De inval van het Turks leger in Noord-Syrië om er af te rekenen met de Koerden leidde tot tal van verontwaardigde reacties, maar de voorstellen van wat moet ondernomen worden door onze regeringen lopen nogal uiteen.

(Door Herman Michiel, Ander Europa, foto: V.l.n.r. Europees Commissievoorzitter Juncker, Turks president Erdogan, Europees ‘president’ Donald Tusk (25 mei 2017) [Foto Flickr, (CC BY-NC-SA 2.0)]

In naam van de linkse fractie (GUE/NGL) in het Europees Parlement verwijst Özlem Demirel (Die Linke; zelf van Koerdische origine) naar de nauwe banden die de EU met het  Erdoğan–regime verbinden. Het zijn bondgenoten in NAVO-verband, en door de Europese ‘uitbesteding’ van het vluchtelingenprobleem door miljardenbetalingen aan Ankara heeft de Unie haar eigen positie ondergraven. De linkse fractie stelt economische sancties voor, en de stopzetting van geplande samenwerkingsprojecten als de Turkse agressie niet onmiddellijk ophoudt. De EU zou het democratisch streven van de Koerden moeten ondersteunen, ingaande tegen de criminalisering van hun organisaties.


Zowat alle Europese regeringen veroordelen de inval (Spanje lijkt daar evenwel niet mee gehaast geweest te zijn),  maar of er aan de woorden ook daden zullen gekoppeld worden is een andere zaak. In Duitsland bijvoorbeeld eisten zowel Die Linke als de Grünen de stopzetting van wapenleveringen aan Turkije; in de eerste helft van 2019 waren er reeds voor 23 miljoen euro Turkse militaire bestellingen door de  Bondsregering goedgekeurd. Maar staatssecretaris Niels Annen lijkt daar weinig voor te voelen. “Turkije is een NAVO-partner en een strategisch belangrijk land. Men kan zich vragen stellen over wapenexporten, maar dat zal het huidig conflict niet oplossen”, aldus de SPD-er.

De Nederlandse SP “pleit voor een wapenembargo tegen Turkije en wil dat in Navo-verband wordt gepleit voor het opschorten van het lidmaatschap van Turkije. Ook is het de hoogste tijd voor sancties tegen Turkije. Turkije dient zich onmiddellijk terug te trekken uit Syrië. Alle inzet moet gericht zijn op vrede in Syrië.”

Het standpunt van de Belgische PVDA-PTB daarentegen blijft erg op de vlakte en baart verwondering door de afwezigheid van concrete voorstellen, behalve dan dat België  “in de VN-Veiligheidsraad aandringt op de noodzaak van dialoog en onderhandelingen” en een oproep voor “onverkort respect voor het internationaal recht”. Een paar reacties gaan eigenlijk dieper in op de kwestie dan het artikel zelf.  Een partijstandpunt verleden jaar over de aanvallen op Afrin had in ieder geval meer om het lijf.  (H. Michiel)