS, enzovoorts), gebaseerd op slavenarbeid. Je had veel geld nodig om toegang te krijgen tot de wereldmarkt, iets dat de ambachtslieden niet hadden. Ten tweede konden ze de ambachtslieden ondermijnen met een industrieel systeem dat individuele vaardigheden overdroeg op een apparaat (machines) en dat de productiviteit kon verhogen door de arbeid van veel arbeiders te combineren (arbeidsverdeling in fabrieken). Ambachtslieden konden niet concurreren en verloren de macht die ze hadden vanwege hun vaardigheden zodra zij gedwongen werden in fabrieken te werken. Het kapitaal verscheen dus op twee manieren als de voorwaarde voor productie: als de kracht die plantages in het zuiden verbindt met fabrieken en markten in het noorden, en als de kracht die individuen van verschillende sociale achtergronden samenbrengt om te werken onder haar toezicht en materiële apparaat. Als een kapitalist het product zou afpakken dat een arbeider individueel heeft kunnen produceren, dan zou er verontwaardiging ontstaan. Als dezelfde arbeider werkt als onderdeel van een groot samenwerkingsverband met anderen, afhankelijk van een groot en duur apparaat, zal het product niet overkomen als iets waarvan hij of zij eigenaar is. Grondstoffen, grote fabrieken en machines zijn allemaal producten van vroegere arbeid, maar zij verschijnen slechts als “eigendom” van de kapitalist.

Het fundament van de kapitalistische overheersing is de uitbreiding van machines en samenwerking om a) de individuele arbeiders te imponeren met hun eigen afhankelijkheid van het kapitaal om het productieproces op gang te brengen en b) de ontevredenheid van de opkomende arbeidersklasse in te dammen door niet alleen de machines en het repressieve staatsapparaat uit te breiden, maar ook de consumptie van de arbeidersklasse. Je bouwt steeds grotere bakkerijen om de armen nog een paar kruimels te kunnen geven. Samenwerken met anderen zorgt voor sprongen in creativiteit en kennis, en deze levende kracht wordt toegeëigend door het kapitaal. We zien dat “schaalvergroting” en “massaproductie” niet slechts een “technische vereiste” zijn (sommige mensen beweren dat stoommachines “technisch” een grootschalige fabrieksorganisatie vereisten om er efficiënt gebruik van te kunnen maken), noch slechts een “rationelere manier van dingen doen”. “Schaalvergroting” is de manier waarop de tegenstrijdigheid van de kapitalistische productiewijze zichtbaar wordt: enerzijds de noodzaak om de arbeidersklasse te domineren door haar te omsingelen – en te vervangen – door machines, en anderzijds de afhankelijkheid van het kapitaal van levende arbeid en samenwerking van arbeiders voor waardecreatie (geld investeren om meer geld te verdienen).

De tegenstrijdigheden van massaproductie zijn duidelijk. Een relatief groter deel van de investeringen gaat op aan machines, waardoor het kapitaal gedwongen wordt om die permanent te gebruiken en producten af te leveren, ook al zijn de markten verzadigd, waardoor regelmatig situaties van overproductie ontstaan. Hoewel de voornaamste rechtvaardiging van het kapitalisme is dat het verondersteld wordt “vrije loonarbeid”, “vrije markten voor producenten en consumenten” en “democratisch burgerschap” te bevorderen, is het industriële systeem intrinsiek gebaseerd op brute overheersing en onderdrukking van de individuele vrijheid, en leidt het tot monopolies die de ideologie van gelijkheid op de markt ondermijnen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een van de eerste kritieken op het kapitalisme en zijn flagrante tegenstrijdigheden werd geuit vanuit een ambachtelijk standpunt, waarbij de oorspronkelijke belofte van de “burgerlijke vrijheid” opnieuw werd opgeëist: in plaats van een grote industrie zouden we een netwerk van kleine ambachtelijke producenten moeten hebben en in plaats van grote financiële instellingen zouden we nieuwe vormen van geld moeten invoeren voor directe uitwisseling (Proudhon, enzovoorts). Hoewel in de kern conservatief, behield deze kritiek haar aantrekkingskracht omdat ze de idealen van het kapitalisme serieus nam. Telkens weer moeten de vertegenwoordigers van het kapitaal er zelf gebruik van maken: ondernemingszin en individuele vaardigheden aanmoedigen.

De reactie op de strijd van de arbeidersklasse in de jaren zestig en zeventig, die zowel van binnenuit (langzaam werken, sabotage, gecoördineerde afdelingsstakingen, enzovoorts) als van buitenaf (kritiek op de consumptiemaatschappij) kritiek uitte op de fabrieks- en lopende band-arbeid, was niet alleen repressief, bijvoorbeeld in de vorm van fabriekssluitingen en massaontslagen. Het kapitaal moest een “nieuwe belofte” ontwikkelen, de belofte om de slechte kanten van de massaproductie te overwinnen: de monotonie van de industriële arbeid en de ongemakkelijke realiteit van de milieuonvriendelijke overproductie. In de jaren tachtig zien we twee met elkaar verweven en onderling afhankelijke fenomenen: het overdreven benadrukken van de gerobotiseerde of geautomatiseerde productie, en het aankondigen van de terugkeer van de kleinschalige productienetwerken. Robots zouden het monotone massale werk overnemen, terwijl kleinschalige productie de banen interessanter zou maken en de kapitalistische productie beter zou afstemmen op de markten, de behoeften van de consument en de natuur.

We zagen overal vertegenwoordigers van deze post-fordistische ideologieën: de zogenaamde “flexibele specialisatie” van Piore en Sabel beloofde veel van de problemen van het kapitaal op te lossen; vertegenwoordigers van het kapitaal kondigden aan dat de textielindustrie in Noord-Italië eindelijk gebaseerd was op egalitaire productienetwerken en de ongemakkelijke beperkingen van de “schaaleconomie” had overwonnen (Benetton-model); en zelfs de mondiale auto-industrie wedijverde in het promoten van “teamwerk” en “baanverrijking” (Toyotisme). We moeten niet vergeten dat deze “libertaire” ideologieën circuleerden op een moment dat het kapitaal zijn grote aanval inzette op de resterende industriële bolwerken van arbeidersmacht in het mondiale noorden.

Helaas lieten grote delen van links zich door beide fenomenen verblinden: ofwel ze staarden in de koplampen van een robotachtige dystopie, ofwel ze geloofden de hype van een toekomstig post-fordistisch netwerk van vrije producenten. Dit was deels te wijten aan hun gebrek aan historisch en theoretisch begrip van de kapitalistische waardeproductie en haar tegenstellingen, en deels aan een gebrek aan empirische ervaringen en onderzoek naar de werkelijke dagelijkse toepassing van technologie binnen het productieproces.

De ontwikkeling van micro-elektronica en logistieke infrastructuur sinds de jaren tachtig heeft het productieproces veranderd, maar heeft niet geleid tot een massale toename van de automatisering, noch tot de oprichting van netwerken van kleinschalige ondernemingen. De verplaatsing van de productie en de groei van de baanloosheid hebben de lonen in het mondiale noorden gedrukt, wat de investeringen in robotlegers heeft bemoeilijkt. Het internet leidde niet tot gedecentraliseerde netwerken van productie en distributie, maar creëerde de piramides van Amazon en Uber. Hoewel desktopcomputers en telefoons ervoor hadden kunnen zorgen dat mensen vanuit huis konden werken, zagen we in plaats daarvan de massale opkomst van grootschalige callcenters. Directe controle over werkers en directe samenwerking van werkers lijken op te wegen tegen de hogere investeringskosten. Evenzo wordt kleding zelden gemaakt in een “productief netwerk” van kleine producenten in de Noord-Italiaanse regio Veneto, maar in massafabrieken in Bangladesh. De auto-industrie en de mobiele telefoon-industrie zijn sterk afhankelijk van het aanbod van een handvol grote mondiale leveranciers en de achtduizend DHL-werkers die in Britse autofabrieken werken en die vroeger “fabrieksarbeiders” waren (die onderdelen in de fabriek verplaatsen) en nu statistisch worden ingedeeld bij de “industriële dienstverleners”. Terwijl iedereen naar de automatische, gps-gestuurde kranen van de moderne havens staart en melancholisch afscheid neemt van de oude havenarbeiders en “handenarbeid”, zijn er in het onzichtbare achterland driehonderdduizend Britse magazijnarbeiders die de containers lossen – magazijnwerk is arbeidsintensief en wreed.

We staan nu voor een situatie die vergelijkbaar is met de eerste “automatiserings”-hype van begin jaren tachtig. De crash van 2008 heeft aangetoond hoezeer overproductie een drijvende kracht was achter kapitalistische crises. Die overcapaciteit kon niet soepel worden uitgeschakeld wanneer de markt om minder vroeg. Tegelijkertijd bleek uit de strijd in fabrieken in China en van arbeiders in nieuwe concentraties, zoals de magazijnen van Amazon, dat het interne antagonisme van massaproductie nog niet is overwonnen, namelijk dat als je arbeiders in grotere aantallen bij elkaar brengt, er problemen komen. Gezien deze objectieve en subjectieve beperkingen voor het kapitaal is het niet verwonderlijk dat, ondanks historisch lage percentages aan productieve investeringen, de media vol staan met nieuws over de “robotoorlogen” en de dreiging van automatisering. Nu ze door de crisis in het nauw zijn gedreven en hun rechtvaardigingen als sneeuw voor de zon zien verdwijnen, hebben de vertegenwoordigers van het kapitaal een zowel aanlokkelijk als bedreigend scenario nodig. Tegenover de arbeidsplaatsvervangende robot of drone plaatst men nadrukkelijk ook een ander idee, een ambachtelijke utopie: dat het “internet der dingen” en de “open source”-technologie ons naar een “economie van het gezamenlijk delen” kunnen leiden.

Hedendaagse libertarische ‘anarchisten’ (Carson, P2P-Foundation, Commons Transition, enzovoorts) bevestigen de kapitalistische ideologie van de vrije markt. Zij gaan ervan uit dat de “grote industrie” alleen maar productiever was door “staatsonderdrukking” van de vrije concurrentie (subsidies van patenten en monopolies). Hun nostalgie naar de “ambachtelijke wijze van kleinschalig produceren” idealiseert de oorsprong daarvan: de zware juridische en patriarchale bemoeienis bij de vraag wie “vrije ambachtsman” mocht worden en wie niet. Hun utopie is naar binnen gekeerd, bang voor de mondiale dimensie van de kapitalistische samenleving – en voor de productieve kracht van (mondiale) industriële samenwerking van arbeiders, die ze niet begrijpen.

Om ons in het huidige tijdsgewricht te kunnen oriënteren is het nu meer dan ooit nodig om: a) te analyseren hoe de huidige verhouding tussen lonen, winsten en kosten van machines (waardezijde) de investeringen in machines bepaalt en waar en hoe nieuwe machines al dan niet worden toegepast; en b) het materiële proces en de gevolgen van technologie daadwerkelijk te observeren zodra ze door de werkers wordt bediend: hoe veranderen de arbeidsverdeling en de verhoudingen tussen de werkers? Hoe verandert de kennis van individuele werknemers en van het personeel in het algemeen? Welk effect heeft de nieuwe technologie op het vermogen van de bazen om het productieproces te beheersen? En wat is het potentieel van de werkers om de nieuwe technologie te ondermijnen en zich de potentieel “revolutionaire” eigenschappen ervan toe te eigenen?

Angry Workers

(De links zijn door de redactie toegevoegd.)