Een terugval of meer dan dat: een crisis. Schoorvoetend geeft de FNV toe dat de interne en externe problemen dusdanig groot worden dat zelfs het voortbestaan van de grootste Nederlandse vakbond in gevaar dreigt te komen. Recente publicaties en (interne) nota's als Positie en strategie van de vakbeweging (*1) en Focus&Verbinding gaan in op de problemen van de vakbond en maken de crisis van de vakbeweging manifest. Een goed moment voor een kritische blik op wat er gaande is. Want één ding moet duidelijk zijn, een vakbond is meer dan nodig in het politieke, economische en sociale systeem van het kapitalisme dat aan alle kanten knarst.

(Door Sjarrel Massop, oorspronkelijk verschenen bij solidariteit.nl)

De documenten laten de problemen zien, echter ook niet meer dan dat. Ze tippen de stagnatie aan, veel verder komen ze niet. Vooral het document Focus&Verbinding, feitelijk het reorganisatieplan voor de werkorganisatie van de FNV, geeft onvoldoende antwoord op de precaire situatie waar de vakbond voor staat. De toonzetting is er één van een moderne managementstrategie. Er ligt geen fundamentele analyse aan ten grondslag, waardoor de kans groot is dat de aangedragen oplossingen de situatie alleen maar verslechteren. De FNV zal dan vastlopen in een ordinaire reorganisatie met weinig perspectief op een motiverend elan en veel onrust onder de werknemers.

Kloof onderzoek en praktijk

In het vrij nieuwe debat klinken knelpunten door. Hier een zestal langsgelopen, zonder de pretentie compleet te zijn. Het kan de kritische discussie verder helpen.

Ten eerste, wat al doorklinkt in de publicatie ''Positie en strategie'', de gespannen verhouding tussen onderzoek (theorie) en praktijk. Ondanks dat de schrijvers dit probleem onderkennen, zijn ze er niet echt toe gekomen (kader)leden in hun onderzoek te betrekken. Het is ook geen eenvoudig probleem, maar niet aanpakken maakt het alleen maar erger. De FNV heeft de pretentie een vakbond van de leden te worden. Te lang blijven polderen, door blijven gaan met onderhandelen en afsluiten van akkoorden, een voortzettende interne bureaucratisering, al die zaken hebben leden en potentiële leden verwijderd van de vakbeweging. Met alle akkoorden zijn de problemen in de zorg bij lange na niet opgelost, de stakende mensen in het streekvervoer balen van het onderhandelingsresultaat en meerderen keren daardoor de vakbond de rug toe. De bijdragen in ''Positie en strategie'' dichten de kloof niet tussen onderzoek en de praktische problemen waarmee veel mensen te maken hebben.

Ten tweede, het onderscheid tussen onderhandelen en overleggen. Vooral Roel Berghuis bepleit in zijn bijdrage in ''Positie en strategie'' voor minder centraal overleg en meer decentrale onderhandelingen tussen werkgevers en actieve vakbondskaders in de bedrijven. Een sympathieke gedachte, maar twee aspecten blijven onderbelicht: a) er is weinig actief vakbondskader meer en de opbouw daarvan vergt een lange tijd. b) en dat is nijpender: er is voor de ondernemers geen of weinig aanleiding om op vakbondseisen in te gaan.

Ernstige stagnatie

fnv anders denken en handelen 2Ten derde, de verhouding tussen het voeren van campagnes en het opbouwen van nieuw vakbondswerk. Hier komen de rol en positie van de vakbondsafdeling Organizen naar voren. Daar wordt verondersteld dat een bond die acties en campagnes voert zich 'vanzelf' zal opbouwen. Te vaak is gebleken dat het zo niet werkt, denk aan de schoonmakers, de postbezorgers en de zorgmedewerkers. De strijd rond Red de zorg kan in de ogen van de leiding van de vakbeweging resultaten hebben opgeleverd in een akkoord, waarbij de toenmalige staatssecretaris Van Rijn door de knieën moest, maar hoe hebben de leden en activisten dat ervaren? Wat is er over van Wij zijn de thuiszorg? De logica van de gedachte dat door middel van campagnes het bedrijvenwerk opgebouwd kan worden, blijkt in de praktijk niet te kloppen.

Ten vierde, het dispuut over centralisering of decentralisering van de vakbeweging. Met de centralisten is op het laatste congres stevig afgerekend. Niet geheel terecht, met veel energie hebben zij een beweging tot stand gebracht. Maar ook weer wek terecht, omdat een centrale aanpak de invloed van de actieve leden en kaderleden stevig in de weg kan staan.

Ten vijfde, de vraag is: is de vakbeweging in het offensief of blijft ze nog geruime tijd in het defensief. Interne verdeeldheid en oneigenlijke argumenten, zoals de financiering van de 'offensief campagne', werken remmend. Bovendien kampt de vakbeweging met een defensieve historie. Overleg, polderen en onderhandelen leiden onvermijdelijk tot compromissen en concessies die de leden door de strot worden geduwd met bijvoorbeeld: 'dit is het maximaal haalbare', 'meer zat er niet in', 'leden willen de strijd niet’ ….. Zo wordt een beoogd offensief vrij snel een moeizaam defensief.

Ten zesde, de vakbeweging is en was versnipperd. De fusie naar één vakbond was erop gericht de verschillen van de afzonderlijke bonden weg te werken tot één ondeelbaar FNV. De invoering van sectoren en lokale netwerken heeft echter de mogelijkheid geboden dat velen zich daarin opsluiten en dat de sectoren hun activiteiten allesbehalve op elkaar afstemmen en bundelen.

Twee opmerkingen over wat nodig is

Mijn overtuiging is dat we over de positie en de strategie van de vakbeweging anders moeten gaan denken en vervolgens anders handelen. Deze verandering komt voort uit het besef dat de arbeidsverhoudingen in de geglobaliseerde wereld volstrekt anders zijn komen te liggen. In termen van de oude Marx met zijn visionaire vooruitblikken, is het logisch in de ontwikkeling van de politieke economie van het kapitalisme dat de klassenverhoudingen sterk aan veranderingen en aanpassingen onderhevig zijn. De kapitalisten worden bedreven managers, het proletariaat wordt 'verprecariseerd'.

De patroons voor wiens geld we hebben gezwoegd, zijn gewiekste organisatoren geworden die de arbeiders en arbeidsters ronselen met managementtechnieken die verdeeldheid en verwarring zaaien. De vakbeweging neemt dat zelfs over. ''Focus&Verbinding'' is daar een sprekend voorbeeld van. En die patroons betalen ons nog steeds niet de centen die we we nodig hebben, integendeel de koopkracht vermagert en echte banen verdwijnen als sneeuw voor de zon. De ongelijkheid groeit, de solidariteit is weg, de werkdruk wordt zo groot dat er geen tijd meer is voor vakbondswerk.

Het zou goed zijn een diepgaand onderzoek te doen naar de veranderende arbeidsverhoudingen, zo opgezet dat de onderzoekers zich verplicht achten te rade te gaan bij de leden en kaderleden of de mensen die nog geen lid zijn.

Een tweede opmerking over wat hard nodig is, een stokpaardje: de vakbeweging moet zich bezighouden met de inhoud en de organisatie van de arbeid. Ook daar inspireert de oude Marx. Vooral, wanneer hij het heeft over de ontwikkeling van de formele naar de reële onderschikking van de arbeid onder het kapitaal. De technologie gaat met andere woorden domineren over de arbeid. Kapitaal, zoals gereedschappen, machines en instrumenten, waartoe ook de computers nadrukkelijk behoren, maken de dienst uit. De arbeid(st)er wordt een verlengstuk van de machine, een degradatie die niet meer beperkt is tot de landbouw en industrie, maar zich uitstrekt tot in de dienstverlening, de zorg en het onderwijs.

Wezenlijk voor een vakbond zijn de ervaringen van mensen in hun arbeid, daar is een wereld te winnen.

(*): Zie: extra 358-4, 24 juni 2018.