Frankrijk: demonisering van France Insoumise en extreemlinks na de dood van neofascist
Na een botsing in Lyon tussen een groep antifa en een groep fascisten waarbij een van de laatsten om het leven kwam, heeft Frankrijk sinds 12 februari 2026 een smerige wending gemaakt in een campagne van demonisering en criminalisering van La France Insoumise (LFI). De linkse partij onder leiding van Jean-Luc Mélenchon wordt rechtstreeks beschuldigd van politieke verantwoordelijkheid voor de dood van die persoon.
(Foto van website Contre Attaque)
De campagne is zeer gestructureerd en wordt op verschillende niveaus gevoerd door het extreemrechtse Rassemblement national (RN), de mainstream rechtse partijen en het ‘centrale blok’ van president Macron en gesteund door reactionaire en conservatieve media, die in handen zijn van grote kapitalistische groepen of miljardairs zoals Bolloré, Arnaud, Saade, Křetínský, Mohn, Bouygues, Dassault, Pinault, Niel en Drahi.
Deze nieuwe campagne van delegitimering en demonisering van LFI is van groot belang. De presidents- en parlementsverkiezingen van 2027 naderen immers en daarmee het einde van een verkiezingscyclus die in 2017 begon met de verkiezing van Macron en zijn regeringen, opgebouwd rond zijn chaotische politieke allianties in de Nationale Assemblee. De Republikeinen (LR) slaan daarom steeds meer bruggen naar het RN, de vermoedelijke favoriet bij de komende verkiezingen. Het ‘centrale blok’ van Macron, dat al in vergevorderde staat van ontbinding verkeert, zal 2027 niet overleven: geen enkele presidentskandidaat uit dat kamp, zoals Gabriel Attal en Edouard Philippe, zal aanspraak maken op zijn opvolging of zijn staat van dienst.
Het enige gemeenschappelijke punt tussen het RN, de LR en de Macronisten is dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat een politieke unie van links rond een anti-bezuinigingsprogramma een sterke positie krijgt, zoals in 2022 en 2024 met LFI en het Nouveau front populaire (NFP). De heersende klassen zijn bereid coalities te overwegen met extreemrechts in een leidende of geallieerde rol, maar vrezen een volksalliantie die indruist tegen het ultraneoliberale beleid dat extreemrechts in Frankrijk en de rest van Europasteunt.
De dood van de fascistische activist was dan ook het startpunt van een haatcampagne tegen LFI en de Jeune Garde. De activisten van deze nationale antifascistische organisatie worden beschuldigd van het organiseren van de reactie op de extreemrechtse actiegroep die dag in Lyon. Raphaël Arnault, in 2024 verkozen tot LFI-parlementslid, is een van de oprichters van de Jeune Garde en zijn parlementaire ondersteuner behoort tot de verdachten in deze zaak.
De Jeune Garde werd in 2018 in Lyon opgericht. Zij heeft zich sindsdien in verschillende Franse steden ontwikkeld als reactie op de toename van anti-immigranten- en LHBT-aanvallen door extreemrechtse groeperingen, met name in Lyon, en aanvallen op de arbeiders- en verenigingsbeweging, gebouwen, bijeenkomsten en demonstraties. De website Rue89 heeft sinds 2010 102 aanvallen, mishandelingen en haatdragende daden in Lyon geregistreerd.
De Jeune Garde in Lyon werkt samen met onder meer de linkse partijen EELV, LFI, NPA en PCF, de vakbonden CGT, Solidaires en FSU en de sociale beweging. Zij is erin geslaagd de toename van extreemrechtse aanvallen te bestrijden en de sluiting van gebouwen en de ontbinding van verschillende fascistische groeperingen te bewerkstelligen. Sindsdien speelt de Jeune Garde een heel dynamische rol in de organisatie van antifascistische beschermingsacties. In oktober 2021 demonstreerde ze bijvoorbeeld in Lyon tegen extreemrechts geweld, samen met Planned familial, Alternatiba, de CGT, Solidaires, UNEF, EELV, LFI, de NPA en de PCF.
Op verzoek van het RN en de neofascisten van Nemesis, een groep waarvan hij beweerde de acties te steunen (‘bravo voor jullie strijd, jullie weten dat ik er heel dicht bij sta’, zei hij), liet LR-voorzitter Bruno Retailleau als minister van Binnenlandse Zaken de regering in juni 2025 een decreet tot ontbinding van de Jeune Garde (en van de vereniging Urgence Palestine) aannemen. De Jeune Garde stelde tegen die ontbinding beroep in bij de Raad van State en er kwam een aanzienlijke reactie van met name de vakbondsorganisaties van de CGT en Solidaires, de sociale beweging, de EELV, de PCF en de NPA. De Ligue des droits de l’homme en de GISTI (Informatie- en Steungroep voor Immigranten) kwamen ter ondersteuning in actie bij de Raad van State.
De Jeune Garde, die wordt voorgesteld als ‘de pretoriaanse garde van Jean Luc Mélenchon’ of ‘de gewapende vleugel van LFI’, is dus gewoon een antifascistische organisatie die samenwerkt met de hele arbeidersbeweging en bijdraagt aan de opbouw van de zelfverdediging van organisaties en activisten. Nu wordt die organisatie gecriminaliseerd en bijna tot een terroristische organisatie gemaakt, op instigatie van Nemesis en extreemrechts, en met brede steun van de regering en veel media. Het doel is om de organisatie te gebruiken als hefboom om LFI te isoleren, dat is gesommeerd zijn banden met de Jeune Garde te verbreken, en om Raphaël Arnaud ertoe te bewegen zijn mandaat op te geven.
Media-narratief
Gedurende meerdere dagen werd in de mainstream media het narratief van extreemrechts overgenomen en herhaaldelijk uitgezonden: een vreedzame jongeman, ‘de jonge Quentin’, een traditionalistische katholiek zonder verleden, was het slachtoffer geworden van een hinderlaag, een lynchpartij op de grond door een groep van ongeveer vijftien losgeslagen antifascisten, en stierf twee dagen later in het ziekenhuis met meerdere hoofdwonden.
De achtergrond van die activist en het verloop van de gebeurtenissen, zoals gereconstrueerd aan de hand van verschillende video’s en onderzoeken die zijn uitgezonden door Le Canard Enchaîné, Le Monde, Médiapart en Libération, schetsen een heel ander beeld dan het verhaal van extreemrechts. Mediapart heeft het profiel en de politieke carrière van Quentin Deranque, lid van onder meer Action française, de Audace-groep, erfgenaam van Bastion Social, en de fascistische groep ‘Allobroges Bourgoin’, waarmee hij deelnam aan de neonazistische parade van 9 mei 2025, in kaart gebracht. [1]
Op 12 februari stond hij voor het gebouw van de universiteitscampus Sciences Po Lyon, waar een bijeenkomst plaatsvond met Rima Hassan, Europarlementariër voor France Insoumise en Palestijns activiste. Zoals al meerdere keren het geval was geweest, hadden rechts en extreemrechts geprobeerd om een verbod op haar bijeenkomst te krijgen. Toen dat mislukte, besloot een groep activisten van Nemesis, een racistisch en identitair extreemrechts collectief, een picketline te organiseren voor Sciences Po met een spandoek (‘Islamo-linksen weg uit onze universiteiten’).
De Nemesis-groep (genoemd naar de Griekse godin van de goddelijke wraak!) is meerdere keren vervolgd wegens het aanzetten tot rassenhaat. Ze is gespecialiseerd in provocaties die breed worden uitgemeten op sociale netwerken en in ‘vriendelijke’ media (zoals CNews of Europe 1), en heeft meerdere keren geprobeerd feministische demonstraties op 8 maart te provoceren, maar ook demonstraties uit solidariteit met migranten of zelfs tegen een bijeenkomst van Valérie Pécresse, LR-kandidaat bij de presidentsverkiezingen van 2022.
De groep demonstreerde voor Sciences Po met de steun op afstand van ongeveer vijftien extreemrechtse activisten, waaronder Quentin Deranque. Er vond een eerste confrontatie plaats tussen de groep Nemesis en antifascistische activisten die de bijeenkomst beschermden. Even later vond een tweede confrontatie plaats, naast Sciences Po, tussen de groep extreemrechtse activisten en een even groot aantal antifascistische activisten. Na de reactie van de antifascisten trok de extreemrechtse groep zich terug en verspreidde zich, waarbij slechts drie leden achterbleven, waaronder Quentin Deranque. Op dat moment kreeg hij op de grond verschillende harde klappen op zijn hoofd. Zonder de brandweer of de SAMU te bellen, vertrok hij te voet met een ander lid van zijn groep en na een wandeling van anderhalf uur belde zijn hergegroepeerde groep uiteindelijk de brandweer om voor hem te zorgen, op een kilometer afstand van de plaats van de confrontatie. Hij stierf twee dagen later aan de gevolgen van zijn verwondingen.
Zelfs vóór zijn dood namen de media de lezing van de woordvoerders van Nemesis over, die zeiden dat de fascistische militant in een hinderlaag was gelokt en gelyncht door een groep van de ultralinkse Jeune Garde, en de nieuwszenders lieten alleen een herhaling zien van de video van de laatste momenten van de confrontatie, toen hij op de grond werd geslagen. Een zelfverdedigingsactie door antifascistische activisten kan die slagen niet rechtvaardigen. Die daad staat ook ver af van het concept van de antifa-strijd dat door de Jeune Garde wordt voorgesteld, die altijd heeft gepleit voor collectieve zelfverdediging, altijd heeft opgeroepen tot samenwerking en eenheid met alle organisaties van de arbeidersbeweging, om een collectief en unitair antifascisme op te bouwen tegen de fascisten, in tegenstelling tot een virilistische privé-oorlog. En dus ook het tegenovergestelde van wat er op 12 februari gebeurde toen de antifas de fascistische activist op het hoofd sloegen.
Collectieve zelfverdediging
, Dit benadrukt echter het risico, gezien de toename van agressie en aanvallen door extreemrechts, van het niet centraal stellen van de opbouw van een collectieve zelfverdediging, gebaseerd op de leden van deze organisaties met de juiste training. Anders zijn het de groepen die zich centraal toeleggen op antifascistische politieke actie die het risico lopen met die beschermingstaken te worden belast. En uit die specialisatie kunnen excessen of individuele acties buiten het kader en de collectieve aanbevelingen voortkomen. Wat de betrokkenheid van de activisten van Jeune Garde op 12 februari ook moge zijn, wat er ook gebeurd is, dat mag de antifascistische zelfverdediging niet op een laag pitje zetten, maar moet die juist in alle organisaties meer aanwezig maken.
In een verontrustende verschuiving in het politieke leven verspreiden bijna alle politieke krachten, inclusief de sociaaldemocraten, nu het idee van een algemeen geweld van extreemlinks, waarvan LFI de aanstichter zou zijn. De extreemrechtse leider Marion Maréchal kon zo op 17 februari op BFM verklaren: ‘Statistisch gezien is extreemrechts geweld verwaarloosbaar in vergelijking met extreemlinks geweld, dat structureel is.’ De cijfers zijn echter, net als de feiten, hardnekkig: sinds 1986 zijn in Frankrijk 58 mensen gedood door extreemrechtse activisten, en 6 door mensen die als extreemlinks worden aangemerkt (waaronder 4 door de groep Action directe, een ander, vijftien jaar geleden, tijdens een vechtpartij tussen voetbalhooligans van PSG, en ten slotte Quentin Deranque in februari dit jaar). [2]
‘Er is een structurele daling van fysiek politiek geweld in vergelijking met voorgaande decennia en nu. Als we de daden die worden toegeschreven aan islamisten en separatisten buiten beschouwing laten, is er bijna geen sprake meer van politieke dodelijkheid, in vergelijking met andere landen in Europa en natuurlijk in de Verenigde Staten.’ [3] Maar al enkele jaren signaleert de DGSI zelf ‘een heel verontrustende heropleving van gewelddadige acties en intimidatie door extreemrechts in Frankrijk’, zoals het voormalige hoofd van de DGSI, Nicolas Lerner, in juli 2023 aan Le Monde verklaarde. Volgens hem wordt die heropleving ingegeven door een logica van een beschavingsoorlog, waarbij men botsingen wil uitlokken om de grote vervanging te voorkomen.
Zelfs Gérald Darmanin, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, verklaarde op 20 september 2025 in het dagblad Ouest France over de risico’s van politiek terrorisme: ‘Onder de ultragepolitiseerde groeperingen bevindt zich een klein deel van extreemlinks (…) dat vooral eigendommen aanvalt. Maar het grootste deel van de dreiging komt van extreemrechts, vooral in de afgelopen vijf jaar, met witte supremacisten en accelerationisten (die zich hard maken voor een rassenoorlog). Er zijn geen aanslagen gepleegd in Frankrijk, maar tien plannen zijn verijdeld en er zijn personen gearresteerd, veroordeeld of in afwachting van hun proces.’ Volgens een rapport van Europol over terroristische dreigingen in Europa zijn in Frankrijk 69 leden van extreemrechts gearresteerd voor het voorbereiden van terroristische acties.
Manuel Bompard, coördinator van La France Insoumise, stuurde de krant Libération een lijst met namen, waarin hij aangaf dat ‘sinds 2022 in dit land 12 mensen zijn vermoord door extreemrechtse groeperingen die banden hebben met extreemrechts’: Federico Aramburu, Éric Casado-Lopez, Emine Kara, Mahamadou Cissé, Angela Rostas, Djamel Bendjaballah, Rochdi Lakhsassi, Hamid G. en Hadi R. Aboubakar Cissé, Hichem Miroaoui. Ismaël Aali, die afgelopen januari in Lyon werd vermoord, moet aan die lijst worden toegevoegd. Hun moorden hebben minder reacties uitgelokt dan de dood van de identitaire activist uit Lyon. Het gaat hier grotendeels om immigranten of mensen van buitenlandse afkomst, wat duidelijk deel uitmaakt van de obsessie met een rassenoorlog. Fascistische activiteiten en agressie nemen toe, gestimuleerd door de opkomst van het RN, en antifascisme is een eis en een noodzaak van de eerste orde.
Antifascisme zou dus, in een Orwelliaanse manipulatie, het nieuwe fascisme zijn geworden, verantwoordelijk voor politiek geweld. Ook het weekblad Marianne heeft die Orwelliaanse samenvatting op de voorpagina gezet: ‘DE NIEUWE ANTIFASCISTEN’, als kop boven de foto’s van Raphaël Arnaud, J.L. Mélenchon en Rima Hassan. We begrijpen al snel dat dit een omkering van waarden is die geenszins gebaseerd is op de werkelijkheid, maar op de wens van de heersende klassen om de bakens te verzetten en de mogelijke komst van een fascistische partij in het Elysée-paleis en/of aan het hoofd van de regering te bagatelliseren. Een verlangen om de realiteit te veranderen door te vertrouwen op de macht van de media en sociale netwerken, die zich steeds meer toeleggen op een bepaalde redactionele lijn en op openlijk reactionaire, zo niet extreemrechtse columnisten.
Charlie Kirk
In dit alles zien we dus een gevaarlijke herhaling van de mechanismen die volgden op de dood van Charlie Kirk in de VS. Donald Trump verklaarde dat ‘links de partij van de moord is’, zijn volgeling Elon Musk zei dat ‘radicaal links had bijgedragen aan de moord’ en Trump verklaarde bij decreet de hele antifa-beweging in de VS tot terroristen. In de nasleep van dat alles werd een studie van het Amerikaanse ministerie van Justitie, waarin werd geconcludeerd dat extreemrechts de beweging was die sinds de jaren negentig de meeste mensen in de VS had gedood, gewoonweg van de website van het ministerie verwijderd.
Het gemeenschappelijke punt met de acties van Trump is dat er in Frankrijk wordt aangedrongen op een identieke verschuiving en dat sommige politieke krachten de mogelijkheden onderzoeken om de vlam in de pan te doen slaan. Zoals Sandrine Rousseau, de afgevaardigde van de Groenen, aan de kaak stelt, ‘wordt het antifascisme aangevallen op een moment dat het fascisme op het punt staat aan de macht te komen’. Als de woordvoerster van de regering zich laat gaan en zegt: ‘geen enkele LFI-afgevaardigde in de Assemblée’; of als Renaissance-afgevaardigde Aurore Bergé reageert op Jordan Bardella, voorzitter van het RN, die oproept tot een ‘anti-LFI republikeins front’ tijdens de volgende parlementsverkiezingen, ‘begin dan met het terugtrekken van jullie kandidaten ten gunste van onze kandidaten tegen LFI’, zien we dat er nieuwe dijken beginnen te breken.
Dat rechts en het RN LFI de mond willen snoeren en Mélenchon willen afschilderen als een tegenstander die niet in staat is om voldoende stemmen van links te verzamelen voor de presidentsverkiezingen, ligt voor de hand. Dat het macronisme hetzelfde doet, bewijst dat de woordvoerders van de heersende klassen niet willen dat de situatie van 2024 zich herhaalt. Ondanks maanden van verdeeldheid onder de linkse partijen, na het succes van het RN bij de Europese verkiezingen en de ontbinding van de Nationale Assemblee door Macron, is de komst van een meerderheid en een RN-regering in juni 2024 alleen tegengehouden door de kracht en eenheid van links, verenigd rond een reeks maatregelen om te breken met het kapitalistische bezuinigingsbeleid. Die eenheid, die tot stand is gekomen met een overwegend gewicht van LFI in de NPF, waarvan de afgevaardigden de grootste kracht in de Nationale Assemblee vormden, is het spookbeeld geworden dat in het perspectief van 2027 moet worden neergehaald.
Want ondanks de huidige grote verdeeldheid binnen links kan de kracht van de afwijzing van het bezuinigingsbeleid en het groeiende gevoel van sociale onrechtvaardigheid, met de mobilisatie van de organisaties van de sociale beweging zoals in 2024 het geval was, op de een of andere manier alle politieke krachten van links dwingen om zich electoraal te verenigen in het licht van het neofascistische gevaar. Het feit dat elke unitaire en offensieve dynamiek aan de linkerkant al maandenlang bevroren is, maakt dat perspectief elke dag moeilijker, en het meest waarschijnlijk is een versnippering van de linkse kandidaten in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Maar het is niettemin dat risico van een nieuwe opmars van links in 2027 dat extreemrechts en de macronisten willen elimineren door zich op LFI te richten.
Ernstiger is dat de leiders van de Socialistische Partij die het meest gekant zijn tegen het NFP-experiment, de afgelopen dagen een nieuwe stap hebben gezet door zich aan te sluiten bij de lastercampagne tegen LFI en de Jeune Garde, met als expliciet doel elke heroprichting van een politiek front op basis van een breuk met het neoliberale beleid te verhinderen. Verschillende verklaringen van Raphaël Glucksmann en François Hollande sloten aan bij de standpunten van Macron en Lecornu, die LFI ter verantwoording riepen.
Dat gold niet voor Olivier Faure en andere leiders, maar ze houden niettemin vol (voorlopig…) dat er geen terugtrekkingsakkoord zal komen voor de komende gemeenteraadsverkiezingen op 15 en 22 maart, behalve als dat gericht is tegen het RN. Die houding van breuk met LFI is duidelijk aan het werk sinds de goedkeuring van een ‘verantwoordelijke’ lijn van steun aan de Macronistische/LR-minderheidsregeringen om de begrotingen voor 2025 en 2026 in de Assemblée goed te keuren en de weigering om te stemmen over moties van afkeuring op de begrotingen die door de andere componenten van het NFP (LFI, EELV en PCF) zijn ingediend en goedgekeurd.
Het doel is in feite om de partij te laten kantelen naar de oriëntatie die de minderheid rond Hollande tijdens de laatste congressen had. Dat is de lijn die, waarschijnlijk met de kandidatuur van Raphaël Glucksmann, hoopt in 2027 de electorale restanten van het ‘linkse’ macronisme te kunnen oogsten om een sociaaldemocratie te herstellen die het neoliberalisme beheert, zoals de regeringen van Hollande dat deden van 2012 tot 2017, voordat ze ten onder gingen door de afkeuring van de bevolking. Dromend van de terugkeer van het electoraat dat in 2017 aan Macron verloren is gegaan, willen ze de banden met de linkse unie met LFI verbreken door hun kandidatuur voor 2027 op te leggen.
Er is dan een grote verzwakking van het noodzakelijke front tegen extreemrechts, dat verantwoordelijk is voor de huidige situatie van de componenten van het NFP. Alles wordt bepaald door electorale tactieken. Allereerst de gemeenteraadsverkiezingen van deze maand, waarin, net als bij de Europese verkiezingen van 2024, de grootste verdeeldheid heerst. Op heel weinig uitzonderingen na zijn er geen NFP-lijsten in de steden en komt de wens van de socialisten om afstand te nemen van LFI in botsing met de strategie van LFI om een gemeentelijke aanwezigheid in grote en middelgrote steden te verankeren, in overeenstemming met haar nationale electorale gewicht. Hetzelfde geldt voor de vooruitzichten voor de presidentsverkiezingen van 2027, aangezien, zonder zelfs maar over een programma te spreken, het struikelblok aan de linkerkant zich beperkt tot de wijze waarop een kandidaat wordt aangewezen.
LFI gaat duidelijk alleen verder door een campagne voor Mélenchon op te zetten, in de zekerheid dat zijn status en politieke gewicht hem zullen opdringen als kandidaat tegen het RN, waardoor de facto, zo niet rond een akkoord, een dynamiek van eenheid ontstaat zoals in 2022. Glucksmann, eveneens solo, gokt op het tegenovergestelde. De demonisering van Mélenchon enerzijds en de agonie van het macronisme anderzijds laten ruimte die hem in staat zou kunnen stellen de tweede ronde te halen, met een heel gematigd sociaaldemocratisch programma. De andere componenten proberen zich te redden, een rally rond EELV, de Après en François Ruffin, met Lucie Castet, wil in oktober 2026 een voorverkiezing organiseren die openstaat voor heel links (‘van Poutou tot Hollande’ in de woorden van Ruffin) voor één enkele kandidaat. LFI en Glucksmann wijzen dat duidelijk af, terwijl de PS en PCF nog geen standpunt innemen.
In die schema’s laten de belangrijkste politieke krachten aan de linkerkant de activisten achter als toeschouwers of roepen hen op om te kiezen voor deze of gene presidentskandidaat. Er zijn natuurlijk echte programmatische kwesties met een sociaaldemocratie die de regeringen van Macron redt en instemt met bezuinigingsbegrotingen. Maar er zijn ook kwesties van democratisch functioneren ten aanzien van LFI, dat met zijn gewicht steun voor zijn campagne wil verwerven zonder ook maar de minste eenheid in de campagne te willen opbouwen. Die electorale meningsverschillen wegen nu zwaar op het vermogen om een verenigd front te organiseren om samen op te treden in alle actuele kwesties en om een politieke en sociale machtsverhouding op te bouwen die in staat is om de RN tegen te gaan. De organisaties van de sociale beweging vinden het moeilijk om het voortouw te nemen bij het opleggen van hun eigen kaders en hun eigen deadlines.
Er is echter dringend behoefte aan een gezamenlijke reactie op alle sociale en politieke kwesties, zowel nationaal als internationaal, waarbij de krachten van het NFP, of althans de meeste daarvan, samen kunnen optreden in campagnes en gezamenlijke acties, op al die punten waar het NFP ten minste elementen van gemeenschappelijke eisen naar voren heeft gebracht. Bovendien hebben de belangrijkste krachten van het NFP, ondanks de toezeggingen in 2024, weinig gedaan om NFP-collectieven op lokaal en nationaal niveau te ontwikkelen en in stand te houden. Echter juist daar hebben de krachten van de sociale- en vakbeweging zich verenigd en die vormden de basis voor de campagne van 2024. Dat alles weegt zwaar. En bovendien is er de afgelopen twee weken, ondanks de heel duidelijke standpunten van velen, nauwelijks sprake geweest van een gezamenlijke reactie waarin extreemrechts en de criminaliseringscampagne tegen LFI na de dood van de neofascist uit Lyon aan de kaak werden gesteld.
Al met al is de situatie dus open maar behoorlijk dramatisch, en het verzet dat LFI biedt tegen de aanvallen op haar zal niet in de plaats kunnen komen van de opbouw van een gezamenlijke dynamiek van alle krachten die overtuigd zijn van de noodzaak van een antifascistisch front, samen met het handhaven van een programma dat breekt met de politici die in dienst staan van kapitalistische groepen en de rijken.
Noten
[1] ‘Mort de Quentin Deranque: retour sur le parcours d’un militant néofasciste‘ – Mediapart.
[2] ‘Violences politiques en France, de 1986 à nos jours‘ – Isabelle Sommier, Xavier Crettiez en François Audigier- Presses de Sciences Po.
[3] ibid.
Léon Crémieux is een activist van de vakbond Solidaires en van de NPA – l’anticapitaliste (Frankrijk). Hij is lid van het uitvoerend bureau van de Vierde Internationale.
Dit artikel stond op International Viewpoint. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.