Ga naar de inhoud

Wanneer afstand nemen een wapen wordt: over Code Rood, subsidies en solidariteit binnen verzet

Ter gelegenheid van de 22ste editie van de Gentse Anarchistische Boekenbeurs schreef ik het pamflet Bondgenoten in verzet. Over de nood aan een nieuwe solidariteit tussen stem en steen. De vraag daarachter is vandaag acuut: hoe blijven bewegingen solidair wanneer overheid en media hen onder druk zetten om elkaar publiek te veroordelen?

9 min leestijd

Ter gelegenheid van de Gentse Anarchistische Boekenbeurs van 9 en 10 mei 2026 schreef ik het pamflet Bondgenoten in verzet. Het vertrekt vanuit een oude discussie binnen sociale bewegingen: hoe gaan we om met verschillende vormen van verzet zonder elkaar kwijt te raken?

Die vraag is vandaag niet abstract. Ze staat opnieuw op scherp sinds de Vlaamse regering in november 2025 besliste om LABO vzw en HOTM geen subsidies toe te kennen en Vrede, Vredesactie, Climaxi en GetBasic, de vzw achter DeWereldMorgen, terug te brengen tot het wettelijke minimumbedrag. Volgens de betrokken organisaties ging die beslissing in tegen positieve adviezen van de beoordelingscommissie. Ze stapten naar de Raad van State. 

In de politieke communicatie daarover speelde één motief opvallend sterk mee: vermeende banden met Code Rood, steun aan radicale klimaatacties of het onvoldoende “ondubbelzinnig afstand nemen” van gewelddadig extremisme. 

Precies daar begint het probleem. Want wanneer bewegingen onder druk van overheid, media of publieke opinie verplicht worden om zich publiek van elkaar te distantiëren, gaat het niet langer alleen over tactiek. 

Dan wordt afstand nemen zelf een politiek wapen.

Meer dan een debat over geweld                                                       

Wanneer protest escaleert, volgt vaak hetzelfde patroon. Eerst zijn er slogans, spandoeken, toespraken en blokkades. Daarna verschuift alle aandacht naar een confrontatie, een vernieling of een politie-ingreep. Vervolgens komt de bekende vraag: “Keurt u dit geweld goed?”

Die vraag lijkt helder, maar werkt vaak vernauwend. Ze reduceert complexe sociale conflicten tot een morele test. Wie niet onmiddellijk veroordeelt, wordt verdacht. Wie nuanceert, lijkt medeplichtig. Wie weigert mee te stappen in het ritueel van publieke afstandname, wordt zelf onderdeel van het probleem gemaakt.

Nochtans is niet elke vorm van verzet hetzelfde. Een vakbondsstaking, een bezetting, burgerlijke ongehoorzaamheid, sabotage of een symbolische actie zijn geen identieke tactieken. Niet alle middelen zijn even verstandig. Niet alle acties zijn evenwaardig. Niet elke escalatie versterkt een beweging.

Maar het omgekeerde is ook waar: niet elk conflict kan herleid worden tot de simpele tegenstelling tussen “vreedzaam” en “gewelddadig”.

Een geweldloze blokkade van een wapenbedrijf kan politiek ingrijpender zijn dan een straatconfrontatie. Een bezetting kan meer druk zetten dan duizend petities. En soms kan een actie die formeel “ordelijk” blijft toch perfect onschadelijk zijn voor de macht waartegen ze zich zegt te richten.

De echte vraag is dus niet of alle tactieken moeten worden goedgekeurd. De vraag is hoe bewegingen omgaan met verschil zonder elkaar onmiddellijk los te laten.

De druk om zich te distantiëren

De discussie rond Code Rood toont hoe sterk die druk vandaag geworden is. Organisaties worden niet alleen beoordeeld op wat ze zelf doen, maar ook op wat ze volgens de overheid onvoldoende afkeuren.

Dat is een gevaarlijke verschuiving.

Interne kritiek is nodig. Elke beweging moet kunnen discussiëren over strategie, grenzen, effectiviteit en risico’s. Maar wanneer die discussie wordt gevoerd op het ritme van ministeriële druk, mediavragen en subsidiedreiging, verandert haar betekenis.

Dan is kritiek geen vrij gesprek meer binnen een beweging. Dan wordt ze een bewijs van gehoorzaamheid tegenover de macht.

Plots volstaat het niet om zelf geweldloos te werken. Men moet ook aantonen dat men zich voldoende afzet tegen anderen in een bredere protestomgeving. Het politieke conflict verschuift dan van de inhoud van het protest naar de respectabiliteit van de protestvorm.

Dat patroon zagen we niet alleen bij klimaatacties. Het keert ook terug bij solidariteitsacties rond Palestina, bij antiracistische mobilisaties en bij acties tegen sociale afbraak. Telkens opnieuw wordt de aandacht verplaatst: weg van het structurele onrecht, naar de vraag of activisten wel netjes genoeg protesteren.

Het geweld dat buiten beeld blijft

Daar zit een merkwaardige paradox. Een beschadigde ruit kan dagenlang debat veroorzaken. Maar het trage geweld van sociale afbraak, racisme, oorlog, grensbeleid of ecologische vernietiging blijft veel moeilijker zichtbaar.

Wie sociale rechten afbouwt, mensen opsluit aan grenzen, oorlog normaliseert of winst boven leefbaarheid plaatst, oefent ook geweld uit. Alleen gebeurt het wettelijk, administratief en vaak buiten beeld.

Dat betekent niet dat elke vorm van confrontatie automatisch zinvol wordt. Woede is energie, maar ook erosie. Zonder collectieve richting kan ze omslaan in destructie die bewegingen verzwakt.

Maar protest ontstaat nooit in een vacuüm. Woede groeit waar mensen ervaren dat gewone waarschuwingen, rapporten, betogingen en petities nauwelijks nog effect hebben. Wie alleen naar de zichtbare uitbarsting kijkt, maar niet naar de langdurige druk waaronder ze ontstaat, begrijpt weinig van verzet.

Daarom is het te eenvoudig om bewegingen op te delen in “goede” en “slechte” activisten. Zulke tegenstellingen maken solidariteit brozer. En ze helpen vooral wie belang heeft bij verdeeldheid.

Solidariteit zonder uniformiteit

Sociale bewegingen zijn historisch zelden homogeen geweest. De arbeidersbeweging bestond uit syndicalisten, mutualisten, revolutionairen, coöperaties en parlementaire hervormers. De burgerrechtenstrijd kende zowel Martin Luther King als Malcolm X. De anti-apartheidsstrijd combineerde internationale boycotcampagnes, kerken, vakbonden, massaprotest en sabotage.

Wat zulke bewegingen sterk maakte, was niet totale eensgezindheid. Het was hun vermogen om ondanks verschillen een gedeelde strijd herkenbaar te houden.

Vandaag lijkt dat moeilijker geworden. Sociale media vergroten interne conflicten. Politieke druk versterkt de angst om geassocieerd te worden met radicaliteit. Organisaties vrezen reputatieschade, juridische gevolgen of subsidieverlies.

Zo ontstaat een cultuur van voortdurende distantiëring. Bewegingen worden voorzichtiger tegenover elkaar, precies op het moment dat sociale, ecologische en democratische crisissen bredere bondgenootschappen vragen.

Dat raakt niet alleen aan radicale actiegroepen. Ook kritische media en middenveldorganisaties staan onder druk. MO* schreef in september 2025 dat het zijn Vlaamse subsidie van 216.000 euro verliest, ongeveer een vijfde van zijn totale budget. In december plaatste MO* dat zelf in een bredere analyse over het kritische middenveld als doelwit in autoritairdere politieke evoluties. 

Het gaat dus niet alleen over Code Rood. Het gaat over de vraag welke vormen van kritiek, organisatie en tegenmacht nog als legitiem worden aanvaard.

Een korte wandeling door het pamflet

In Bondgenoten in verzet probeer ik geen handleiding voor “correct verzet” te schrijven. Het pamflet vertrekt eerder vanuit een vraag die steeds vaker opduikt binnen sociale bewegingen: hoe blijven we bondgenoten wanneer tactieken, emoties en strategieën beginnen te botsen?

Dat begint met de erkenning dat niet iedereen binnen een beweging dezelfde rol speelt. De syndicalist die staakt, de jurist die procedures voert, de journalist die onderzoek doet, de kunstenaar die verbeelding opent en de actievoerder die een blokkade organiseert, bewegen zich op verschillende terreinen. Toch oefenen ze vaak druk uit op dezelfde structuren van macht.

Het pamflet probeert ook te begrijpen waar interne spanningen vandaan komen. Mensen reageren niet allemaal op dezelfde manier op politieke stilstand of onrecht. Sommigen raken ervan overtuigd dat klassieke vormen van protest nauwelijks nog effect hebben. Wanneer waarschuwingen, rapporten, petities en betogingen genegeerd blijven, groeit het gevoel dat scherpere actievormen nodig zijn om nog gehoord te worden.

Anderen vrezen net dat escalatie bewegingen kan isoleren, publieke steun kan ondermijnen of repressie kan versterken. Hun oproep tot voorzichtigheid vertrekt daarom niet noodzakelijk uit passiviteit of conformisme, maar uit een andere strategische inschatting.

Beide reacties ontstaan vaak vanuit dezelfde confrontatie met onrecht, maar trekken daar andere politieke conclusies uit. Precies daarom is het gevaarlijk wanneer overheid, media of subsidiepolitiek zulke verschillen onmiddellijk proberen om te zetten in publieke breuklijnen.

Vanuit die gedachte pleit het pamflet voor wat ik strategische empathie noemt: niet het kritiekloos goedkeuren van elke tactiek, maar het proberen begrijpen waarom verschillende houdingen ontstaan binnen eenzelfde strijd.

Dat betekent ook dat tactieken niet alleen moreel, maar ook strategisch moeten worden beoordeeld. Niet elke escalatie versterkt een beweging. Maar niet elke vorm van respectabiliteit doet dat evenmin. Morele zuiverheid alleen verandert geen samenleving, terwijl strategie zonder ethische grenzen gemakkelijk cynisch wordt.

Misschien ligt daar uiteindelijk de kern. Solidariteit hoeft geen uniformiteit te betekenen. Maar wanneer elke interne spanning onmiddellijk uitmondt in publieke distantiëring, worden bewegingen steeds makkelijker tegen elkaar uitgespeeld.

Wie heeft belang bij onze breuken?

De machtsstructuren die ongelijkheid, ecologische vernietiging en oorlog mogelijk maken, zijn zelden bang voor onze meningsverschillen. Ze leven ervan.

Elke keer wanneer bewegingen elkaar publiek afvallen onder externe druk, verschuift de aandacht. Niet langer het beleid staat centraal, maar de interne zuiverheid van wie protesteert. Niet langer de macht moet zich verantwoorden, maar wie haar uitdaagt.

Dat betekent niet dat bewegingen alles moeten slikken in naam van een valse eenheid. Er zijn grenzen. Er zijn tactieken die schadelijk zijn. Er zijn acties die bondgenoten in gevaar brengen of de eigen basis verzwakken.

Maar er is een verschil tussen grenzen trekken vanuit een eigen collectieve strategie en afstand nemen omdat overheid, media of subsidiërende instanties dat eisen.

Die grens is vandaag cruciaal.

Want een beweging die intern kan discussiëren zonder extern uit elkaar gespeeld te worden, is moeilijker te controleren. Ze hoeft het niet over alles eens te zijn. Ze hoeft geen tactische eenheidsworst te worden. Maar ze moet leren verschil te dragen zonder telkens opnieuw haar eigen bondgenootschappen te breken.

Dat is de politieke inzet achter Bondgenoten in verzet. Niet de romantiek van de steen. Niet de heiligverklaring van de stem. Wel de zoektocht naar een nieuwe solidariteit tussen stem en steen, tussen voorzichtigheid en woede, tussen verschillende manieren om nee te zeggen.

Want wie verzet wil breken, begint zelden met het hele veld tegelijk aan te vallen. Vaak volstaat het om bewegingen tegen elkaar uit te spelen.

De vraag is dus niet alleen hoe wij protesteren.

De vraag is ook: wie wint erbij wanneer wij ons van elkaar losmaken? 

Dit artikel bouwt verder op het pamflet Bondgenoten in verzet – over de nood aan een nieuwe solidariteit tussen stem en steen (Polle Griotto, LocalPositionSystem – BlaBlaBla-prods.2026, 12 p.), geschreven n.a.v de Gentse Anarchistische Boekenbeurs (9–10 mei 2026, Park Ham, Désiré Fiévéstraat, Gent). Signal ID: PolleGriotto.01