Ga naar de inhoud

Leefgebied opgeofferd voor AI

Het verzet tegen datacenters zou kunnen uitgroeien tot een machtsstrijd in het centrum van de samenleving

9 min leestijd

(Door Nico Graack, uit AK 728 – 18 augustus 2026, vertaling socanta)

(Foto: Wat in de VS op veel plaatsen, zoals hier op het platteland van Kansas, al aan de orde van de dag is, zou binnenkort ook in de EU kunnen gebeuren: protesten tegen nieuwe datacenters. Wikimedia Commons/Catboy69, CC BY 4.0)

750 miljard Amerikaanse dollars. Zo veel zal OpenAI, het bedrijf achter ChatGPT, naar verwachting tot 2030 aan nieuwe datacenters spenderen. Dat zijn gigantische investeringen, maar met het oog op de waanzin op de internationale financiële markten in de afgelopen jaren zijn het relatief bescheiden bedragen. De »Magnificent 7« van de tech-branche, dus Nvidia, Microsoft, Apple, Amazon, Alphabet (Google), Meta (Facebook) en Tesla, hebben sinds de introductie van ChatGPT eind 2022 samen ongeveer 15 biljoen Amerikaanse dollars aan marktkapitalisering besteed.

Zelfs leidinggevende figuren uit de business zoals de OpenAI-CEO Sam Altman hebben het over een »AI-bubbel«, analoog aan de »Dotcom-bubbel« rond het jaar 2000. Want de investeringen op de financiële markten weerspiegelen alleen maar verwachtingen van toekomstige winsten, maar nog geen reële economische ontwikkelingen. Blijven die uit, dan dreigt een globale financiële crash, die de financiële crisis van 2008 in de schaduw zou kunnen stellen. Toch is de hoop nog overheersend, dat een van de tech-bedrijven met de ontwikkeling van een zogeheten kunstmatige algemene intelligentie de »AI-race« kan beslissen en het casino als grote winnaar verlaat. Voor een zogenaamde Artificial General Intelligence (AGI) zijn echter gigantische hoeveelheden aan rekenkracht noodzakelijk.

Naast de training en het onderhoud van taalmodellen gaat het in de AI-race ook om cloud-capaciteiten – dus rekenkracht die vooral door bedrijven voor hun software-diensten wordt gebruikt. In die branche is Amazon marktleider. De dochteronderneming Amazon Web Services (AWS) is in zekere zin het »besturingssysteem« van het internet. Talrijke bekende diensten zoals Netflix, Canva, Reddit, Airbnb of Pinterest zouden zonder AWS ondenkbaar zijn, en ook veel ondernemingen zoals Pfizer of BMW hebben grote delen van hun rekenkracht aan Amazon uitbesteed. In het bijzonder voor nieuwe IT-bedrijven is het gebruik van cloud-capaciteiten de standaard en AWS een van de eerste loketten.

Inhaalrace van de EU

De EU hinkt achter de globale AI-race aan. Dat wil zij veranderen. In juni stelde de Europese Commissie de »Cloud and AI Development Act« voor. Die zorgt ervoor dat lastige obstakels voor het bouwen van datacenters, zoals bijvoorbeeld milieubeschermingsregels, worden afgebroken om de rekenkracht in de EU in de komende vijf tot zeven jaar te verdriedubbelen.

Momenteel zijn datacenters met een vermogen van ongeveer 12,4 Gigawatt (GW) in bedrijf. Er moeten dus extra datacenters gebouwd worden met een capaciteit van 24,8 GW – dat is meer dan de piekbelasting van de meeste EU-landen. Het is alsof de EU nog 2,5 keer Oostenrijk aan het stroomverbruik zou toevoegen – of 25 keer Letland.

Alleen al in het eerste kwartaal van dit jaar zijn in de VS minstens 75 geplande datacenters stopgezet of uitgesteld.

Al in april had de Duitse regering haar eigen »Datacenter-strategie« gepresenteerd, die aangeeft dat de rekenkracht tot 2030 minstens verdubbeld moet worden. Dat leidt tot absurde projecten als het geplande »Energiepark« in het rustige dorp Schuby in Sleeswijk-Holstein. Daar zijn volgens de projectbeschrijving 1.400 Megawatt (MW) voor twee datacenters gepland. Ter vergelijking: Het grootste wetenschappelijke experiment ter wereld, het kernonderzoekscentrum CERN in Zwitserland met de grootste deeltjesversneller ter wereld, heeft een piekbelasting van 200 MW. Het Schuby-project komt dus overeen met het zevenvoudige van de piekbelasting van het CERN en is slechts een van de vele nieuwe datacenterprojecten.

De Duitse minister voor Digitalisering en Staatsmodernisering Karsten Wildberger maakte in zijn rede over de datacenter-strategie duidelijk, dat men zich onder andere op de VS oriënteert: »Internationaal gezien moeten we duidelijk sneller en groter worden. China en de VS opereren in totaal anderen dimensies.« De dimensie van de geplande projecten klopt in ieder geval. Daarom is het de moeite waard om naar de VS te kijken, om te begrijpen wat projecten van dergelijke omvang betekenen.

Succesvol verzet in de VS

Volgens het Amerikaanse initiatief in de VS Data Center Watch protesteren ondertussen honderden groepen in 49 van de 50 Amerikaanse staten tegen de bouw van nieuwe en deels ook tegen bestaande in bedrijf zijnde datacenters. Onder hen bevinden zich milieu- en klimaatactivistes/n en linkse tech-critici, maar ook conservatieve politici, bezorgde omwonenden en techniek-sceptici.

En dit ongewone conglomeraat is behoorlijk succesvol. Alleen al in het eerste kwartaal van dit jaar werden minstens 75 geplande datacenters gestopt of vertraagd. In 14 Amerikaanse staten werden zowel door de democraten als ook door de republikeinen moratoriumsvoorstellen in de parlementen aan de orde gesteld. New York besloot kortgeleden als eerste staat per Executive Order tot zo’n moratorium. In meerdere lokale verkiezingen bleek het geven van steun aan nieuwe datacenters een belangrijk struikelblok voor kandidates/n te zijn.

Hoe komt het, dat het thema datacenters in tijden van hoog oplopende polarisering maatschappelijke kloven overwint en verkiezingen beslist? De kritiek barst niet alleen los vanwege het gigantische stroomverbruik, die regionale stroomnetten overbelast en de stroomprijs de hoogte in jaagt, maar ook vanwege het niet minder catastrofale waterverbruik voor de koeling van de systemen. Een systeem met een vermogen van maar één MW verbruikt jaarlijks ruim 25 miljoen liter water. Bij een normaal systeem van 200 MW zijn dat jaarlijks vijf miljard liter. Droge regio’s worden zo met ernstige problemen bij de watervoorziening geconfronteerd.

Daarbij komt de immense warmteafgifte, die dergelijke systemen veroorzaken en die vaak niet in de lokale verwarmingsnetwerken opgenomen wordt. Bovendien is er kritiek op de belastingvoordelen, die de tech-ondernemingen krijgen, zodat ze zich in een bepaalde regio vestigen. Daarmee vervalt vaak een van de twee belangrijkste argumenten van de exploitanten, namelijk dat de bevolking zou profiteren van belastinginkomsten. Even vaak ontpopt zich het andere centrale argument – datacenters zouden arbeidsplaatsen creëren – als zeepbel: De meeste banen ontstaan tijdelijk tijdens de bouw. Duurzaam worden er meestal maar enkele tientallen banen gecreëerd.

Zonder overdrijving kan gezegd worden: Grote datacenters maken de regio’s waarin ze gebouwd worden, tot dat wat men oorspronkelijk in de context van nucleaire tests en later vooral in de context van neokoloniale mijnbouw- en oliewinningsprojecten »opofferingszones« noemde. Gebieden, die voor een bepaald maatschappelijk doel opgeofferd zouden moeten worden. Daar worden gigantische hoeveelheden stroom verbruikt, het grondwater weggepompt en de lokale bevolking achtergelaten te midden van barre droogte en lawaaiige, veel te hete industriehallen. Door de datacenters breiden de opofferingszones zich nu niet meer alleen in het globale zuiden uit, maar ook in het westen zelf.

De EU wil alleen maar haar eigen tech-feodale heren creëren

In dit spel wil de EU nu mee gaan doen en verdedigt dat met »digitale soevereiniteit«: De in Europa gebruikte IT-voorzieningen moeten volledig onder Europese controle staan. Het zou inderdaad de hoogste tijd zijn, dat centrale IT-diensten van overheidsinstanties, universiteiten, ziekenhuizen en dergelijke niet meer van de willekeur van Amerikaanse tech-bedrijven afhankelijk zijn.

Maar zelfs voor de lokale politici, die zich voor het project »Energiepark Schuby« hard maken, is het niet duidelijk met welke investeerders ze zich inlaten. Er is bijvoorbeeld contact met een grote onderneming uit de VS. Die verloopt volgens het vanuit de VS bekende patroon, waar lokale overheden geheimhoudingsverklaringen ondertekenen die overwegend in het voordeel van investeerders zijn. In het geval van Schuby is er tussen de lokale politiek en de exploitanten van de geplande systemen nog een projectfirma geplaatst, die geen informatie geeft over de investeerders waarmee zij de gesprekken voert.

Digitale soevereiniteit – voor wie?

De centrale vraag is: Wie wordt er precies bedoeld, als het over de »digitale soevereiniteit« gaat die versterkt moet worden? Betreft het de publieke infrastructuur en de particuliere eindgebruikers? Nee. Uiteindelijk gaat het in het beste geval om de Europese tech-bedrijven, en die zitten vrijwel alleen in de twee landen die in de EU de toon aangeven: Frankrijk en Duitsland. Ondernemingen als het Franse Mistral AI, het Duitse Aleph Alpha of het bij de Schwarz-Gruppe rond Lidl en Kaufland behorende Stackit ruiken in de terechte zorgen over de afhankelijkheid van Amerikaanse concerns hun kans om de Europese markt over te nemen.

In plaats van »soevereiniteit« draait de EU-strategie er eerder op uit, dat een eigen, inderdaad »Europese« vorm van dat wordt gecreëerd, wat de Franse econoom Cédric Durand als »techno-feodalisme« beschrijft: de sociaal-economische dominantie van een paar tech-ondernemingen, die van gebruikers cloud-slaven maken. De EU wil daarmee simpelweg haar eigen feodale tech-heersers in het zadel helpen. Ze streeft ernaar om een »wij-gevoel« te creëren, volgens het motto: »Wij« moeten ons tegen de macht van de VS opstellen. In de VS zelf ziet de kwestie er ondertussen al totaal anders uit: De datacenters worden gezien als iets, dat »zij« – bedoeld zijn de tech-ondernemingen in samenwerking met de politiek – »ons« aandoen.

Daarbij zou de EU zeker wel de kans hebben om te laten zien dat het ook anders kan: publieke infrastructuur voor nauwkeurig bepaalde doelen en open-source software in plaats van afhankelijkheid van private ondernemingen. De conflicten rond datacenters zouden een kristallisatiepunt van centrale maatschappelijke machtsvragen kunnen worden. Voor links is het daarom belangrijk om dit conflictterrein vroegtijdig te bezetten en het niet aan rechtsen over te laten. Die zouden de cultuur-conservatieve algehele afwijzing van »technologie« met de legitieme belangen van lokale gedupeerden kunnen verbinden en tot een alomvattende dynamiek tegen de »waanzin van de elites« ontwikkelen.

De ervaringen uit de VS laten zien, dat er voor het protest minstens vier dingen nodig zijn: Ten eerste informatie-bijeenkomsten en het organiseren van protesten in de getroffen gemeentes (bv. in de nabije toekomst aan de Duitse noordzeekust), ten tweede het in een vroeg stadium netwerken met andere vestigingsplaatsen, ten derde ondogmatische communicatie die niet direct het hele grote vat van klimaat opentrekt, en ten vierde een vroegtijdige politieke confrontatie met rechtse groepen.

Nico Graack

is onafhankelijk auteur en filosoof. Hij werkt aan het “Institut für Philosophie, Psychoanalyse und Kulturwissenschaften” in Berlijn en is actief in verschillende klimaatcontexten.