Zoönosen zijn niet nieuw. Ze veroorzaakten al in de Oudheid de pest en richtten in de Middeleeuwen grote ravages aan. Nieuw is dat een toenemend aantal besmettelijke ziekten vandaag zoönosen zijn: ziekten die van dieren zijn overgegaan op mensen. Hun aantal steeg in dertig jaar van 50% naar 70%. Drie op vier nieuwe ziekteverwekkers bij de mens zijn afkomstig van dieren. Aids, zika, chikungunya, ebola, h1n1, sars, mers, de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en covid19 het gaat steeds om zoönosen.

(Door Daniel Tanuro, oorspronkelijk verschenen op grenzeloos)

Voor biologen en epidemiologen is dit geen verrassing. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) waarschuwt al enkele jaren dat de grootste bedreiging voor de mensheid vandaag een onbekende ‘ziekte X’ zal zijn, waarschijnlijk een zoönose. Die voorspelling komt niet zomaar uit de lucht vallen, ze is het gevolg van de vernietiging van de natuur waarbij ziekteverwekkers die op andere dieren leven, nu overgedragen worden op de mens.

Pandemie en milieucrisis

Vijf factoren dragen bij tot het vernielen van ecosystemen en spelen hier dus een rol.

Eerste factor: het verdwijnen of versplinteren van natuurlijke ecosystemen. Wouden worden omgehakt, vochtige zones worden drooggelegd. Men bouwt infrastructuur en opent mijnen midden in natuurgebieden. Zo verkleint de afstand tussen mensen en andere dieren, wat een ‘soortensprong’ mogelijk maakt.

Tweede factor: het ineenstorten van de biodiversiteit. Wanneer soorten uitsterven, zullen de soorten die wel overleven en zich uitbreiden – met name ratten en vleermuizen – de dragers worden van ziekteverwekkers die op mensen kunnen worden overgebracht.

Derde factor: ‘de vleesindustrie’. Die is natuurlijk ethisch en ecologisch te verwerpen maar bovendien bestaat ze uit gigantisch grote industriële concentraties van genetisch identieke dieren, die leven in kleine ruimtes en zo vlug mogelijk worden vetgemest en gedood. Ze zijn een ideale voedingsbodem voor het verspreiden van infecties en voor de overdracht van ziekten op de mens.

Vierde factor: de klimaatsverandering. Er zijn geen directe bewijzen dat ze zoönosen bevordert, maar het is een mogelijkheid. Dieren migreren immers naar de polen en maken contact met nieuwe soorten. Zo kunnen ook ziekteverwekkers nieuwe gastheren vinden.

Deze vier factoren die een verhoogd epidemiologisch risico betekenen worden hoofdzakelijk door de winsthonger van de multinationals in stand gehouden – in het bijzonder de mijnbouw, energiebedrijven, agro-business en de houtindustrie.

De vijfde factor is anders. Hierbij gaat het om activiteiten zoals de handel in wilde dieren, in ‘bushmeat’, de goudwinning uit rivieren – waarbij winst het enige motief is, maar dan in de informele sector en/of door de georganiseerde misdaad. Hun impact op de gezondheid is groot. De handel in wilde dieren op de markt van Wuhan ligt hoogstwaarschijnlijk aan de basis van de huidige pandemie.

In het geval van sars-cov2 zou een zesde factor een rol spelen: luchtvervuiling door fijne stofdeeltjes,. Dit verhoogt immers het risico van ademhalings- en cardiovasculaire aandoeningen met miljoenen doden per jaar. Het is dus niet verwonderlijk dat dit ook het gevaar van covid-19 verhoogt (1).

Een sombere toekomst

Deze zes factoren werpen licht op een realiteit die te weinig aan bod komt: de pandemie is geen speling van het lot maar een deel van de milieucrisis. Het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit (IPBES) zegt het zonder omwegen: er komen nog meer pandemieën. Het risico van een epidemie moet dus gevoegd worden bij de vier grote gevaren van klimaatopwarming: verlies van biodiversiteit, eutrofiëring (de vergroting van de voedselrijkdom in water door toevoer van een overmaat aan voedingsstoffen) en verlies aan vruchtbare grond.

Elk risico op zich is al groot. Maar wanneer we ze samennemen en dat combineren met sociale ongelijkheid, wordt de toekomst voor de mensheid erg somber, de pandemie geeft ons een voorproefje. Wanneer er niets verandert, zullen de armen, de vrouwen, de kinderen en de ouderen massaal bedreigd worden – zeker als het migranten zijn of ze behoren tot ‘raciale’ minderheden.

Hoe is het zover gekomen? Volgens sommigen toont de pandemie en de milieucrisis in het algemeen aan dat de ‘draagkracht’ van de aarde het niet meer aankan. Alleen de sterksten zullen overleven volgens de wet van de natuurlijke selectie die Darwin formuleerde…

Enkele maanden geleden riep een politicus in de VS oudere mensen, die meer kwetsbaar zijn voor het coronavirus, op zich op te offeren voor ‘de economie’ en voor ‘de vrijheid’. Hij was vol misprijzen over de voorzorgsmaatregelen en pleitte ervoor om ‘de kleine griep’ vrij te laten circuleren. Trump, Bolsonaro en anderen dachten hetzelfde. Dat is wat we ‘sociaal darwinisme’ noemen en we moeten dit heftig bestrijden.

De aanhangers van het ‘sociaal darwinisme’ beweren dat zij in de klimaatcrisis en de bedreiging van covid-19, de verdedigers zijn van de vrijheid om te leven, te genieten, te consumeren en zaken te doen zonder enige grens of beperking. Vaak klagen zij de complotten van bepaalde kapitalisten aan, maar dat is pure demagogie, zij klagen het kapitalisme zelf helemaal niet aan.

Integendeel, wat deze lui in feite verdedigen is de vrijheid om rijk te zijn of het te worden ten koste van anderen en van de planeet. Achter het masker van ‘vrijheid’ en van ‘natuurwetten’ schuilt niets anders dan het oude fascistische project: overheersen, uitbuiten en uitschakelen. We moeten dit masker afrukken, zo niet dan dreigt de wereld opnieuw in barbarij te verzinken.

Wat te zeggen, wat te doen?

Het is eerst en vooral totaal fout te beweren dat de theorie van Darwin de eliminatie van de zwaksten rechtvaardigt. Integendeel, Darwin schrijft zwart op wit dat de wetten van de evolutie bij de mens empathisch gedrag hebben bewerkstelligd, wat ingaat tegen de strijd van allen tegen allen. De natuurlijke selectie bevoordeelt het omgekeerde, de solidariteit (2).

En daarnaast moeten we benadrukken dat de mens geen diersoort is als de andere. Wij bouwen collectief ons sociaal bestaan op door arbeid, als bewuste activiteit. Daardoor hangt de mensenpopulatie niet alleen af van de natuurlijke productiviteit maar evenzeer van de sociale manier waarop we ze aanwenden. Dat betekent natuurlijk niet dat een onbegrensde ontwikkeling mogelijk is. Het betekent dat ‘onze draagkracht’ niet louter afhangt van het maximaal aantal mensen dat door een bepaalde productiewijze gevoed kan worden. Ze hangt ook af van het minimumaantal mensen dat hiervoor nodig is.

Marktwetten en roofbouw

Een concreet voorbeeld: De industriële en de kleinschalige visserij samen vangen per jaar dertig miljoen ton vis als voedsel voor mensen. De industriële visvangst krijgt hiervoor 25 tot 27 miljard dollar overheidssteun, stelt 500.000 mensen tewerk, verbruikt 37 miljoen ton stookolie, werpt 8 tot 20 miljoen dode dieren overboord en vangt nog eens 35 miljoen ton om tot visolie of tot diervoer verwerkt te worden. De kleinschalige visvangst krijgt maar 5 tot 7 miljard overheidssteun, stelt twaalf miljoen mensen tewerk, verbruikt 5 miljoen ton stookolie, werpt een verwaarloosbare hoeveelheid vangst terug in zee en produceert bijna geen visolie of diervoer. Hoe efficiënt zijn dan die twee systemen? Eén tot twee ton vis per ton stookolie voor de industriële visvangst, vier tot acht ton vis voor de kleine vissers! (3)

Het is een enorm verschil: de kleinschalige visvangst is tegelijkertijd goed voor de werkgelegenheid, de biodiversiteit, het klimaat, de gezondheid en de openbare financiën. Waarom verplettert de grote industriële visvangst dan deze kleintjes? Omdat de marktwetten in het voordeel zijn van de kapitalisten die in deze sector investeren.

Op dezelfde manier kunnen we agro-business en agro-ecologie vergelijken, vleesindustrie en veeteelt op de weide, houtindustrie en ecologisch bosbeheer, extractivisme in de mijnbouw met een rationeel beheer van minerale grondstoffen. Telkens komen we tot dezelfde conclusie: elke activiteit kan anders, kan gunstig zijn voor de biodiversiteit, het klimaat, de werkgelegenheid, de gezondheid en de openbare financiën. Waarom gebeurt dat dan niet? Omdat de marktwetten de kapitalisten die in de schadelijke activiteit investeren bevoordelen.

Wat is het verband tussen dit alles en de pandemie en de milieucrisis in het algemeen? Visvangst, bosbouw, landbouw, mijnbouw en veeteelt zijn simpelweg die activiteiten die de schakel vormen op de grens tussen de mens en de natuur. En de zoönosen ontstaan precies op die grens.

Een noodzakelijke, urgente en wenselijke utopie

Hoewel vaccinatie noodzakelijk is, zal dit de kern van het probleem niet oplossen. Laten we van de crisis die we nu beleven gebruik maken om na te denken over structurele oplossingen. De pandemie leert ons dat de marktwetten de mensheid steeds dieper duwen in een relatie van roofbouw op de natuur. Die relatie keert zich als een boemerang tegen ons en moet dus zo vlug mogelijk afgebroken worden. De pandemie leert ook dat we niet in absolute aantallen met te veel zijn, maar dat we relatief met te veel zijn binnen een sociale organisatie die ons nu al twee eeuwen overheerst: het kapitalisme.

Een andere organisatie behoort tot de mogelijkheden: ecosocialisme dat vertrekt van het vervullen van reële menselijke noden, op democratische wijze bepaald met respect voor de grenzen van ecosystemen. In een dergelijk systeem blijft de arbeid de onvermijdelijke bemiddeling tussen Homo sapiens en de rest van de natuur. Maar er zal minder arbeid nodig zijn (we zullen nutteloze en schadelijke activiteiten afschaffen), met werk voor iedereen dat zich prioritair zal richten op de zorg (voor mensen en ecosystemen). Arbeid zal met andere woorden een sociale, ecologische en dus ethische activiteit worden. Een activiteit die een echte bevrijdde mensheid waardig zal zijn omdat ze zich bewust zal zijn van de grenzen en bevrijd van de gewoontes van de productivistische- en consumptiedwang. Utopisch? Ja, maar utopieën doen de wereld veranderen! En deze utopie is niet alleen maar dringend en nodig, ze is ook wenselijk.

Noten

 (*1) zie het artikel van Marijke Colle, Corona, griep en luchtvervuiling: een onderbelicht verband

(*2) Darwin ontwikkelt deze stelling in The Descent of Man, zijn tweede grote theoretisch werk dat 10 jaar na de Oorsprong der Soorten verscheen.

(*3) Jennifer Jacquet & Daniel Pauly, Funding Priorities: Big Barriers to Small-Scale Fisheries, Conservation and Biology, Volume 22, No. 4, 832-835