Zo ver mogelijk weg: toen joden voor dichte grenzen stonden
Toen in de herfst van 1933 het Hoge Commissariaat van de Volkerenbond voor de vluchtelingen uit Duitsland werd opgericht, kon Duitsland, wat altijd nog lid was van de Volkerenbond, voorwaarden bedingen die de speelruimte van de Hoge Commissaris sterk beperkte.
Er kwam geen gecoördineerde vluchtelingenpolitiek tot stand. En de potentiële bestemmingslanden ontwikkelden niet met elkaar, maar in concurrentie met elkaar, nieuwe maatregelen om vluchtelingen te weren. In Duitsland onteigend, in de bestemmingslanden geen arbeidsvergunning – de gevluchte jodinnen en joden werden al snel een ongewenste bevolkingsgroep. Hier probeerden joodse organisaties tegenop te treden. Maar hoe langer de vluchtelingen in de bestemmingslanden gestrand waren, des te meer werden de hulpbronnen gebruikt voor de tijdelijke voorzieningen en konden daardoor niet voor een nieuw bestaan worden benut. Bovendien bevonden de hulporganisaties in de bestemmingslanden zich in een ambivalente situatie. Enerzijds probeerden ze de vluchtelingen te ondersteunen, anderzijds hadden ze belang bij samenwerking met de autoriteiten en waren ze bereid het aantal nieuwe vluchtelingen beperkt te houden uit zorg om een toenemend antisemitisme.
In ieder geval vanaf 1938 vroeg de vlucht een grote mate van flexibiliteit, leervermogen en doorzettingsvermogen. Ze moesten zich instellen op snel veranderende omstandigheden die het leven tot dan toe en de eigen toekomstplannen in de war bracht, gezinnen en vriendenkringen uit elkaar deed vallen, sociale (status-) verworvenheden overhoop gooide en genderrollen veranderde. Dergelijke ingrijpende veranderingen hebben bij velen hun sporen nagelaten. En niet iedereen die de vlucht heeft overleefd heeft het ongeschonden doorstaan.
In 1938 dwong de Anschlusz van Oostenrijk en de bezetting van het Sudetenland ook daar honderdduizenden joden en tegenstanders van de nazi’s te vluchten en de methoden van de vervolging (pogroms, uitzettingen naar niemandsland of over de groene grens) werden wreder.
De vluchtelingenconferentie van Evian in 1938 was een nieuwe poging van de gemeenschap van staten om een antwoord op de massale verdrijving te vinden. Het initiatief ging uit van de Amerikaanse president Roosevelt die nu een kans zag aanzetten voor een wereldwijde sturing van migratie te ontwikkelen. De poging faalde. De deelnemers aan de conferentie betreurden dat hun staten niet meer vluchtelingen konden opnemen. Dit zou huichelarij kunnen zijn geweest. In ieder geval accepteerden ze impliciet dat het ging om het zoeken naar humanitaire oplossingen. Daarin verschilde de conferentie van actuele pogingen te komen tot een “harmonisering” van de vluchtelingenpolitiek waarbij het belang van staten bij beperking van migratie voorop staat.
Het begin van de oorlog leidde tot een verveelvoudiging van het aantal vluchtelingen en blokkeerde de gangbare vluchtroutes. De grenzen werden nog hermetischer afgesloten en vluchtelingen werden op grote schaal als “vijandige buitenlanders” in kampen geïnterneerd.
Om de joden in de door de Duitsers gecontroleerde gebieden te ondersteunen of hun te helpen vluchten was het steeds meer nodig ook illegale wegen te bewandelen. Maar juist in de oorlog wilden de hulporganisaties geen confrontatie met de geallieerde staten aangaan omdat ze op hun welwillendheid waren aangewezen.
In 1941 overviel de Wehrmacht de Sovjet-Unie. Vanaf augustus 1941 schoten Duitse moordcommando’s daar joodse mannen, vrouwen en kinderen dood. In oktober werd de emigratie uit de Duitse invloedssfeer verboden, die sowieso al vrijwel tot stilstand was gekomen. Omstreeks dezelfde tijd begonnen de systematische deportaties naar de getto’s en vernietigingskampen. Vluchthelpers die hielpen grenzen over te steken liepen een groot risico en vroegen vaak prijzen die maar weinig mensen konden betalen.
Nadat de massamoord was begonnen duurde het nog meer dan een jaar tot de geallieerden het publiekelijk veroordeelden en dreigden de daders te bestraffen. Maar er veranderde niets aan hun restrictieve houding ten aanzien van de vluchtelingen.
Pas het in 1944 opgerichte War Refugee Board richtte zich duidelijk op het redden van de vervolgden. De meeste joden die in de Holocaust omkwamen waren toen al vermoord. In de laatste maanden van de oorlog namen in grote delen van Europa activiteiten toe waarbij vervolgde joden werden gered en leidde dit tot samenwerking tussen organisaties met verschillende religieuze en politieke oriëntaties, tussen gewapende krachten van de Résistance en liefdadigheidsinstellingen. Velen die bij deze initiatieven waren betrokken riskeerden daarmee hun leven.
Tot in de laatste oorlogsfase, toen zelfs de voormalige bondgenoten van Duitsland al afstand hadden genomen om niet medeverantwoordelijk te worden gesteld, bleef het moeilijk opvangmogelijkheden voor de vluchtelingen te vinden, werd er nog altijd over kampen in Marokko en Spanje nagedacht waar men de geredde mensen kon onderbrengen – zo ver mogelijk weg.
(Vertaling: Socanta)
(Aanvulling globalinfo:) Toen na de Kristallnacht in Duitsland de stroom vluchtelingen sterk toenam, sloten veel landen hun grenzen voor vluchtende joodse mensen. Daaronder ook Nederland, toen geregeerd door het zeer christelijke kabinet Colijn IV (zie artikel in de Groene). Daaruit dit stukje: (…) Het beleid verstrakte daarentegen: Zwitserland en de Scandinavische landen sloten de grenzen, Nederland volgde op 17 december dit voorbeeld. Vanaf dat moment werden joden zonder legale papieren toch teruggestuurd. Op Kerstmis 1938 bracht een bus een eerste groep van zeventig joodse vluchtelingen naar Duitsland. Aan alle grenzen waren er strenge controles om de joodse vluchtelingen tegen te houden.