De SPD onder voorzitterschap van Martin Schulz (*1) heeft Europa tot centraal thema uitgekozen  voor de verkennende onderhandelingen voor een ‘grote coalitie’(*2). Dat is om schrik van te hebben, niet alleen bij de SPD, maar ook bij de burgers. Want het soort Europa dat hij voorstaat, en de manier waarop hij daartoe wil komen, heeft hij als Europarlementsvoorzitter een goede twee jaar geleden in het zogenaamde Vijfvoorzittersrapport (*3) uiteengezet.

(door Norbert Häring (*) verschenen op 10 januari 2018 op de website van de auteur, de vertaling verscheen oorspronkelijk bij Ander Europa foto opposition24.de cc/flickr)

Het ‘Vijfvoorzittersrapport voor de vervollediging van de Monetaire Unie’ van Commissievoorzitter Juncker, Raadsvoorzitter Tusk, Eurogroepvoorzitter Dijsselbloem, Europese Centrale Bank (ECB) voorzitter Draghi en Parlementsvoorzitter Schulz werd op 22 juni 2015 voorgesteld. Bij het begin van hun rapport beweren ze dat het doel welstand en rechtvaardigheid voor iedereen is. Wat ze daarmee bedoelen wordt duidelijk wanneer ze verderop het welzijn van ondernemingen, zeg maar hun winsten, op één lijn stellen met het maatschappelijk welzijn. Aan nationale parlementen moeten bevoegdheden ontnomen worden. Ter compensatie beloven ze meer democratische controle op wat in Brussel gebeurt. In werkelijkheid echter worden alleen bijkomende of iets nader bepaalde vrijblijvende besprekingen in het vooruitzicht gesteld. Voor de democratie belooft dat niets goeds. Maar in het bijzonder voor de werknemers zal het nog bedenkelijker worden als het van de europoliticus Martin Schulz afhangt.

Ondermijning van de vrije loonvorming voor de lage lonen

Nieuw aan het rapport was het aandringen om Europa met een netwerk van ‘raden voor het concurrentievermogen’ te overdekken. Die moeten ertoe bijdragen dat de aanbodpolitiek (*4) van de EU overal doorgedrukt wordt. In die concurrentieraden moeten technocraten zitten die vanuit hun expertise richtlijnen voor de lonen vastleggen. Ze moeten ook het correcte evenwicht bepalen tussen werknemers-en werkgeversbelangen. Tot nog toe ging men er vanuit dat dit toekwam aan de sociale partners. In Duitsland is dat zelfs grondwettelijk vastgelegd. Maar afgaande op de voorstellingen van de vijf voorzitters zullen binnenkort ‘experten’ het kader voor de lonen vastleggen. Het rapport maakt er geen geheim van dat het er daarbij vooral om gaat de lonen te drukken. Lonen worden er zonder schroom als een kostenfactor en een probleem voor het concurrentievermogen voorgesteld, daarbij vergetend dat ze de basis vormen voor de welstand van ‘alle burgers’, zoals vermeld in hun voorwoord.

Het blijft daarbij niet bij het beïnvloeden van de publieke opinie richting werkgevers. De technocraten van de Europese Commissie moeten ook de nationale loonrichtlijnen van de technocraten in de concurrentieraden kunnen opleggen. Immers, een andere maatregel van de voorzittersstrategie bestaat erin de procedure voor de vaststelling van macro-economische onevenwichten (*5) te verscherpen en te benutten voor het ‘bevorderen van structuurhervormingen’. De loonpolitiek wordt op die manier tot een factor van economische onevenwichten verklaard en bestraft als de loonstijgingen niet bescheiden genoeg zijn of onvoldoende dalen. Buiten elke parlementaire controle zou de Brusselse technocratie dan in elk land, of beter gezegd in elk klein en machteloos of met staatsschuld getekend land, druk kunnen uitoefenen zodat tegemoet gekomen wordt aan de wensen van de werkgevers. Want of de Commissie een procedure wegens macro-economisch onevenwicht instelt tegen een land wordt mede daardoor bepaald of de sociale partners zich aan de loonmatigingseisen houden.

Schulz, Juncker en de andere drie willen doordrukken dat de lidstaten afzien van een door de sociale partners bepaalde loonpolitiek die verdelings- en prijsneutraal is (*6). In plaats daarvan zou de loonkostontwikkeling moeten vergeleken worden met die in de belangrijkste exportlanden. Een slechte loonontwikkeling in een land, zoals voor de crisis vooral in Duitsland, en nu ook in de crisislanden het geval is, zou dus volgens deze voorstellen overal tot een neerwaartse correctie moeten leiden.

De focus leggen op het zogenoemde concurrentievermogen, dat vertaald wordt in hoge winsten voor de bedrijven, is in een grote economische ruimte zoals de EU, die slechts 12% van haar productie exporteert, volledig zinloos. Te meer daar de euro-wisselkoers flexibel is. Men moet er dus steeds rekening mee houden dat een opwaardering van de euro het concurrentievermogen aantast. Wel kan elke lidstaat zijn export binnen de EU verhogen door daling van de lonen en andere maatregelen ter verhoging van het concurrentievermogen, maar het is duidelijk dat daarbij altijd andere landen verliezen wat de enen winnen.

Een uitleg over de crisis die de bezuinigingspolitiek en de afbouw van de democratie moet verantwoorden

Schulz en zijn collega-voorzitters maken van de financiële en eurocrisis een crisis die ontstond en escaleerde door te spilzieke regeringen. Ze doen dat duidelijk met een bedrieglijk inzicht. In een presentatie van de vier presidenten, toen nog zonder Schulz die er slechts later bij betrokken werd, voor de informele EU-Raad van 12 februari 2015 luidde het nog (onderstreping door NH):

Aanvankelijk was de crisis in de eerste plaats een financiële crisis, die uitbrak in de US- subprimemarkt en zich snel uitbreidde over het wereldwijd vertakte financiële systeem, inclusief de Europese banken en andere financiële instellingen, in het bijzonder in de landen waar de goede tijden van het eerste decennium van de euro tot zeepbellen geleid hadden in de sectoren van financiën en immobiliën. Van bijzondere betekenis voor de eurozone was het negatief terugkoppelingeffect tussen bankschulden en staatsschulden: wanneer banken, die een te groot systemisch belang hadden om bankroet te gaan in financiële moeilijkheden geraakten, bij hun Staten om hulp vroegen, kon de stabiliteit van het bankensysteem alleen gegarandeerd worden op last van de openbare financiën van de betreffende landen. (…) Op die manier ontstond in deze landen uit de bankencrisis snel een crisis van de overheidsfinanciën, met directe gevolgen voor de economie. Niet in de laatste plaats kan men ook zeggen dat deze crisis een crisis van de markten was.

In de uiteindelijke versie (met Schulz) kwam de volgende totaal verdraaide en verkeerde voorstelling van zaken:

Een van de belangrijkste lessen van de crisis was dat de (nationale) begrotingspolitiek een kwestie van vitaal gemeenschappelijk belang is in een muntunie. Een onhoudbare begrotingspolitiek brengt niet alleen de prijsstabiliteit in de muntunie in gevaar, maar ze tast ook de financiële stabiliteit aan door besmetting tussen lidstaten en fragmentering van de financiële markten.

De centrale rol van de banken en de mislukking van de financiële markten bij het vervullen van de hun toegekende functie werden geschrapt uit de lessen van de crisis. De oorzakelijke keten gaande van crisis van de financiële markten naar de berooide overheidsfinanciën werd omgekeerd.

“Een verantwoordelijke nationale begrotingspolitiek is bijgevolg de basis van de monetaire unie, en daarop moet men zich concentreren”, is het oordeel van deze met opzet vervalste crisisanalyse.

De voorgeschiedenis

In 2012 werd reeds een rapport van vier voorzitters gepubliceerd, waar de voorzitter van het machteloos Europees Parlement bij ontbrak. En ook deze keer vond aanvankelijk niemand het Parlement belangrijk genoeg om het een stem in het kapittel te geven bij de verdere ontwikkeling van de EU. De eurotop van 24 oktober 2014 gaf aan de voorzitter van de Europese Commissie, samen met alleen de voorzitters van de Eurogroep, de EU-Raad en de Europese Centrale Bank de opdracht een rapport over de ‘vervollediging’ van de monetaire unie te schrijven. Ergens na 12 februari 2015 kwam Juncker dan op het idee om parlementsvoorzitter Schulz erbij te betrekken; de andere drie hadden niets daartegen, want Schulz is toch zo meegaand.

Ook in een publicatie van de Europese Commissie van 21 april 2015 is er sprake van ‘de vier voorzitters en de voorzitter van het Europees Parlement’. Als vijfde wiel aan de wagen wordt Schulz bijgevolg in het vijfvoorzittersrapport als laatste vernoemd, al is dat niet zijn alfabetische plaats. Zijn opdracht bestond er alleen in de schijn te wekken van democratische legitimering. Iemand moet bij de informele eurotop opgemerkt hebben dat in de presentatie door Juncker & Co de woorden democratie/democratisch geen enkele keer voorkwamen. Men mag bijgevolg aannemen dat de wolkige verwijzingen naar de kwestie van de democratische controle vooral het werk van Schulz zijn.

Schulz duldt geen tegensprekende parlementsleden 

Parallel met de vijf voorzitters hield ook het Europees Parlement zich in eigen regie bezig met de vervollediging van de muntunie en bracht eveneens een rapport daarover uit, het rapport Berès, genoemd naar de auteur ervan, Pervenche Berès. Junckers politieke bondgenoten in het Europees Parlement slaagden er evenwel in de uiteindelijke aanvaarding van het rapport in het Parlement zolang te vertragen, dat het pas op 24 juni, twee dagen na dat van de vijf presidenten, aangenomen werd. Dat was belangrijk voor Schulz, want formeel gezien moest hij op die manier geen rekening houden met het standpunt van zijn Parlement. Maar het standpunt van het Parlement was natuurlijk voor zijn voorzitter geen geheim. In belangrijke punten ging hij aan dit standpunt voorbij.

In de eerste plaats eist het rapport Berès medebeslissingsrecht (‘codecisie’) voor het Europees Parlement. In het vijfvoorzittersrapport is weliswaar veel sprake van grotere democratische legitimiteit, maar in werkelijkheid werden uitsluitend niet-bindende gesprekken met de parlementsleden van de EU en van de nationale parlementen in het vooruitzicht gesteld.

In het rapport Berès wordt de uitdrukking ‘structuurhervormingen’ doorgaans begeleid met de adjectieven ‘duurzaam’ en ‘sociaal evenwichtig’. Deze toevoegingen zoekt men tevergeefs in het vijfvoorzittersrapport,  ze zouden trouwens tegen de teneur van het rapport ingaan. Bovendien bevat het rapport Berès een specifiek punt over de ‘doorslaggevende betekenis van de toenemende ongelijkheid in Europa’ en de eis hieraan tegemoet te komen door de creatie van hoogwaardige jobs. Het Europees Parlement dringt aan op meer economische en sociale samenhang; hiertoe moet het Europees Sociaal Fonds en het Europees Structuurfonds versterkt worden, met de bedoeling ‘arbeidsplaatsen met rechten’ te scheppen. Er moet een sociale dimensie voorzien worden met als doel de Europese sociale markteconomie in stand te houden, en in het bijzonder het recht op collectieve onderhandelingen over lonen en arbeidsvoorwaarden te handhaven, evenals minimumlonen of gelijkwaardige maatregelen in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting.

Dit is dus een protest van het Parlement tegen het beleid van de Europese Commissie, dat afstevent op afschaffing of vermindering van minimumlonen, verzwakking van de vakbonden en terugdringing van collectieve of algemeen verbindend verklaarde loonafspraken, een beleid dat reeds op heel wat punten gescoord heeft (*7).

In het vijfvoorzittersrapport daarentegen, dat door de toenmalige voorzitter van het Europees Parlement en de huidige SPD-chef ondersteund wordt, komt noch het woord ongelijkheid, noch de kwaliteit van de arbeidsplaatsen voor. Een sociale dimensie is er niet, want de belangen van de werknemers worden geïdentificeerd met het winstbejag van de ondernemingen.

Bovendien wou het Parlement een herziening van de beslissingsprocedures van de zeer belangrijke maar volledig informele Eurogroep van de financieministers van de eurozone; dit orgaan heeft geen huishoudelijk reglement, geen notulen en geen enkele democratische controle. Maar in plaats van ergens rekening te houden met deze vraag van het Parlement willen de vijf voorzitters geen hervormingen van de Eurogroep, en ze willen er zelfs nog een belangrijkere rol aan toekennen bij beslissingen op het Europese vlak. Cynisch genoeg brengen ze dit plan onder in het hoofdstuk met als titel ‘Democratische controle’…

Conclusie: als Martin Schulz in een Grote Coalitie de Europese agenda verder mag zetten zoals hij die in het vijfvoorzittersrapport schetste, dan moeten de werknemers zich schrap zetten. Dan worden bovendien de Duitse verkozenen op alle niveaus de macht ontnomen ten gunste van besparingsverzotte Europese technocraten. Wil de basis van de SPD dat werkelijk? Zijn er echt genoeg kiezers die daarvoor op de partij van Schulz stemmen? Ik betwijfel het.

Toegevoegd op 11 januari (NH): Schulz heeft vandaag de versterking van Europa als voorwaarde gesteld voor een coalitie, en de Bertelsmann Stiftung (*8) publiceerde daarover een gemanipuleerde enquête. Zie Bertelsmann trommelt mit manipulierter Umfrage für Schulzens EU.

Dit artikel berust op uitgebreidere analyses, die ik kort na de voorstelling van het vijfvoorzittersrapport schreef:


(*) Norbert Häring is een Duitse econoom en journalist bij Handelsblatt. Hij schreef verschillende boeken, o.a. Markt und Macht (Engelse vertaling  Economists and the Powerful). Hij is medeoprichter van de World Economics Association (WEA), die een pluralistischer aanpak van het economisch onderzoek nastreeft. Op zijn website publiceert hij regelmatig kritische analyses over politiek-economische onderwerpen, o.a. over het beleid van de Europese Unie.

 Noten:

(*1) Martin Schulz was lange tijd fractieleider van de sociaaldemocraten in het Europees Parlement;  van 2012 tot 2017 was hij voorzitter van dit Parlement. In januari 2017 ging hij terug naar de nationale politiek als tegenkandidaat van Angela Merkel voor het kanselierschap bij de Duitse parlementsverkiezingen van 24 september 2017. Hij was inmiddels ook tot voorzitter van de SPD gekozen, ter opvolging van Sigmar Gabriel. [Noot van de vertaler]

(*2) Onder ‘grote coalitie’ (soms aangeduid als Groko), wordt in Duitsland een coalitie van de christendemocraten met de sociaaldemocraten bedoeld, dus van Angela Merkels CDU-CSU met de SPD. De onderhandelingen hebben intussen geleid tot een principeakkoord tussen de twee partners. [NvdV]

(*3) Zie onze bespreking ervan op Ander Europa, 27 januari 2017, Het vijfvoorzittersrapport of het coalitieverdrag van de Europese elites [NvdV]

(*4) Bij een aanbodbeleid gaat de overheid er van uit dat de economie kan ondersteund worden door het de bedrijven (het aanbod) gemakkelijker te maken: lagere belastingen, druk op de lonen, minder reglementering. Daar staat tegenover een (keynesiaanse) vraagpolitiek: meer vraag door het versterken van de koopkracht. [NvdV]

(*5)Een maatregel vervat in het beruchte sixpack.[NvdV]

(*6) D.w.z. die de verhouding lonen/winsten en het prijsniveau ongemoeid laat. [NvdV]

(*7) Häring verwijst naar het artikel Lohnpolitischer Paradigmenwechsel in der EU van Michael Mesch.

(*8) De Bertelsmann Stiftung is een kapitaalkrachtige en invloedrijke ideologische actor (150 werknemers, meer dan 150 miljoen € jaarbudget) nauw verbonden met en gefinancierd door het Bertelsmann mediaconcern. De stichting pakt uit met grote waarden (“Freiheit, Solidarität und Menschlichkeit”)  maar stuurt in werkelijkheid systematisch aan op neoliberale hervormingen. Zie bv. hier. [NvdV]