Ga naar de inhoud

Sociale wetgeving en sociale verslechteringen

Over wettelijk minimum uurloon en de voorwaarden waaronder werklozen gaan werken.

10 min leestijd

(Door Piet van der Lende, oorspronkelijk verschenen op solidariteit.nl)

Bij de herziening van het Wettelijk minimumloon (Wml) was het aanvankelijk de bedoeling ook een minimum uurloon in te voeren op basis van een 38-urige werkweek. Dit zou in sommige gevallen een verlaging van het minimumloon betekenen, bijvoorbeeld wanneer in de cao een 36-urige werkweek was afgesproken. De regering Rutte/Asscher legde dit plan in de ijskast, blijkbaar konden de liberalen en sociaaldemocraten het niet eens worden over de berekening van het minimum uurloon.

Aannemelijk is dat de voorstanders van een verlaging van het minimumloon daar na de verkiezingen op terug zullen komen. Al eerder waren er pogingen de Wet werken naar vermogen in te voeren. Door middel van loonwaardebepalingen zou deze vaststellen in hoeverre een gedeeltelijk arbeidsongeschikte of langdurig werkloze het minimumloon kon terugverdienen. Als bijvoorbeeld iemand 60 procent van het Wml kon verdienen, dan betaalde de werkgever slechts dat percentage uit. Een bijstandsuitkering zou dan het inkomen van de werknemer aanvullen tot het sociale minimum. In feite dus een afschaffing van het Wml. Maar dit wetsvoorstel is een stille dood gestorven. Het geeft wel aan dat in neoliberale kringen de opvatting bestaat dat het Wml te hoog is en in bepaalde gevallen niet moet worden toegepast.

Compensatie

 De huidige regering koos voor een andere systematiek. Met de participatiewet introduceerde zij een systeem, waarin de werkgever een subsidie krijgt voor het deel van het Wml dat een werknemer niet kan terugverdienen. Hij/zij heeft dan een loon en hoeft geen beroep meer te doen op de bijstand, tenminste bij een voldoende aantal uren werk.
Dit lijkt een aardig compromis, maar het stopt in werkelijkheid niet de race naar de bodem in de verslechteringen van de arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden waaronder werklozen moeten werken. Net als bij de Wet werken naar vermogen gaat het om de tewerkstelling van werklozen onder zeer slechte voorwaarden.

Op het eerste gezicht voegen minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma, beiden PvdA, aan dit compromis sociale maatregelen toe. Zo zou bijvoorbeeld het minimumjeugdloon voor 22-jarigen zijn afgeschaft. Maar dat kost veel werkgevers geen cent, omdat bijvoorbeeld in de supermarktsector nauwelijks 22-jarigen werken; de meesten zijn jonger. Toch besloot de regering tot een compensatie van de extra loonkosten die de werkgevers zouden hebben.

De belangrijkste van hun serie maatregelen was de Wet tegemoetkomingen loondomein. Daarin staat dat werkgevers per 1 januari 2017 recht krijgen op het zogenoemde lage-inkomensvoordeel. Met als voorwaarden dat werknemers tussen de 100 en 120 procent van het wettelijk minimumloon ontvangen en minimaal 1.248 verloonde uren in een jaar gewerkt hebben. De werkgever ontvangt een loonkostensubsidie van 1,01 euro per uur met een maximum van 2.000 euro per jaar. Verdient de werknemer tussen 110 en 125 procent van het wettelijk minimumloon, dan vangt de werkgever maximaal 0,51 euro per uur met een maximum van 1.000 euro per jaar.
Kortom, zonder dat het werkgevers iets extra’s kost, worden ze voor de hogere jeugdlonen gecompenseerd. Het kabinet trok hiervoor 600 miljoen uit, 500 voor onder andere de afschaffing van het minimumjeugdloon voor 22- jarigen en 100 miljoen voor de verhoging ervan.

Gammele wetgeving

Toen werkgevers zochten naar de uitwerking van de Wet tegemoetkomingen loondomein, bleek het begrip ‘100 of 120 procent van het wettelijk minimumloon’ geheel afwezig. Klachten dus of ze wel of niet voor de subsidie in aanmerking kwamen.
Als de werknemer meer uren gaat werken of regelmatig overwerkt tegen een hoger tarief, kan het zomaar gebeuren dat er veel minder of helemaal geen subsidie wordt verstrekt. De werkgever bepaalt het gemiddeld uurloon door het totaal verdiende loon in het jaar te delen door het aantal verloonde uren. Dat totaal is inclusief overwerk, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, enzovoort. De wet verwijst naar het loon op de jaaropgave van de werknemer, dus niet naar het minimumloon! De verloonde uren zijn niet altijd gelijk aan de gewerkte uren. Immers, vakantie krijg je doorbetaald, maar je werkt niet.

Waaraan wordt het uurloon getoetst dat de werkgever uitbetaalt? Aan het gemiddeld uurloon op basis van 100 tot 125 procent van het wettelijk minimumloon. Volgens de website van de belastingdienst is dat op basis van een 40-urige werkweek gemiddeld 9,54 euro bij 100 procent van het wettelijk minimumloon en 11,92 euro bij 125 procent. Definitief wordt het uurloon pas in juli 2017 vastgesteld. Pikant is dat aanvankelijk uitgegaan werd van een 38-urige werkweek, vooruitlopend op de invoering van een wettelijk minimum uurloon. Maar dat komt er dus voorlopig niet, want de norm is in de Wet tegemoetkoming loondomein verhoogd naar 40 uur.

Momenteel gelden in cao’s verschillende minimum uurlonen, onder meer afhankelijk van de lengte van de standaard werkweek. Er zijn cao’s, waarin een 38-urige werkweek is afgesproken, maar ook 36 uur is mogelijk. Impliciet is dus de berekening van de belastingdienst voor de toekenning van het lage-inkomensvoordeel een verlaging van het wettelijk minimumloon als norm.

Boven- en ondergrens

Aanvankelijk gold dat inkomensvoordeel bij niet meer dan 120 procent van het minimumloon, maar dan zouden veel werkgevers buiten de boot vallen en werd het verhoogd naar 125 procent. Ook dan dreigen werkgevers buiten de subsidieregeling te vallen, omdat ze boven de 125 procent zitten. Ze krijgen dan het advies om met werknemers die wellicht net boven de 125 procent van het wettelijk minimumloon uitkomen, een andere beloningsvorm af te spreken. Bijvoorbeeld een deel van de jaarlijkse bonus omzetten in een werkkostenvergoeding.

Naast de genoemde bovengrens van de subsidieregeling, is er ook een ondergrens. En dat betekent dat in sommige gevallen het uurloon omhoog moet. Stel dat de werkgever op de loonstrook pensioenpremie inhoudt, dan kan de werknemer onder de benodigde grondslag uitkomen en loopt de werkgever het loonvoordeel mis. Daarvoor krijgt hij het advies om (in goed overleg met de werknemer) tijdelijk geen pensioenpremie in te houden of te compenseren. Of om aan eind van het jaar een eventuele compensatie te geven, als blijkt dat hij het loonvoordeel net misloopt.

Druk op vakbonden

Ook al staat de invoering van een wettelijk minimum uurloon voorlopig in de ijskast, de Wet tegemoetkoming loondomein bedient de werkgevers niet zo maar van een loonkostensubsidie. Druk op de vakbonden is nodig om verslechteringen van arbeidsvoorwaarden te accepteren. Hier aandacht voor enkele nieuwe cao’s.

In december 2015 volgde na jaren onderhandelen een akkoord over een cao voor de supermarkten dat wel het CNV tekende maar niet de FNV. Volgens Peter van der Put van FNV Handel pleegden de werkgevers symboolpolitiek met de afschaffing van het jeugdloon voor 22-jarigen. Hun aantal, zo bleek uit een enquête van FNV Young & United , was nihil; slechts 2 procent van de 1.600 respondenten was 22 jaar. Een grote meerderheid wees de cao af. De toeslagen voor werk in de avond of het weekend was afgeschaft. Velen hebben een oproepcontract van minder dan twaalf uur per week. Snippercontracten zijn de norm. Slechts een kwart van het personeel heeft nog een vaste aanstelling, een kwart is jonger dan 22 jaar, het einde van de jeugdlonen voor 22-jarigen kost Albert Heijn niets. Maar het management wil wel voor die loonkostensubsidie in aanmerking komen. Zo snijdt het mes voor de supermarkten aan twee kanten: geen onregelmatigheidstoeslagen meer en wel een loonkostensubsidie waar geen extra kosten tegenover staan.

IKEA sloot in juni 2016 een cao met de door het bedrijf opgerichte ‘vakbond’. Ook hier versobering en deels afschaffing van toeslagen voor onregelmatige werktijden, koopavonden en zaterdagen en een einde aan het jeugdloon voor 22-jarigen. Ook hier buiten de FNV om. IKEA en andere werkgevers lieten op verschillende momenten blijken van de onregelmatigheidstoeslagen af te willen. Ze noemen de regeling “hopeloos ouderwets”, niet passend bij de 24-uurs economie, iedereen doet ’s avonds en in de weekeinden boodschappen, de oude werkuren zijn uit de tijd.

Lage loonschalen

Maar er is meer. De wetgeving zit zo in elkaar dat werkgevers er alles aan zullen doen om voor de groepen die voor loonkostensubsidie in aanmerking komen, afspraken te maken onder de minimum cao-lonen. Oftewel een functieschaal tot 110 procent wettelijk minimumloon. Zo is een maximale subsidie mogelijk. Zo’n regeling is vastgelegd in de Grafimedia cao.

Het Sociaal Akkoord van staatssecretaris Klijnsma biedt hulp aan mensen met de allergrootste afstand tot de arbeidsmarkt, dus diegenen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Maar veel gehandicapten, zowel middelbaar als hoger opgeleiden, zijn prima in staat om het minimumloon te verdienen. Om die reden tellen zij niet mee voor de 125.000 banen die er volgens het akkoord voor 2026 moeten zijn. Werkgevers nemen 100.000 banen voor hun rekening, de overheid 25.000. Tot de doelgroep behoren mensen die onder de participatiewet vallen en niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen: Wajongers en mensen die voorheen werk kregen van de gemeente. In ruil hiervoor kunnen werkgevers loonkostensubsidie krijgen, een no riskpolis bij ziekte van de werknemer en job coaching.

De Grafimedia cao bevat de bepaling dat Wajongers met een vermogen tot arbeid en anderen van de participatiewet mogen worden betaald conform het wettelijk minimum(jeugd)loon, De berekening van het wettelijk minimumloon gaat uit van een 36-urige werkweek. Dus voor de doelgroep van de participatiewet wordt een uitzondering gemaakt. Maar over de cao zou wel eens opnieuw onderhandeld moeten worden, want op basis van een 36-urige werkweek komen sommige werkgevers niet in aanmerking voor het inkomensvoordeel.

Wanhopigen

Het banenplan van 125.000 biedt echter geen enkel soelaas. De afspraken gelden voor hooguit een kwart van de groep mensen met een arbeidsbeperking: degenen die het minimumloon niet halen. De bedrijven zullen buiten de doelgroep van het Sociaal Akkoord geen mensen met een arbeidsbeperking aannemen of alleen onder zeer slechte voorwaarden. En dat, terwijl de toestroom naar de participatiewet van arbeidsongeschikte jongeren nog op gang moet komen. Gebeurt dat, zal de Wajong grotendeels afgeschaft zijn en de Wet sociale werkvoorziening hervormd en ingeperkt. Resultaat: een groot contingent wanhopigen op de arbeidsmarkt die alle voorwaarden van de werkgevers moeten aanvaarden. Klijnsma heeft toegegeven dat de maatregelen uit het Sociaal Akkoord en de door haar ingevoerde, wettelijke maatregelen een gigantische verdringing op de arbeidsmarkt zullen betekenen met daarbij steeds slechter arbeidsvoorwaarden.

Wat te verwachten is, toont het succes van het bedrijf Flextensie dat op basis van inhuur werkt. Een werkgever kan bijstandsgerechtigden inhuren voor veelal tijdelijk werk. Zonder enige verplichting, behalve de betaling van een overeengekomen uurtarief aan Flextensie. Dat uurtarief, gebaseerd op het minimum uurloon plus werkgeverslasten, varieert van 11,75 tot 12 euro per uur, maar kan ook lager uitvallen, al naargelang de productiviteit van de werkende. De ‘werknemers’ ‘verdienen’ 1,5 tot 2 euro per uur, uitbetaald door Flextensie. Het bedrijf steekt ongeveer een derde van het inhuurtarief in eigen zak en wat resteert, gaat naar de gemeentekas als besparing op de uitkeringslasten. Met andere woorden: de werknemers worden geacht te werken zonder loon, arbeidsrechten, cao of baangarantie om zo een deel van de uitkering te bekostigen. Veel werklozen nemen dit aanbod voor lief. Al 500 gemeenten werken met dit bedrijf.

Race naar de bodem

Op 1 december 2016 deed de FNV een oproep om de race naar de bodem op de arbeidsmarkt te stoppen. John Kerstens, Tweede Kamerlid van de PvdA op de website van zijn partij: “En ik ben het daar hartgrondig mee eens. Daarom was ik vorige week vrijdag bijvoorbeeld op Schiphol, waar de FNV z’n campagne hierover aftrapte. Daarom strijden we schouder aan schouder met de vakbeweging voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt waarop collega’s niet elkaars concurrenten worden en niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar samenwerken. Een arbeidsmarkt waarop mensen niet als kostenpost worden gezien waarop je zoveel mogelijk bezuinigt, maar als het grootste kapitaal van een bedrijf waarin je juist investeert’.

Je moet maar durven. Dit verhaal zullen we in aanloop naar de verkiezingen nog vaak horen. En na de verkiezingen zal er onderhandeld worden over de hoogte van een wettelijk minimum uurloon.