Ga naar de inhoud

‘Medische maffia’: Sector Farmaceutische Industrie

Enige tijd terug zette ik een aantal zaken wat de zorgindustrie aangaat op een rijtje. Daar kwam de ‘medische maffia’ om de hoek kijken. Is de situatie sindsdien veranderd? Wel neen. Na jarenlange discussie over een beladen dossier, zo leest men in de Volkskrant van 27 juni 2014, mogen ziekenhuizen winst gaan uitkeren. Hè, winst maken over de rug van zieken? Ja, ziekenhuizen moeten toch ook overleven? En wat valt te voorspellen? Patiënten aan wie weinig te verdienen valt, zullen de dupe zijn. Het gaat in de zorgindustrie niet om zorg leveren (zorgmodel) maar om geld ‘maken’ (verdienmodel). Dit wordt mede inzichtelijk als men de blik richt op de medicijnenproductie.

19 min leestijd

(Oorspronkelijk verschenen op Libertaire orde)

Zijn er inmiddels nieuwe medicijnen op de markt gekomen? Ja. Werken ze ook? In veel gevallen niet, niet anders noch beter dan de vorige versie(s). Dat leert onderzoek gepubliceerd in het Franse maandblad Prescrire (ik citeer het Franse weekblad  Marianne van 7-13 februari 2014). Sommige medicijnen die de farmaceutische industrie vervaardigt zijn zelfs dodelijk, zoals een middel dat jaren op de markt werd gehouden door het Franse medicijnenlaboratorium ‘Servier’ van de onlangs overleden eigenaar Jacques Servier (1922-2014). Het betrof het medicijn Mediator (enkele jaren geleden kopte het dagblad Trouw van 9 februari 2011 daarover ‘Mediator: sterfte op recept’).

De Franse longarts Irène Frachon strijdt al vele jaren voor de erkenning van de slachtoffers van dat middel. Eindelijk is daarin een doorbraak, zo meldt Marianne van 4-10 juli 2014. Frachon erover: voor mij komt dit overeen met het onderkennen van witte jassen criminaliteit. Gelet op wat er allemaal in deze sector geschiedt, is het niet verwonderlijk, zo vul ik aan, dat er over ‘medische maffia’ kan worden gesproken. Daarom eerst een inleidende beschouwing over het gebruik van deze term, waarna de farmaceutische industrie onder de loep wordt genomen.

MafiaMed “Ik geef de voorkeur aan bestellen bij de maffia.”

Maffioos gedrag

Voor het kenmerken van een aantal samenhangende handelingen met de term ‘medisch maffia’, is het goed om te beseffen dat het hier niet betreft een strafrechtelijke categorie, die men in het wetboek van Strafrecht kan terugvinden. Bepaalde handelingen, zo zullen we zien, worden overigens wel tot het commune strafrecht gerekend. Voor de beschrijving van ‘maffioos’ ga ik uit van een ruim cultureel en criminologisch begrip zoals dat bij de Franse antropologe Deborah Puccio-Den te vinden is in haar artikel ‘Juger La Maffia, Catégorisation juridique et économies morales en Italie (1980-2010)’ (De maffia strafrechtelijk treffen, Juridisch categoriseren en morele economie in Italië).

Bestaat de maffia wel? Strafrechtelijk gezien is dat moeilijk te onderkennen. Als in 1980 tijdens een Italiaans strafrechtelijk onderzoek aan een lid van de maffia gevraagd wordt naar het bestaan ervan, antwoordt hij: ‘De maffia? Wat is dat maffia? Een merk kaas?’. Deze scherts maakt niet dat er ontkend kan worden, dat er in de samenleving van voor 1900 op Sicilië al een vorm van georganiseerde en gestructureerde vorm van geweld, bedrog en intimidatie bestaat. De term ‘maffia’ verschijnt dan ook voor het eerst in1861 in Italië. Het is het moment dat openlijk het onvermogen van de Italiaanse staat wordt geconstateerd om haar geweldsmonopolie te handhaven in de verschillende Italiaanse regio’s.

Een aantal Italiaanse grootgrondbezitters verzet zich namelijk, met het inschakelen van ‘gewelddadige bemiddelaars’, tegen de herverdeling van land onder agrarische bevolking. We zijn nu natuurlijk al ver weg van die tijd, maar behartiging van belangen door middel van frauduleuze verstrengelingen, onder gebruikmaking van compromitterende drukmiddelen (omkopen, intimidatie), mede met het doel om belastende zaken, die de dood van mensen ten gevolge (kunnen) hebben te verbergen of te verzwijgen, dát komen we tot op de dag van vandaag tegen. En net als toen is ook nu het probleem: bewijs het maar! Van die moeilijkheid geeft Deborah Puccio-Den een historisch schets om juridisch de vinger op ‘maffioos gedrag’ te leggen.

Zij laat zien hoe langzaamaan de internationale dimensie van de maffiose criminaliteit wordt bloot gelegd, zodat het niet alleen een culturele abstractie is maar ook een criminologische werkelijkheid, dit laatste dan in de vorm een vereniging van misdadigers zonder permanente relatie. Niet langer wordt voor het onderkennen van het bestaan van de maffia gevraagd naar ‘Wat is de maffia?’ maar naar ‘Wat doet zij?’. En dat is dan ook de vraag die met betrekking tot de farmaceutische industrie is te stellen.

In een aantal gevallen komen bij het beantwoorden van die vraag allerlei structuren en belangenverstrengelingen bloot te liggen, die financiële verrijking tot doel hebben en waarbij de dood van mensen bij wijze van spreke ‘op de koop toe’ wordt genomen: jammer voor de lui die dood gaan, als ik er maar rijker van wordt. De elementen, waaruit gedrag met die effecten is opgebouwd, kunnen als ‘structurele equivalenten’ worden herkend in wat maffioos gedrag is te noemen. Daarover wat meer duidelijk in het volgende.

Pillendraaier

Strafrechtelijk onderzoek

In een paginagroot artikel in Le Monde van 2 mei 2014 schrijven Irène Frachon, longarts, en Pierre Le Coz, docent medische ethiek in de medische faculteit (universiteit Marseille) over het Mediator schandaal. Het artikel is getiteld ‘De strijd tegen belangenconflicten’. In de opening van het artikel verwijzen de auteurs naar het boek van Jacques Servier uit 2007, uitgekomen onder de nu als wreed te herkennen titel Het medicijn en het leven. Daarin schrijft Servier: ‘Dat ik reeds lange tijd in Parijs woon, heeft als reden dat men in ons land voortdurend in de hoofdstad moet intrigeren, herhaaldelijk stappen moet ondernemen en altijd moet vechten’. De auteurs interesseren zich met name voor het door Servier gebruikte werkwoord ‘intrigeren’ [intriguer]. Welke betekenis heeft deze in onbruik geraakte term hier, zo vragen zij zich retorische af [bedenk dat voor de Nederlandse vertaling van dat werkwoord ook in onbruik geraakte Nederlandse equivalenten bestaan, zoals: kuipen, konkelen].

Het in 2011 gestarte strafrechtelijk onderzoek in het kader van het Mediator schandaal tegen Servier en anderen in deze kwestie, staat toe daar duidelijk in te zijn (door de tenlastelegging te volgen). ‘Intrigeren’ betekent hier: ‘corruptie’, ‘illegaal belangneming en heling’, ‘deelname van een publiek-bestuurlijk agentschap in een ervoor gecontroleerde onderneming’, ‘omkoping van iemand in overheidsdienst’. Dat zijn de strafrechtelijke grieven tegen het ‘huis Servier’.

De frauduleuze constructie aangaande belangenverstrengeling verbindt Servier en het kader van zijn laboratorium met medisch ziekenhuispersoneel, experts van de ‘Agence française du médicament’ (heden het agentschap ANSM) en politieke persoonlijkheden (vanwege het overlijden van Servier valt deze weg uit het lopende strafproces). Allen zijn ondervraagd over veronderstelde banden met Servier. In de loop van 2015 zal het strafproces worden voortgezet.

Inmiddels heeft de Franse bestuursrechter in Parijs wel de Franse staat aansprakelijk gesteld (beslissing 9 juli 2014) voor de fouten die door het agentschap zijn gemaakt (door niet al vanaf 1999 Mediator uit de markt te laten halen, vanwege het feit dat de gevaren van de stof die in Mediator werd gebruikt, voldoende waren gekarakteriseerd (Le Monde van 11 juli 2014). Onlangs is ook in Italië de molecule benfluorex, die in Mediator voorkwam en tragische bijkomstige effecten veroorzaakte, onder de verboden dopingstoffen gebracht (het werd gebruikt in voedingssupplementen door sporters; Marianne van 12-18 september 2014).

Het schandaal Mediator heeft tot nieuwe (Franse) wetgeving geleid, waarbij beoogd is het afglijden naar belangenconflicten te voorkomen. Maar, zo maken Frachon en Le Coz duidelijk, er wordt alleen over een beperkte transparantie gesproken tussen artsen en farmaceutische laboratoria. Het gaat dan over verschaffen van inzicht in de kosten van het verstrekken van een enkele ‘maaltijd’ en andere cadeaus gegeven ‘zonder tegenprestatie’. In de schaduw blijven de sappige contracten die de farmaceutische industrie verbindt met artsenclubs, die de promotie van nieuwe medicijnen verzorgen. Met deze halfzachte wetgeving is het vertrouwen van het publiek niet te herstellen. Er zal meer moeten gebeuren, is de mening van de beide auteurs. Wantrouwen blijft gerechtvaardigd.

Hitparade nieuwe medicijnen

In 2013 blijken 90 nieuwe bijzondere producten de farmaceutische laboratoria te hebben verlaten. De helft ervan heet nieuw, maar er is niets nieuws aan te ontdekken. Daaronder bevinden zich ook producten die als meer nieuw dan werkzaam worden beoordeeld. Dat heeft dus alles met de boel belazeren te maken. Want wat speelt er? Het ontdekken van het ontbreken van enige therapeutische waarde aan het medicijn duurt jaren. Maar gedurende die tijd worden ze wel voor grof geld op de markt gebracht ten koste van de ziektekostenverzekeringen. Gek dat de kosten voor de gezondheidszorg de pan uitrijzen.

Het staatje uit het tijdschrift Prescrire verschaft nadere informatie onder de kop ‘Medicijnen: een teleurstellende opbrengst; de hitparade van nieuw geautoriseerde medicijnen in 2013’:

StaatjeUitleg beoordeling: 0 geen enkel artikel krijgt een ‘goed’; 0 geen enkel artikel is ‘interessant’; 6 ‘doet iets’; 12 ‘wellicht nuttig’; 48 ‘brengt niets nieuws’; 15 ‘eerder nieuw dan werkzaam’; – ‘valt niets over te zeggen’. Een mooie palmares, vindt u niet?

‘Echt’ vals

De medicijnen waarover het hierboven ging, moeten worden onderscheiden van medicamenten die als bedrieglijke namaak in omloop zijn. Een artikel in Marianne van 19-25 september 2014, onder de titel ‘Valse medicijnen zijn gearriveerd! Aandacht…’, leert ondermeer het volgende. Over de hele wereld genomen is één op de tien medicijnen die worden verkocht waarschijnlijk namaak. Van die hoeveelheid namaak wordt één op de twee via Internet aangeschaft. Het kan gaan om preparaten zonder enige werking maar ook om de meest schadelijke producten. In 2009 stierven 84 Nigeriaanse kinderen van een siroop waarin een stof werd gebruikt, die ook in remolie voorkomt. Om een namaakpil (Viagra) dezelfde kleur te geven als het origineel wordt niet geschroomd om printerinkt te gebruiken…

De winsten te behalen zijn groter dan die in de drugshandel: elke 1000 dollar in het vervalsen van medicijnen geïnvesteerd, levert, als de handel goed loopt, tussen 200 000 tot 450 000 dollar op. Dit maakt dat er een grijs gebied ontstaat want naast de ‘echte’ maffia verschijnen ook louche professionelen. De laatsten hebben een makkelijke toegang tot het medisch circuit, welk circuit (ziekenhuizen bijvoorbeeld) in de hoek wordt gedrongen om door kostenbesparing winstgevend te opereren. Langs die weg komen namaak medicijnen als een ‘voordelige inkoop’ (soms) in het legale circuit. Onzin?

In Engeland is enkele jaren geleden zo’n professioneel, een farmaceutische distributeur door de strafrechtelijke mand gevallen. Deze wist in zes maanden tijd (december 2006-mei 2007) 72 000 pakketten vervalste medicijnen te importeren (in China gefabriceerd en in Frankrijk verpakt). Het betrof middelen tegen prostaatkanker, schizofrenie en hartproblemen. Ze bevatten slechts 50 tot 80% van de werkzame stoffen. Tegen de 25 000 pakketten zouden verkocht zijn aan Engelse apothekers en ziekenhuizen. De betreffende distributeur is uiteindelijk strafrechtelijk veroordeeld. Marianne ontleende de gegevens aan een rapport over namaakmedicijnen uit 2013, gepubliceerd door het ‘Institute of Research Against Counterfeit Medicines’ [zie Aantekening 4].

FrachonIrène Frachon is strijdbaar gebleven. Het schandaal legt voor haar de wissen jassen criminaliteit bloot.

Witte jassen criminaliteit

In een andere affaire dan Mediator is de farmaceutische industrie Servier op 9 juli 2014 door de Europese commissie (EC) veroordeeld tot een recordbedrag van 331 miljoen euro voor het in gijzeling nemen van farmaceutische concurrenten. Wat is het geval? Volgens de onderzoekers van de EC heeft het ‘huis Servier’ zich beziggehouden met het belemmeren van de commercialisering van enkele van haar medicijnen die tot het publiek domein waren gaan behoren (wegvallen van patenten). Die belemmering bestond erin concurrenten af te houden van het vervaardigen van generieke – dus goedkopere – medicijnen met dezelfde werking als de duurdere, specifieke medicijnen (in dit geval door Servier vervaardigd).

Het belemmeren kan op verschillende wijzen gestalte krijgen. Men kan zijn concurrenten technologisch dwarszitten. Een andere methode is het kopen van ongeïnteresseerdheid. Vanaf 2003 heeft het ‘huis Servier’ deze dubbele strategie gevolgd. Eerst heeft het de productie technisch gedwarsboomd. Toen de concurrenten daartegen bij de rechter gingen protesteren, heeft Servier niet geaarzeld hen geld te bieden om van productie af te zien (het kopen van ongeïnteresseerdheid). Voor een aanzienlijk bedrag werd het, voor een looptijd van enkele jaren, onthouden van productie gekocht, zodat Servier nog steeds als monopolist zijn specifieke medicijn duur op de markt kon brengen.

De concurrenten voor het produceren van het generieke medicijn waren de Israëlische groep Teva en de Amerikaanse Mylan. De tijdwinst voor Servier was vier jaar en de opbrengt voor Servier meer dan een miljard euro, zo leert het artikel in Le Monde van 11 juli 2014, dat ik voor deze problematiek als bron gebruik.

Beide partijen blij – en daar gaat het in de neoliberale economie toch om? Alles dat geld kan opleveren is toch handelswaar? Zo ook ‘concurrentie’ blijkt hier. Terwijl concurrentie prijsverlagend zou werken, wordt ons steeds voorgehouden. Vergissing! Het verdienmodel werkt gewoon kostenverhogend (minister Schippers van Volksgezondheid weet dat ook, dus prijst zij het systeem aan). Beide zakelijke partijen in hun nopjes: de concurrenten behaalden voordeel met ‘niets doen’ (afzien van produceren van een generiek middel); Servier werd rijker omdat hij zijn dure specifieke middel in de markt kon houden. Van de opbrengsten daarvan hield hij na aftrek van de afkoopsommen nog genoeg over. Met zijn ‘vriendenakkoorden’ ontsnapte Servier aan de ‘radar van het openbaar gezag’.

Maatschappelijk effect? De kosten van de gezondheidszorg bleven even hoog, hoewel ze in dit geval hadden kunnen dalen (verschil in prijs van generiek en specifiek medicijn). We spreken hier over vele honderden miljoenen euro, zo niet miljarden – want Servier is niet de enige farmaceutische industrie die zo handelt. Het gaat om een gebruikelijke methode, zo leert het aangehaalde artikel in Le Monde. Andere, met name genoemde, farmaceutische industrieën die ‘gijzeling’ toepasten (en daarvoor in 2013 zijn veroordeeld) zijn het Deense Lubeck, het Amerikaanse Johnson & Johnson, het Zwitsers Novartis, de Franse groep Sanofi, de Amerikaanse gigant Merck. Het ‘huis Servier’ is dus niet alleenstaand.

Besparing zijn realiseerbaar, als…

Het bovenstaande doet de vraag herleven of toch niet in deze sector op de kosten van de gezondheidszorg is te besparen. Ja, zegt de Franse apotheker Serge Rader in zijn artikel getiteld ‘Gezondheid: 10 miljard besparen? Ze liggen voor het oprapen!’ (in Marianne van 30 mei-5 juni 2014). Zeker, hij schrijft over de Franse situatie en die verschilt in omvang met die van Nederland. Maar het systeem dat hij bestrijdt verschilt niet.

Hij heeft het dan niet alleen over de bovenmatige winsten die de farmaceutische industrie maakt. Hij heeft het ook over al die zaken die in medicijnen worden gestopt (16 500 soorten), waarin een overmaat aan dure moleculen worden verwerkt die van geen enkele therapeutische waarde zijn (maar de prijs van het medicijn wel verhogen). De enige drijfveer om dit te doen is: geld maken.

Vervolgens bevestigt Rader waarover het hierboven gegeven staatje informeerde. Sinds de jaren 1990 hebben de farmaceutische industrieën de markt overspoeld met bedrieglijke nieuwigheden tegen vaak onbetaalbare prijzen. Deze waanzinnige opdrijving van prijzen, spekt alleen de farmaceutische industrie. Regelmatig is het zo dat de patiënt meer baat heeft bij zijn oude vertrouwde, goed werkende medicijn van 4 euro per doosje, smaalt Rader (hij heeft het hier over de nieuwe, veel duurdere gliptines – antidiabetisch – ingeruild voor de vertrouwde metformine).

Een aanbeveling van Rader: ontkoppel de lijn artsen / farmaceutische industrie (we kwamen het hierboven ook al tegen). Er gaat gewoon een schadelijke werking van die industrie uit op de medische stand, is zijn observatie, door de druk die deze industrie uitoefent. Dat is vooral het geval als het om het voorschrijven van kostbare pseudonieuwigheden gaat. Op de aangegeven punten ingrijpen, levert 10 miljard euro verlaging van de (Franse) gezondheidszorg op.

Placebo

Ontwikkelingskosten

Dat er ontwikkelingskosten worden gemaakt door de farmaceutische industrie is duidelijk. Dat die in de prijs van het medicijn verwerkt worden is te begrijpen. Daar zit voor Anne Gervais Hasenknopf niet het probleem. Zij schreef haar artikel getiteld ‘De gezondheid is duur…Maar wie wordt daar wijzer van?’ vanwege de misstanden en absurditeiten die rond die problematiek bestaan. Waar heeft zij het ondermeer over?

Bijvoorbeeld over een antihepatitis C middel (Sofosbuvir). De productiekosten van een dosis voor de behandeling ermee van 12 weken, zijn ongeveer 250 euro. Maar de gevraagde vergoeding ervoor is ongeveer 50 000 euro. Om het prijsverschil te rechtvaardigen komt de farmaceutische industrie aanzetten met het argument dat de ontwikkelingskosten er natuurlijk ook uit moeten komen. Niemand ontkent dat. Maar wel wordt de absurde hoogte ervan bestreden. Die industrie becijfert bijvoorbeeld zelf de ontwikkelingskosten voor een nieuw molecuul op ongeveer 800 miljoen euro. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met allerlei fiscale voordelen en bijdragen in de kosten vanuit de publieke sector, aldus Hasenkopf. Rekent men terug dan komt men op 128 à 206 miljoen dollar als men over Amerikaanse bedrijven spreekt (een getal uit 2009). Meer informatie vindt men in haar artikel [zie Aantekening 1].

Kabouter

Kunstmatige persoon met beperkte aansprakelijkheid

Het hunkeren naar macht, middelen en prestige zijn menselijke eigenschappen. Ze vallen niet te ontkennen, wel te vormen, richten, dempen, stimuleren. De neoliberale bacil stimuleert die strevingen tot in het kwadraat, reden waarom in allerlei sectoren, zoals de farmaceutische industrie, hoge scores van fraude en exorbitante verdiensten voorkomen met maffia-achtige praktijken als drukmiddel. Het past allemaal in het bijna religieus aanbeden verdienmodel. Hoe kon het zover komen? Hierover een volgende overweging.

In de moderne economische cultuur wordt gewerkt met een van personen gescheiden onderneming (corporate) met beperkte aansprakelijkheid. Het ‘persoonsgescheiden’ element verwijst naar wat een ‘juridische fictie’ wordt genoemd. De fictie is dat de onderneming wel kan handelen, maar geen persoon van vlees en bloed is. De onderneming moet handelen met behulp van vertegenwoordigers, de managers. De onderneming is geen ‘echte’, geen natuurlijke persoon, maar een onnatuurlijke, een kunstmatige persoon. En die permitteert zich van alles door middel van zijn vertegenwoordigers.

Voor de Vlaamse rechtsfilosoof en libertariër, Frank van Dun, docent aan de Universiteit Gent, betekent dit dat de strijd om persoonlijke vrijheid zich niet alleen moet richten tegen politieke organisaties zoals staten, maar ook tegen machtige, economische private ondernemingen. Hij legt dit uit in zijn vijfentwintig pagina’s tellende artikel, getiteld ‘Personal Freedom versus Corporate Liberties’.

Aan het slot van zijn artikel merkt hij op, dat op grond van allerlei clichés over de private sector, velen deze corporaties te weinig kritisch omarmen. Zelf heeft hij het libertarisme, zo zegt hij, dan ook nooit gezien als een verdediging van de private sector. Het gaat om de verdediging van de vrijheid van mensen, niet om de juridische posities die onze bestuurders en de door hen benoemde beoordelaars zo minzaam apart zetten onder het kopje private activiteit. Om deze concluderende opmerking te kunnen rechtvaardigen, heeft hij eerst de grote onderneming van binnenuit aan een onderzoek onderworpen.

De zienswijze die bij hem daaraan is te ontlenen, acht ik van belang om in dit geval de farmaceutische industrie te bekijken, zoals ik die hierboven belichtte als onderdeel van de ‘medische maffia’. Is er een nuttig onderscheid te maken, zodat bijvoorbeeld duidelijk wordt, dat niet alleen het verdienmodel, maar ook het zorgmodel drijfveer van handelen kan zijn in die industrie? Als men daarop positief antwoordt, dan is een van dingen die moet gebeuren, het volgende.

De aandacht moet niet meer geconcentreerd zijn op de vrije markt zonder meer, maar op het feit dat een ‘vrije markt’ niet bestaat voor zover die niet het werk is van natuurlijke mensen met hun rechten en hun corresponderende verantwoordelijkheden. In dat geval stelt Van Dun de retorische vraag: Zal een rechtssysteem, dat werkt vanuit beginselen van persoonlijke vrijheid voor allen en vanuit bescherming van eigendom en contracts- en verenigingsvrijheid, het associaties toestaan de vragen over verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te bedekken met de sluier van de onderneming waarvan de verantwoordelijkheid in de kunstmatige persoon is ondergebracht? Neen, dus. Dit antwoord is cruciaal.

Zouden grote ondernemingen zich zo prominent hebben kunnen ontwikkelen en manifesteren, zoals ze dat nu in onze wereld doen, indien zij zich niet hadden kunnen profileren in de vorm van een afgescheiden kunstmatige persoon? Van Dun denkt van niet. Zonder die mogelijkheid hadden nooit zoveel individuen de centrale plaatsten in de economie van de ondernemingen en industrieën kunnen innemen, als er geen mogelijkheid was geweest om zich achter verschillende ‘corporate’ sluiers te verbergen, aldus Van Dun.

Corporate

Belangenverstrengeling

Niet de vrije markt noch de grote onderneming is het probleem, maar het je kunnen verschuilen achter de ‘beperkte aansprakelijkheid’. Zodra de kunstmatige persoon zijn intrede in de vrije markt doet, is het geen vrije markt meer. Dan is het alleen nog ideologie. Daaraan verbind ik de gevolgtrekking dat binnen die ideologie het zorgmodel kennelijk is herdoopt in een verdienmodel. Hetgeen over de farmaceutische laboratoria aan het licht is gekomen, levert een overtuigend voorbeeld ervan. Niet langer is zorg het motief om moleculen te ontdekken, die tegen ziektes kunnen worden ingezet, maar het antwoord op de vraag: ‘Valt er wat aan te verdienen?’. En daarmee doen tegelijk maffia-achtige praktijken in die sector hun intrede, zo zagen we (en in welke sector niet, want zo kennen we ook de ‘beton maffia’).

Velen gaan zich vervolgens achter de corporate sluier verstoppen. Overal in dit veld gaat belangenverstrengeling optreden – een nieuw geval diende zich aan over de werking van een ‘lustpil’ – [zie Aantekening 5]. Het doet zich voor waar onafhankelijkheid, autonomie en neutraliteit standaard hoort te zijn en ook daar waar een christelijke (!) minister de besteding van 100 miljoen euro buiten medeweten van het parlement er doordrukt.

Al die ondernemingen en instellingen zijn niet langer organisaties van mensen voor mensen. Op een dramatische wijze werd dit met een zelfmoord door een senior medewerker van de Nederlandse Zorgautoriteit duidelijk (NZa) duidelijk. Deze gebeurtenis leidde, na onderzoek, tot de conclusie dat het hele systeem disfunctioneerde. En het heeft ontegenzeggelijk een criminogene werking. Men gaat het nu veranderen, wordt gezegd. Maar er is zelfs geen glazen bol voor nodig om te voorspellen dat die verandering niet zal betreffen een paradigmawisseling van verdienmodel naar zorgmodel. Alles blijft dus bij het oude!

Thom Holterman

Aantekeningen

[ 1 ] Voor de kostenontwikkeling als beschreven door Anne Gervais Hasenknopf, klik HIER. Zie op deze site ook het item: Zorgindustrie en het grote graaien. ‘Dit is een overval’; klik HIER.

De problematiek van de institutionele belangenverstrengeling Nederlandse Zorgautoriteit / Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kan men nalezen op NRC.nl; klik HIER en HIER, en van persoonlijke belangenverstrengeling bij NZa, klik HIER.

[ 2 ] Het genoemde artikel van Frank van Dun is op Internet te lezen; klik HIER.

[ 3 ] Het geciteerde artikel van Deborah Puccio-Den, ‘Juger La Maffia, Catégorisation juridisque et économiies morales en Italie (1980-2010)’, in: Diogène nº 239-240, juli 2012, is in ‘pdf’ bestand voor geïnteresseerden op te vragen bij de redactie van Libertaire orde (voor het mailadres, zie op deze site ‘Over Libertaire orde’).

[ 4 ] Het IRACM, Institute of Research Against Counterfeit Medicines is opgericht in 2010; voor meer informatie over het instituut zie de site ervan, klik HIER. Meer informatie betreffende het rapport over namaakmedicijnen dat Marianne citeerde, is bij het IRACM te vinden, klik HIER.

[ 5 ] Het nieuwe geval van belangenverstrengeling betreft de promotie over de werking van een ‘lustpil’. De beoogd (want de promotie is uitgesteld) promoverende neurofarmacoloog is wetenschappelijk directeur bij het Nederlandse bedrijf, dat de pil op de markt brengt. In de promotiecommissie (beoordelingscommissie en copromotoren) zitten mensen die deel uitmaken van de wetenschappelijke adviesraad van het bedrijf en anderen die ‘banden hebben’ met het bedrijf; hierover NRC.nl, klik HIER.