Ga naar de inhoud

Sociale rechtvaardigheid in de nieuwe wereldorde

De preambule van de Constitutie van de Internationale Arbeidsorganisatie stelt: ‘Duurzame vrede is niet mogelijk zonder sociale rechtvaardigheid’. Terecht. Maar, heeft sociaal beleid ook iets te maken met geopolitieke relaties? Het is een niet voor de hand liggende vraag die beslist niet in een handomdraai kan beantwoord worden. Sociale rechtvaardigheid is bovendien een onderwerp dat zelden aan bod komt in geopolitieke besprekingen.

11 min leestijd

(Foto: hoofdkantoor ILO in Geneve, ILO, Flickr CC2.0)

Waarover gaat het?

Wat is sociale rechtvaardigheid?  Gaat dit verder dan sociaal beleid op zich? Gaat dit verder dan armoedebestrijding? Hoe ver kan een strijd tegen de ongelijkheid gaan? Wanneer wordt een samenleving ‘rechtvaardig’? Het zijn filosofische én politieke vragen waarover al eeuwen wordt nagedacht. In onze tijd schommelt het antwoord tussen armoedebestrijding en een eco-sociale verzorgingsstaat met aandacht voor productieverhoudingen en rechtvaardige belastingen. In alle gevallen gaat het om het reële leven van mensen, hun behoeften, hun gezondheid, hun arbeid, hun welzijn. Precies dat laatste maakt de breuk met geopolitiek dat over internationale relaties tussen de politieke entiteiten waarin die mensen leven.

Wat is een ‘wereldorde’ en vanaf wanneer zeggen we dat die ‘nieuw’ is? Op het Wereld Economisch Forum in Davos, afgelopen maand januari, was duidelijk dat de geopolitieke relaties aan het schuiven zijn. Het ‘Westers’ bondgenootschap is niet meer en of de NAVO en/of de Europese Unie dit zullen overleven is de vraag. Dit is niet plots uit de lucht komen vallen, het werd duidelijk tijdens Trumps eerste mandaat en vanaf het begin van zijn tweede mandaat. Een verklarend element is de bedreigde hegemonie van de Verenigde Staten, de snelle opkomst van China en de dreiging van de BRICS-landen om de Dollar in het internationale betalingsverkeer te vervangen. Dit zijn economische factoren met potentieel politieke gevolgen die uiteindelijk kunnen leiden tot een multipolaire wereld.

Wat is de relatie tussen ‘sociale rechtvaardigheid’ en ‘geopolitiek;’? Zijn veranderingen in sociaal beleid het gevolg van geopolitieke verschuivingen of is het omgekeerd? Of zijn ze het gevolg van een veranderende culturele hegemonie? Op haar beurt een gevolg van nieuwe economische relaties? Is er op dit vlak een verschil tussen nationaal en mondiaal sociaal beleid?

Gaat het goed of gaat het slecht?

De simpele vraag of de sociale situatie in de wereld er al dan niet op vooruit gaat is moeilijk te beantwoorden. Vier miljard mensen hebben geen enkele vorm van sociale bescherming en hoewel dit langzaam verbetert stijgen de armoedestatistieken. De ongelijkheid piekt.

Een verwijzing naar het nefaste neoliberalisme is volledig correct maar de opkomst en het succes ervan behoeven op zichzelf een verklaring. Waarom kon het zo makkelijk ingevoerd worden en in Noord én Zuid het beleid volledig omgooien? Toen in 1990 de mondiale armoedebestrijding op de agenda kwam en de afbouw van de bestaande sociale bescherming begon, was dat niet het gevolg van de Chinese successen maar eerder van de opkomende mondialisering en de behoeften van het kapitalistisch systeem om te concurreren met grote ondernemingen in het Zuiden. Meer en meer ondernemingen trokken ook zelf naar Azië om daar goedkoper te kunnen produceren.

Ontwikkelingshulp gaat in alle rijke landen sterk achteruit en is in de VS bijna geheel stopgezet. Dit is slechts deels een gevolg van een beslissing van President Trump, het was al langer bezig. Dat het ontwikkelingsdenken van de Verenigde Naties nergens echt realiteit is geworden, dat de Doelstellingen voor Duurzame Ontwikkeling hoegenaamd niet gehaald zullen worden en dat zelfs de armoedebestrijding waar de Wereldbank zo op hamert faalt, is het gevolg van heel wat verschillende economische, politieke en culturele factoren, in Noord én Zuid.

Sociaal beleid, tenslotte, is altijd een kwestie van nationaal én mondiaal belang. Toen de Wereldbank in de jaren ’70 van vorige eeuw sociaal beleid op de agenda wilde zetten, waren de zogenaamd ‘onderontwikkelde’ landen daar helemaal niet mee opgezet. Ze zagen het als een schending van hun soevereiniteit, sociaal beleid was een interne aangelegenheid. Ze wilden beslist hun concurrentiepositie t.a.v. de rijke landen bewaren, met lage lonen en zonder vakbondsrechten.

Toen, na de eerste wereldoorlog in 1919 de Internationale Arbeidsorganisatie werd gesticht was het hoofdmotto: ‘vrede is niet duurzaam zonder sociale rechtvaardigheid’. Dat was na een periode van sterke mondialisering. Men ging ervan uit dat bedrijven mondiaal met elkaar in concurrentie moesten gaan, maar dat dit niet op de rug van de werknemers mocht gebeuren. Vandaar dat de IAO begon met het uitwerken van mondiale regels voor het arbeidsrecht.

Verrechtsing

Vandaag zien we, vooral op nationaal vlak, opnieuw veranderingen optreden. In het rijke ‘Westen’, met de beste verzorgingsstaten, worden die in versneld tempo afgebouwd en de armoedebestrijding komt in een nieuwe – maar in feite erg oude – moraliteit terecht. Arme mensen zijn niet langer de slachtoffers van fout bedachte bescherming of van een falend economisch systeem, zoals het neoliberalisme stelde, maar worden schuldig geacht aan hun eigen falen. Ze hebben de hen geboden kansen niet gegrepen en moeten gesanctioneerd worden. Bovendien ontstaat een bijna veralgemeend afwijzen van migratie en de voorwaarden voor migranten en vluchtelingen om zich maatschappelijk te integreren worden strenger, als ze al niet gewoon worden uitgewezen.

Op mondiaal vlak en met name bij de Wereldbank is de aandacht voor armoedebestrijding en wat vandaag ‘sociale bescherming’ heet, zo goed als verdwenen.

Die jongste verschuivingen vinden plaats in een klimaat van toenemende verrechtsing. De oude waarden van de Verlichting gaan op de schop: het universalisme, de gelijkheid van alle mensen, het belang van de scheiding der machten en de rechtstaat, democratie en mensenrechten … het is plots allemaal ‘woke’ geworden bij hun tegenstanders.

Het verband tussen de verrechtsing en de afbouw van sociaal beleid is duidelijk, er is dan immers geen aandacht voor emancipatie, voor gendergelijkheid, voor respect voor diversiteit. Armoede werd altijd al op verschillende manieren benaderd en in een conservatieve visie was ze altijd verbonden met moraliteit. Arme mensen waren diegenen die niet wilden werken, te veel dronken of niet voor hun kinderen zorgden.

Die rechtse en conservatieve houding wordt o.m. ingegeven door economische en maatschappelijke onzekerheid en door angst voor het onbekende, door de dreiging die uitgaat van een economisch systeem dat jobs, inkomens en bescherming bedreigt en dus ook het beetje comfort dat middenklasse mensen hebben weten te veroveren.

De veranderende visie op sociaal beleid wordt vandaag niet aangestuurd door de V.N., de Wereldbank of het IAO, instellingen die wél een rol speelden in de verspreiding van het neoliberale gedachtegoed. Men ziet deze instellingen vandaag vechten om hun beetje macht en invloed te behouden.

Is er een breuklijn met het kapitalisme? Het financieel kapitalisme en de speculatie winnen al decennialang aan belang, maar daarbinnen was nog plaats voor armoedebestrijding. Wel kon worden vastgesteld dat in een staatskapitalistisch systeem zoals dat van China, er geen democratische spelregels nodig waren om tot een bloeiende economie te komen. Dat was eerder, en nog veel sterker, al het geval in landen als Taiwan, Singapore of Zuid-Korea. Ook mensenrechten bleken overbodig. Dit is een breuk met de mythes van het westers kapitalisme. Alleen het arbeidsethos moet er onderhouden worden. Het is enkel wanneer we aan democratie en mensenrechten belang hechten, dat sociale rechtvaardigheid moet beschermd en gepromoot worden.

Nationaal gaat het in eerste instantie om elementaire en fundamentele rechten. Het gaat om de gelijkheid van alle mensen. Het gaat om de sociale cohesie die democratie mogelijk maakt, de productie van welvaart die instaat voor kwaliteit en concurrentiekracht. De redenen waarom meer dan een eeuw geleden werd begonnen met sociale bescherming hadden te maken met burgerschap, behoefte aan gezonde en stabiele arbeidskrachten voor de industrie én het leger.

Mondiaal gaat het om precies diezelfde dingen maar dan voor de mondiale concurrentiekracht. Dit is wat de IAO meer dan honderd jaar geleden vaststelde en, zoals er in 1944 werd aan toegevoegd: arbeid is geen koopwaar. Met sterke vakbonden en ook met sterke coöperaties kunnen conflicten worden vermeden. Arbeid kon, dankzij collectieve overeenkomsten en mondiale regels, enigszins aan de marktwerking worden onttrokken. Er kon dan gestreefd worden naar mondiale ontwikkeling en meer gelijkheid tussen landen.

De V.N. hebben de afgelopen decennia tal van degelijke en erg interessante documenten goedgekeurd, gaande van gezondheidszorg tot gendergelijkheid, over sociale bescherming en zorg voor het leefmilieu.

Als we de wereld die we hebben willen behouden – en liefst ook verbeteren – zijn al die elementen broodnodig.

De overtolligen

Wat de afgelopen decennia is gebeurd, is precies wat Claus Offe al beschreef. Het kapitalisme wil van geen sociale bescherming weten maar beseft tegelijkertijd dat ze die sociale bescherming nodig heeft om vlot te functioneren. Er werd daarom ingezet op de opbouw van iets minimaals in het Zuiden en afbouw van verzorgingsstaten in het Noorden, precies om te komen tot dat gemeenschappelijke en noodzakelijke minimum.

Het huidige gerobotiseerde en financiële kapitalisme wordt echter gekenmerkt door een bijzondere winsthonger die leidt tot een torenhoge ongelijkheid. Dit leidt ook tot een werkelijke polarisering waarin geen enkele vorm van vreedzame samenleving meer mogelijk is. De 1 % rijksten leven in een totaal andere wereld, letterlijk, terwijl de grote meerderheid van de lagere klassen zich moet vasthouden aan wat lokale economische initiatieven te bieden hebben.

De automatisering van de productieprocessen heeft minder en minder behoefte aan grote aantallen arbeidskrachten en het is dus ook niet langer nodig om via arbeid in ieders behoeften te voorzien. Armoedebestrijding en verzorgingsstaten mogen verdwijnen. Vanuit een Darwiniaanse visie waarin de sterksten wel zullen overleven mag ook de gezondheidszorg worden afgebouwd. Vandaar ook de verklaring voor het groeiend misprijzen voor iedereen op de onderste ladder. Voor wie nog wel plaats is in het productieproces volstaat het minimum. Pensioenen, onderwijs en gezondheidszorg worden of zijn al geprivatiseerd. Wie ze niet kan betalen heeft gewoon pech. Wie hier garen bij spint is uiterst rechts voor wie armen en migranten ideale zondebokken zijn.

Spreken over sociale rechtvaardigheid in een dergelijke context is gewoon zinloos. Er is geen enkele behoefte aan en de democratische processen die ervoor zouden kunnen zorgen worden eveneens overbodig of volstrekt minimaal.

De nieuwe wereldorde wordt er wellicht een van multipolariteit waarin de rijkste en welvarendste – de Verenigde Staten – op sociaal vlak de weg opgaat van China en Rusland, illiberaal en autoritair in het beste geval, met een verminkte democratie.

Europa met zijn gehate koloniale verleden, zijn slechts in eigen huis toegepaste mensenrechten, zijn Verlichtingswaarden en zijn verzorgingsstaten komt er nauwelijks aan te pas, niet in geopolitieke sterkte noch in concurrentiekracht, afhankelijk als het zichzelf heeft gemaakt voor defensie en energie.

Veerkracht

Is een dergelijk systeem houdbaar? Mensen kunnen onderdrukt en gemanipuleerd worden, maar de geschiedenis leert dat ze altijd veerkrachtig blijven. Het is een modieus begrip, maar het is wel toepasselijk.

Hoeveel kritiek er ook kan gegeven worden op de Europese koloniale geschiedenis met alle wreedheden van dien, op de onvolmaaktheid van de Universele Verklaring voor de Mensenrechten, op de democratische processen, op het tekort schietend sociaal beleid, op de doorschietende individualisering van het neoliberalisme, op de hypocriete ontwikkelingssamenwerking en uiteraard ook op het kapitalisme zelf, wie de wereld een beetje kent, weet ook dat West-Europa veruit de beste plek is om te leven, met vrijheid, lage armoedecijfers en weinig ongelijkheid. Er is beslist geen totaal nieuwe theorie nodig voor sociale rechtvaardigheid. Ze is perfect mogelijk. De weg is geplaveid.

Positief is verder dat, ook al hebben de West-europese landen hun mooie ideeën nooit toegepast in de rest van de wereld, die ideeën zelf wel hun weg hebben gevonden, tot in de meest afgelegen plekken van deze planeet.

De ‘nieuwe wereldorde’ zal niet overleven zonder te zorgen voor de overtolligen. Want mensen zíjn gelijk en hébben dezelfde rechten. Die zullen ze opeisen, vroeg of laat, ondanks de groeiende repressie. Rechtvaardigheid is een universele behoefte.

Vandaag zijn nagenoeg alle uiterst rechtse politieke leiders democratisch verkozen. Vandaar dat sociale rechtvaardigheid, met vooruitzicht op een herdachte en emancipatorische verzorgingsstaat broodnodig is om kiezers in een andere richting te sturen. Sociaal beleid is nodig om verkiezingen te winnen.

Wat we vandaag niet weten is welke strategie er kan en moet uitgewerkt worden om het verzet te organiseren en te laten slagen. Sociale rechtvaardigheid zal er zeker deel van moeten uitmaken. Dat is werk voor alle progressieve krachten die een aantal taboes moeten laten vallen. Organisatie en brede samenwerking zullen nodig zijn.

De nieuwe wereldorde zal noodgedwongen moeten rekening houden met de mensheid indien ze wil overleven. Ook een multipolaire wereld kan onderlinge afhankelijkheid niet uitsluiten en moet streven naar evenwicht. Zoals de preambule van de IAO-Constitutie stelt: duurzame vrede is niet mogelijk zonder sociale rechtvaardigheid.