Ga naar de inhoud

Miljardair worden dankzij Hitler

Hoe kon het toch dat Adolf Hitler op korte tijd zo machtig werd? Alleen maar door holle toespraken en paramilitaire parades? Vergeet het. Het was in hoofdzaak te danken aan de miljoenen rijksmarken die hij van Duitse kapitalisten wist af te troggelen en aan de wapens en ander militair tuig die ze de Führer en zijn troepen leverden. Dat legde die kapitalisten geen windeieren en zorgde ervoor dat ze nog rijker werden dan ze al waren.

11 min leestijd

Dat alles doet David de Jong uit de doeken in zijn uiterst gedocumenteerde boek ‘Nazimiljardairs’. Hij gaat daarbij niet alleen dieper in op het schandalige gedrag van de Duitse geldmagnaten tijdens de oorlog, maar ook op wat er met hen na de oorlog gebeurde. Dat was even schandalig als hun medewerking met het naziregime, want na een belachelijk kleine straf konden ze als eerbare burgers doorgaan met schatrijk worden. De Nederlandse journalist David de Jong is Midden-Oostencorrespondent voor het Financieele Dagblad . Voor het onderzoekswerk en het schrijven van ‘Nazimiljardairs’ woonde hij vier jaar in Berlijn.

De eerste gebeurtenis die in het boek aan bod komt is een merkwaardige bijeenkomst die op 20 februari 1933, drie weken nadat Adolf Hitler aan de macht kwam, in Berlijn plaatsvond. Zo’n twintig van de rijkste en invloedrijkste zakenlieden van nazi-Duitsland waren present, met name Günther Quandt, een textielfabrikant die ook wapen- en accuproducent was geworden; Friedrich Flick, een staalmagnaat; baron August von Finck, een Beierse grootbankier; Kurt Schmitt, algemeen directeur van de verzekeringsgigant Allianz; directeuren van het chemieconcern IG Farben en de kaliumreus Wintershall en Gustav Krupp von Bohlen und Halbach, bestuursvoorzitter van het Krupp staalimperium. Adolf Hitler zei de kapitalisten dat ze door hem te steunen ook hun bedrijven en hun rijkdom zouden steunen. Dat kwam ook uit.

De auteur gaat uitvoerig in op de praktijken van genoemde kapitalisten tijdens het naziregime. Ze verrijkten zich vooral door de wapenproductie, door de inzet van dwang- en slavenarbeid, onder meer van Russische krijgsgevangenen, en door de overname van al dan niet Joodse bedrijven in Duitsland en in door de nazi’s veroverde gebieden. De overname van Joodse bedrijven gebeurde altijd flink onder de marktwaarde en werd ‘arisering’ genoemd, de overgang van het Joodse naar het Arische ras. Alle magnaten werden tijdens het Derde Rijk lid van de nazipartij of van de SS, of van beide.

Dwangarbeiders en slaven

De textielfabrikant Günther Quandt (1881-1954) verwierf in 1922 de Berlijnse ‘Accumulatoren-Fabrik AG’ (AFA). Die werd een van de grootste accuproducenten ter wereld. In 1928  nam Quandt de ‘Deutsche Waffen- und Munitionsfabriken’ (DWM) over en werd grootaandeelhouder in Wintershall, het grootste kaliumbedrijf van Duitsland. Voor dit alles kreeg hij van  hem de nazi’s de neptitel Wehrwirtschaftsführer (militair-economisch leider). DWM leverde miljoenen kogels, geweren en Lugerpistolen aan de Wehrmacht, het Duitse leger. AFA fabriceerde duizenden accu’s voor Duitse onderzeeërs, torpedo’s en raketten. Quandts textielfabrieken produceerden miljoenen uniformen voor de Wehrmacht, de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartij (NSDAP, de nazipartij) en de SS. Inmiddels kocht Quandt een belang van 60 procent in het geneesmiddelen- en chemiebedrijf Byk Gulden, voorheen in Joodse handen. Vanzelfsprekend profiteerde Quandt ook van de herbewapening van Duitsland, hoewel die in strijd was met het Verdrag van Versailles dat die herbewapening na de Eerste Wereldoorlog verbood.

Begin 1943 bestond meer dan de helft van alle arbeidskrachten in de AFA-fabriek bij Hannover (3.400 mensen) uit dwangarbeiders. Voor de bouw van het AFA-satellietkamp in Hannover zette Quandt Duitse, Poolse en Servische gevangenen in. Die werden zwaar mishandeld. Minstens 403 mensen verloren het leven in Quandts AFA-complex. Zelfs in april 1944, toen de oorlog op zijn einde liep, produceerde DWM nog zo’n 400 miljoen kogels voor de infanterie. Voor die productie moesten  24.000 dwangarbeiders zorgen. Zo’n 75 dwangarbeiders werden bij DWM geëxecuteerd.

Slechts een meeloper

Na de oorlog stuurden de Amerikanen Quandt naar de gevangenis. Hij kwam zelfs in Dachau terecht. In oktober 1947 startte hij een leugencampagne. In een brief aan zijn advocaat beweerde hij dat hij in 1928 de wapenproductie in DWM had gestopt en die in 1943 had hervat op bevel van de nazi’s. De advocaat stuurde die leugens naar het Hof in Starnberg. De aanklager trapte erin en Quandt werd plots een overtreder, terwijl hij tot dan een grote overtreder was. In januari 1948 voegde hij er een andere leugen aan toe: hij werd alleen maar lid van de nazipartij door afpersing en hij werd zogezegd jarenlang door de naziregering vervolgd. Tien dagen later kwam Quandt op vrije voeten, in afwachting van zijn proces. Maar de aanklager Julius Herf diende een strengere aanklacht tegen Quandt in. Het Hof gaf daar geen gevolg aan. Plots werd hij maar een meeloper van de nazi’s. Zijn enige straf: de proceskosten betalen. Aanklager Herf ging tegen die uitspraak in beroep. Maar op 24 februari 1950 besloot het Berlijnse denazificatiehof Quandt te rehabiliteren en was hij een vrij man.

De pas opgericht Bondsrepubliek of West-Duitsland hielp mee aan het ontkennen van de waarheid. Quandts Deutsche Waffen- und Munitionsfabriken (DWM) kregen plots een onschuldiger naam: Industriewerke Karlsruhe. Quandts zonen Harald en Herbert zetten de activiteiten van hun vader na diens dood verder. Harald gaf twee naaste medewerkers van nazi-propagandaminister Joseph Goebbels hoge posten in de Quandtgroep. Kleinzoon Stefan Quandt probeerde eveneens het blazoen van zijn grootvader Günther wit te wassen. Hij zei dat die weliswaar had geprofiteerd van de mogelijkheden die het naziregime industriëlen bood, maar dat hij de ideologische doelen van het regime niet had nagestreefd. Stefan noemde het een ‘droevige waarheid’ dat mensen in Quandtbedrijven de dwangarbeid niet hadden overleefd, maar dat zijn grootvader ‘niet tot doel had mensen te doden’. Bovendien waren dwangarbeiders nodig om de productie draaiende te houden, aldus de kleinzoon.

Nazi-‘slachtoffer’

Staalmagnaat Friedrich Flick (1883-1972)  werd de beruchtste industrieel van nazi-Duitsland. Hij was al in het begin van de jaren 1930 een milde sponsor van de nazipartij. Flick en zijn naaste medewerker OttoSteinbrinck traden toe tot de ‘Freundeskreis Himmler’, de vriendenkring van SS-leider en architect van de Holocaust Heinrich Himmler.

In juni 1945 werd Flick onder huisarrest geplaatst door het Amerikaanse Counter Intelligence Corps (CIC), de militaire veiligheidsdienst. Ook zoon Otto-Ernst (1916-1974) werd gearresteerd en naar de gevangenis in Frankfurt gebracht, waar ook zijn vader vastzat. En ook toen begon de leugencarrousel te draaien. Flick senior beweerde dat hij een tegenstander en slachtoffer van de nazi’s was en dat hij gedwongen werd om met hen samen te werken. Zijn overnames van Joodse bedrijven zouden bedoeld zijn geweest om Joodse bedrijfseigenaars te helpen aan de nazi’s te ontkomen. Voor wapenproductie, dwang- en slavenarbeid was hij niet verantwoordelijk geweest. Ook Otto-Ernst zei dat niet hij maar de nazi-autoriteiten en zijn collega-managers verantwoordelijk waren voor de werk- en leefomstandigheden van de arbeiders. Friedrich Flick werd tot zeven jaar cel veroordeeld met aftrek van de tijd in voorarrest. In december 1985 verkocht zoon Friedrich Karl het hele Flick-bedrijf aan Deutsche Bank voor 4,6 miljard D-mark, toen een recordbedrag voor een bedrijventransactie in Duitsland.

 Homoseksuele aanklager gechanteerd

Financier baron August von Finck (1898-1980) was in de jaren 1930 de rijkste man van Beieren. Zijn vader had hem een zakenimperium nagelaten waarin Merck Finck, een van de grootste Duitse privébanken, en meerderheidsbelangen in de verzekeringsreuzen Allianz en Munich Re zaten. In 1931 beloofden Finck en Kurt Schmitt, algemeen directeur van Allianz, de SA (Sturmabteilung van de nazi’s) 5 miljoen rijksmark te storten. Nadien zamelde Finck 12 miljoen rijksmark in voor Hitlers nieuwe museum in München. Voor de industriëlen die daartoe bijdroegen was dat geen probleem vanwege de miljoenen die ze aan de herbewapening van Duitsland verdienden. Eind de jaren 1930 schakelde Finck zijn Joodse rivalen uit. Na de ‘Anschluss’ van Oostenrijk bij nazi-Duitsland ‘ariseerde’ Finck S.M. von Rothschild, de grootste privébank van Oostenrijk.

Op 8 mei 1945 plaatsten Amerikaanse soldaten baron Finck onder huisarrest. Nadien werd hij naar een interneringskamp gestuurd, waar hij al na vijf maanden vrijkwam. Zijn financiële activiteiten werden beknot. Tijdens zijn denazificatieproces in München in december 1948 besloot de nochtans strenge aanklager Julius Herf om Finck niet langer als overtreder, maar als kleine overtreder te beschouwen. Vanwaar die plotse ommekeer? Julius Herf was homoseksueel en tot 1994 was homoseksualiteit een misdrijf in Duitsland. Hij werd door een vertrouweling van Finck zwaar gechanteerd. Uiteindelijk oordeelde het denazificatiehof dat Finck slechts een meeloper van de nazi’s was geweest. Hij kwam er vanaf met een boete van 2.000 D-mark. Hoe onvoorstelbaar het ook moge klinken, Finck was daar nog niet tevreden mee. De baron wou amnestie krijgen vanwege een kniewonde opgelopen tijdens de Eerste Wereldoorlog. En ja, de amnestie werd toegekend, baron Finck was ‘gedenazificeerd’ en ging weer aan het werk. Zijn gelijknamige zoon, August von Finck jr., trad in vaders voetsporen en sponsorde extreemrechtse politici.

Volkswagen: niet voor het volk

Dat de Volkswagen een van Hitlers paradepaardjes was, weet zowat iedereen. Voor de bouw van die ‘auto voor alle mensen’ zorgden Ferdinand Porsche (1875-1951) en zijn schoonzoon Anton Piëch (1894-1952). Op 20 april 1939 schonk Ferdinand Porsche de eerste Volkswagen, een Kevercabriolet, aan Hitler. Maar de ‘volksauto’ werd niet aan het volk geleverd. Tijdens het Derde Rijk werden er slechts 630 gebouwd, die allemaal naar de nazi-elite gingen. De 340.000 Duitsers die zich hadden ingeschreven in het DAF-programma om te sparen voor de aankoop van een auto, werden voor zo’n 280 miljoen rijksmark opgelicht. Bovendien werd de Volkswagenfabriek vlug omgebouwd om  wapens, tanks en legervoertuigen te produceren. Gevangenen uit de concentratiekampen werden in de Volkswagenfabriek in onmenselijke omstandigheden tewerkgesteld.

Het werk in de Volkswagenfabriek werd begin april 1945 stopgezet. Op 29 juli 1945 arresteerde het Amerikaanse CIC Anton Piëch en Porsches zoon Ferry (1909-1998) en bracht ze naar een interneringskamp nabij Salzburg. Ferdinand Porsche werd vijf dagen later aangehouden en naar kasteel Kransberg gestuurd. Na vijf weken kwam hij al vrij en ook Piëch en Ferry Porsche werden vlug vrijgelaten. Nadien werden Ferdinand Porsche, zijn zoon Ferry en Piëch door Franse legerofficieren gearresteerd op verdenking van oorlogsmisdaden. In feite speelde autofabrikant Peugeot hierbij een rol, omdat die niet kon verdragen dat concurrent Renault eventueel zou betrokken worden bij de bouw van een Franse versie van de Volkswagen.

Ferry werd in maart 1946 vrijgelaten. Porsche en Piëch kwamen in de militaire gevangenis van Dijon terecht. Ze kwamen op 31 juli 1947 vrij en op 5 mei 1948 sprak het militair tribunaal beide heren vrij. Dat ze in hun Volkswagencomplex duizenden Franse burgers en soldaten als dwang- en slavenarbeider hadden ingezet, werd tijdens het proces niet eens vermeld. Ook de familie Porsche wist wat liegen was: Ferry beweerde in zijn tweede autobiografie dat hij nooit SS-officier had willen worden. Himmler had hem die rang ‘toegekend’ en SS-officier ‘was slechts een erefunctie’!

Oetker: nazi-pudding

En wie kent de producten van Oetker niet? Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Richard Kaselowsky (1888-1944) er algemeen directeur. Hij was gehuwd met Ida Oetker en stiefvader van haar kinderen, onder meer van Rudolf-August Oetker (1916-2007). Zoals zijn stiefvader, moeder en zus werd Rudolf-August lid van de nazipartij. Het bedrijf dr. Oetker had een officieel bakpoedermonopolie in het Duitse Rijk. Voor de bouw van fabrieken voor de gistproductie schakelde dr. Oetker gevangenen als slavenarbeider in. In 1944 werd Rudolf-August algemeen directeur van dr. Oetker. Op 18 mei 1945, tien dagen na de Duitse capitulatie, meldde Rudolf-August zich bij de Britse autoriteiten. Hij werd onmiddellijk gevangengenomen en naar een interneringskamp gestuurd. Na acht maanden werd hij vrijgelaten. Waar anderen voor een rechtbank moesten verschijnen om gedenazificeerd te worden, kwam zijn zaak voor een denazificatiecommissie die volledig uit werknemers van dr. Oetker bestond. Na enkele maanden werd hij vrijgelaten en werd opnieuw algemeen directeur van dr. Oetker.

In 2008, een jaar na het overlijden van Rudolf-August, vroegen zijn kinderen drie historici om de activiteiten van hun bedrijf, hun vader en diens stiefvader Richard Kaselowsky tijdens het Derde Rijk te onderzoeken. De historici kwamen tot volgend besluit: ‘Kaselowsky, en met hem de familie en het bedrijf Oetker, droeg verantwoordelijkheid voor het politieke systeem waarin ze hadden eleefd. Ze waren steunpilaren van de nazisamenleving, ze zochten de nabijheid van het regime en profiteerden van het nazibeleid.’

Decoratie voor nazimiljardair

In 1970 waren Friedrich Flick, August von Finck, Herbert Quandt en Rudolf-August Oetker de vier rijkste zakenlieden van West-Duitsland. Alle vier waren ze lid van de nazipartij NSDAP geweest, een van hen was vrijwillig officier bij de Waffen-SS en ze waren alle vier miljardair geworden.

In augustus 2000 richtten de Duitse staat en Duitse bedrijven de stichting ‘Erinnerung, Verantwortung und Zukunft (EVZ, Herinnering, Verantwoording en Toekomst) op. Dat gebeurde na een overeenkomst tussen de Duitse en Amerikaanse regering. Er zouden compensaties uitgekeerd worden aan overlevenden van dwang- en slavenarbeid,  op voorwaarde dat er in Amerikaanse rechtbanken geen processen meer zouden worden gevoerd tegen Duitse bedrijven. Van een erkenning van schuld was dus geen sprake. Op de koop toe weigerde Friedrich Flick, net als zijn vader, overlevende dwang- en slavenarbeiders te compenseren. Hij droeg ook nooit een cent bij tot de EVZ. Hij richtte in 1963 een eigen stichting op in de hoop voor zijn tachtigste verjaardag een van de hoogste onderscheidingen van Duitsland te krijgen: de Orde van Verdienste. En dat lukte.

De auteur besluit: ‘Vele Duitse ondernemingsdynastieën willen nog steeds geen verantwoording afleggen voor de donkere geschiedenis die hun vermogen bezoedelt, zodat de geesten van het Derde Rijk hen blijven achternajagen.’

David de Jong, Nazimiljardairs, De donkere geschiedenis van de rijkste families van Duitsland

Oorspronkelijke titel: ‘Nazi Billionairs’, Vertaling: Fred Hendriks, Meulenhoff 400 blz. – 30,00 euro