Het regime veranderen of het onderwerpen
Je moet een zeer selectief geheugen hebben om in de ontvoering van de Venezolaanse president Nicolás Maduro en zijn vrouw op 3 januari jongstleden Washingtons “terugkeer” te zien naar een “imperialistisch” beleid. Het imperialistisch beleid van de VS is sinds 1945, zo niet sinds 1918, nooit weg geweest.
(Foto: WikiMedia Commons)
Persorganen die aan de Verenigde Staten plots het epitheton ‘imperialistisch’ toevoegen terwijl ze dat tot nu toe exclusief voorbehielden aan Rusland, hebben iets vals-naïefs. Om ons te beperken tot de periode na de Koude Oorlog: onder het presidentschap van George H. W. Bush (1989 – 1993) keerde Washington al terug naar grootschalige militaire operaties. Die kwamen er na vele jaren van “Vietnam-syndroom”. Grootschalig toeslaan werd in 1989 opnieuw gelanceerd door een zogenaamde antidrugoperatie. In een flagrante schending van het internationaal recht vielen de VS Panama binnen en ontvoerden er de zittende dictator Manuel Noriega.
De Panama-operatie maakte de weg vrij voor een nieuwe cyclus van Amerikaanse interventies. Die bereikten hun hoogtepunt met de invasie van Irak in 2003 onder het presidentschap van een andere Bush, de zoon van de eerste. Na de aanslagen van 11 september 2001 volgde de dubbele bezetting van Irak en Afghanistan. Beide interventies eindigden in een moeras, waaruit de Verenigde Staten zich slechts met grote moeite konden bevrijden. Washington trok zich in 2011 terug uit Irak en tien jaar later ook uit Afghanistan.
Deze twee grote mislukkingen – vooral die in Irak, gezien het veel grotere belang van de inzet en de veel grotere middelen die de VS hadden ingezet – zorgden voor een nieuw “Vietnam-syndroom”. De lessen uit de ervaring in Zuidoost-Azië werden door de regering van George W. Bush bewust genegeerd. Die lessen luidden: vermijd elke langdurige bezetting; beperk je doelstellingen; sla meteen, massaal en gedurende korte tijd toe en geef de voorkeur aan bombardementen boven grondtroepen. Na het débacle in Irak, kregen ze een nieuwe impuls.
Bush’ opvolger, Barack Obama, ging er prat op zich tegen de invasie van Irak te hebben verzet. Hij brak alle records op het gebied van aanvallen op afstand, met name met behulp van drones. Ook Donald Trump waagde zich tijdens zijn eerste ambtstermijn niet aan een andere aanpak en Joseph Biden zette de traditie voort die was ingesteld door de man voor wie hij als vicepresident had gediend 1.
“De top uitschakelen, de rest intact laten”
Wat is er dan nieuw aan de internationale piraterij van Trump in Venezuela? Men zag het als een terugkeer naar het beleid van regime change (“regimeverandering”), dat men sinds het Iraakse fiasco had opgegeven. Maar dat is een verkeerde interpretatie, zowel van de betekenis van de uitdrukking als van het beleid van de Amerikaanse president. De uitdrukking verwijst vooral naar de bezetting van Irak. Ze was erg populair tijdens de eerste ambtstermijn van George W. Bush. Zijn regering bulkte immers van neoconservatieven, voornamelijk in het ministerie van Defensie. Zij riepen op om te breken met een lange traditie van “realistisch” beleid dat dictaturen accepteerde – zelfs moorddadige – zolang ze maar de belangen dienden van de Verenigde Staten.
Maar nu de Koude Oorlog voorbij was, moest Washington de daad bij het woord voegen door democratische veranderingen op wereldschaal te bevorderen. De regime change in Irak moest gepaard gaan met nation building: de opbouw van een nieuwe staat onder toezicht van de Verenigde Staten. Er moest een bezettingsmacht komen, naar het voorbeeld van wat na 1945 in West-Duitsland en Japan was gebeurd. Irak moest het uithangbord worden van democratische veranderingen in het Midden-Oosten. De kracht van het voorbeeld, in combinatie met de druk van de Verenigde Staten, zou andere staten in de regio ertoe aanzetten dit deugdzame model na te volgen. Washington dacht eindelijk een wereld naar zijn evenbeeld te kunnen creëren.
Het spreekt voor zich dat dit vooruitzicht niet in de smaak viel bij de autocratische regimes in het Midden-Oosten. En zeker niet bij Washingtons vazalstaten. Zij hadden immers al lang geprofiteerd van de “realistische” houding van de Amerikaanse president ten opzichte van hun despotisme. Zij begonnen dan ook een strijd tegen de neoconservatieven binnen de regering-Bush. Met de steun van het ministerie van Buitenlandse Zaken en van de Central Intelligence Agency (CIA) probeerden (vooral) de Saoedische leiders de VS-president ervan te overtuigen zijn ambitie te temperen om het regime in Bagdad radicaal te hervormen. Samen met de Iraakse CIA-man Iyad Allaoui, stelden zij Bush voor om de legerleiding te paaien. Die zou hen kunnen helpen Saddam Hoessein omver te werpen en Irak een nieuwe koers laten varen; een koers die de regionale belangen van de VS beter zou dienen. 2 “Ons idee was om de top van de macht te elimineren en de rest van het regime intact te laten,” vatte Allaoui samen. 3
De lessen van Irak hebben de principes van het ‘Vietnam-syndroom’ nieuw leven ingeblazen: vermijd langdurige bezettingen, sla kort en krachtig toe en kies voor bombardementen boven grondtroepen
Toen de Iraakse bondgenoten van de neoconservatieven, onder leiding van Ahmed Chalabi, lucht kregen van die zaak, sloegen ze alarm in de media. Ze beschuldigden een Arabisch-Amerikaanse kliek ervan het “Saddamisme zonder Saddam” te willen voortzetten. Met de steun van de Britse premier Tony Blair kreeg de regering van George W. Bush internationale steun voor de invasie van Irak in 2003. Binnen die regering speelden neoconservatieve beleidsmakers een invloedrijke rol bij het pleiten voor regimeverandering.
Na de val van Saddam Hussein werd een beleid van de-Ba’athificatie gevoerd, bedoeld om leden van de Ba’ath-partij uit staatsinstellingen te verwijderen. Dat beleid werd door sommigen vergeleken met de denazificatie in Duitsland na 1945. In de praktijk leidde het echter tot het massaal uitsluiten van ervaren bestuurders en militairen, wat bijdroeg aan bestuurlijke ontwrichting en veiligheidsproblemen.
De ontbinding van het Iraakse leger en de machtsverschuiving naar sjiitische partijen – waarvan sommige nauwe banden hadden met Iran – versterkten de regionale invloed van Teheran. Tegelijkertijd ontstond in soennitische gebieden gewapend verzet tegen de Amerikaanse aanwezigheid en de nieuwe Iraakse machtsstructuur. Binnen die opstand werd Al-Qaeda in Iraq een van de belangrijkste jihadistische actoren.
De Iraakse politicus Ahmed Chalabi, die aanvankelijk door Washington werd gesteund, verloor in 2004 veel van die steun na beschuldigingen van nauwe contacten met Iran. In de daaropvolgende jaren verminderde de invloed van prominente neoconservatieve figuren binnen de Amerikaanse regering. In 2006 nam het Amerikaanse Congres maatregelen die gericht waren op een geleidelijke terugtrekking van Amerikaanse troepen, waarmee de nadruk verschoof van democratische hervormingsambities naar stabilisatie en exitstrategie.
Onder de noemer de “les van Irak” zou men het ontmantelen van het Iraakse staatsapparaat als dé fatale fout omschrijven. Dat staatsapparaat had juist behouden moeten blijven om het land te kunnen besturen. Weg met plannen voor democratisering-met-de-harde-hand! Obama probeerde democratisering door te voeren van onderaf. Hij probeerde de opstanden van de “Arabische lente” te begeleiden met de hulp van Qatar. Hij hoopte dat ze door de Moslimbroederschap zouden worden overgenomen. Maar ook dit ‘andere beleid’ mislukte, met name door de herovering van de macht in Egypte door het leger in 2013. Dat gebeurde met de steun van Riyad en tegen de wil van Washington.
Alleen de weg die de Saoedische leiders vóór de bezetting van Irak hadden bepleit, bleef nu nog over: wanneer er grote belangen op het spel staan, is het beter de bestaande regimes te dwingen zich aan de wensen van Washington te conformeren dan te proberen ze omver te werpen en daarmee chaos te riskeren.
Donald Trump heeft lering getrokken uit Irak: in plaats van regimes omver te werpen, geeft hij er de voorkeur aan de zittende leiders te dwingen zich naar de Amerikaanse belangen te voegen; zie Venezuela
Deze les is Trump niet ontgaan. Hij reageerde op het Iraakse fiasco door het gebruik van geweld te bepleiten om de olievoorraden van het land te verwerven. Hij deed dat op een manier die kenmerkend zou worden voor zijn tweede ambtstermijn. In 2011, het laatste jaar van de Amerikaanse bezetting van Irak, uitte hij scherpe kritiek op Obama. Die had het land verlaten zonder de olievoorraden in handen te hebben genomen. Trumps boek Time to get Tough (Tijd om hard op te treden, 2011) ging zijn toekomstige presidentscampagne vooraf. In een hoofdstuk getiteld “Take the Oil” en een paragraaf getiteld “To the Victor Belong the Spoils” (De buit is van de Overwinnaar) behandelde Trump Irak. 4 Hij legde erin uit dat de Verenigde Staten zich de Iraakse olie had moeten toe-eigenen, maar dat ze er een percentage van aan Irak hadden moeten overlaten om te vermijden dat Iran zich ermee zou bemoeien. Trump gebruikte onlangs hetzelfde argument om zijn plannen met Venezuela en Groenland te rechtvaardigen. Die landen worden volgens hem allebei bedreigd door Chinese en Russische overheersing.
Trump, was dus zeer kritisch geworden over regime change onder het mom van democratie en trok hieruit zijn conclusies. Tijdens zijn eerste ambtstermijn onderhandelde hij met de Taliban over de terugtrekking van de Verenigde Staten uit Afghanistan. Die werd nadien onder het presidentschap van Biden op de bekende, rampzalige wijze beëindigd. Geïnspireerd door de lessen uit Irak, knoopte zijn regering in 2018 banden aan met Venezolaanse militairen die een staatsgreep in Caracas voorbereidden. 5 Geen bezwaar dat deze militairen op een lijst stonden van personen die door Washington werden beschuldigd van misdaden en betrokkenheid bij drugshandel. Deze eerste poging tot staatsgreeep werd in de kiem gesmoord. Een tweede poging mislukte in april 2019, omdat noch de rest van het leger, noch de bevolking konden worden gemobiliseerd.
Trumps beleid is gebaseerd op een alliantie met autoritaire regimes en op een openlijke onverschilligheid ten aanzien van de mensenrechten, als de Amerikaanse belangen maar voorop staan
Een sleutelfiguur in de mislukte opstand was Manuel Ricardo Cristopher Figuera, directeur-generaal van de Nationale Bolivariaanse Inlichtingendienst (Sebin). Hij was in februari 2019 nog door Washington onder sancties geplaatst op beschuldiging van “massale marteling, massale schendingen van de mensenrechten en massale vervolging van degenen die democratische verandering willen in Venezuela.” 6 Na de mislukte staatsgreep vond Cristopher Figuera echter vlotjes een toevlucht in de Verenigde Staten. De maatregelen tegen hem werden natuurlijk meteen opgeheven. De mislukte staatsgreep was echter een bittere pil voor Trump. Hij was immers door het team van zijn eerste ambtstermijn aangespoord om Juan Guaidó, de voorzitter van de toen door de oppositie gedomineerde Nationale Assemblee, in naam van de democratie te erkennen als interim-president van Venezuela. Deze mislukking versterkte dan ook zijn afkeer om zich nog op de democratische zaak te beroepen.
Vorig jaar koos Trump opnieuw het Koninkrijk Saoedi-Arabië uit voor het eerste politieke buitenlandse bezoek van zijn tweede ambtstermijn. Hij had scherpe kritiek op het idee om in het Midden-Oosten democratie in te voeren. Tegelijk beweerde hij geen voorstander te zijn van het gebruik van geweld. Die ijdele retoriek, in combinatie met zijn pretenties als ‘vredestichter’ die de Nobelprijs ambieert, wekte allicht een verkeerde indruk. Hij werd gezien als een isolationist, een politieke tendens geassocieerd met een traditionele stroming van extreemrechts in de VS, of zelfs met pacifisme. Trump heeft zich echter altijd geprofileerd als een “harde” die, in tegenstelling tot Obama, niet aarzelt om toe te slaan wanneer dat nodig is. Iets wat hij overigens ook deed in zijn eerste ambtstermijn – met name in Syrië en Irak – en in zijn tweede ambtstermijn al veel vaker. De lijst van landen waar de Verenigde Staten sinds januari 2025 bombardementen hebben uitgevoerd, is indrukwekkend: Jemen, Somalië, Irak, Iran, Syrië en Nigeria en Venezuela.
De les van Irak staat centraal in Trumps aanpak
In tegenstelling tot de reputatie van onvoorspelbaarheid die hij cultiveert, is het imperialistische beleid van Trump helemaal niet onsamenhangend. Het wordt bepaald door zijn perceptie van de materiële en strategische belangen van de VS, én door zijn eigen belangen en die van zijn familie. De les van Irak staat centraal in zijn aanpak. Dat blijkt duidelijk uit wat hij in Venezuela aanricht. Hij doet niet eens meer alsof hij daar de democratie bevordert. Hij eist geen vrije verkiezingen. María Corina Machado, een figuur van de Venezolaanse oppositie (en winnares van de laatste Nobelprijs voor de Vrede, vert.), die door de meeste westerse hoofdsteden wordt gesteund, krijgt van hem geen enkele rol toebedeeld.
Trump maakt gebruik van de contacten die zijn regering heeft gelegd binnen de regering van Maduro. Het gaat daarbij o.m. om vicepresident Delcy Rodríguez, die nu “waarnemend” president is geworden. Hij is ervan overtuigd dat de Venezolaanse regering na zijn machtsvertoon geen andere keuze heeft dan aan zijn eisen te voldoen. Het volstaat immers voortdurend te dreigen met nieuw geweld en de economische wurggreep op het land tot het uiterste te blijven doorvoeren. Ongetwijfeld denkt hij ook aan de belangen van Chevron, de belangrijkste Amerikaanse oliemaatschappij in Venezuela, en aan andere van zijn bondgenoten. 7 James Michael Johnson, de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, vatte het voor de televisiecamera’s treffend samen: “Het gaat er niet om regimes te veranderen, het gaat erom het gedrag van regimes te veranderen.” 8 Diezelfde benadering bepaalt de houding van Trump ten opzichte van Cuba en Iran. Beide landen worden onder druk gezet om “een akkoord [met hem] te sluiten”.
“Het gaat er niet om regimes te veranderen, het gaat erom het gedrag van regimes te veranderen. (J. M. Johnson, Republikeins congreslid)
Het imperialistische beleid van Trumps tweede ambtstermijn combineert een cynisme (dat sommigen “eerlijkheid” noemen) 9 met brute kracht ten dienste van zijn wereldvisie. Daarin spelen zowel suprematie (“America First”) als Lebensraum een belangrijke rol. Men spreekt dan ook ondertussen van de “Donroe-doctrine” 10, een nieuwe variant van de Monroe-doctrine die van het hele Amerikaanse continent het jachtgebied maakt van de Verenigde Staten. Als Trump zich niet – zoals zijn voorgangers – presenteert als een verdediger van democratie wereldwijd, betekent dat echter niet dat hij andere landen ongemoeid wil laten. Integendeel: hijzelf en lde eden van zijn regering, waaronder vicepresident JD Vance, spreken openlijk hun steun uit voor ideologisch verwante politieke leiders in andere landen. Dat deed hij recent nog met betrekking tot de Argentijnse president Javier Milei, die hij publiekelijk steunt. Eerder gaf hij ook retorische steun aan de Braziliaanse ex‑president Jair Bolsonaro, hoewel die laatste geen formele politieke rol meer vervult in Brazilië.
Gilbert Achcar is emeritus hoogleraar aan de School of Oriental and African Studies (SOAS), Universiteit van Londen. Hij is de auteur van Gaza, génocide annoncé. Un tournant dans l’histoire mondiale (Gaza, aangekondigde genocide. Een keerpunt in de wereldgeschiedenis), La Dispute, Parijs, 2025.
In samenwerking met Le Monde Diplomatique, Februari 2026. Het artikel werd vertaand door Jan Reyniers
- Zie: « Moins de troupes, plus de drones », Le Monde diplomatique, november 2021.
- Deze besprekingen werden vijf maanden na de invasie van Irak onthuld door een onderzoek van de New York Times: Douglas Jehl met Dexter Filkins, “After the war: Covert operations. US moved to undermine Iraqi military before war”, The New York Times, 10 augustus 2003.
- Geciteerd in hetzelfde artikel.
- Donald J. Trump, Time to Get Tough: Making America #1 Again, Regnery Publishing, Washington, DC, 2011, heruitgegeven in 2016 voor de presidentscampagne met de wijziging van de ondertitel in Making America Great Again, en vervolgens in 2024 met een voorwoord van de extreemrechtse publicist Stephen Bannon.
- Ernesto Londoño en Nicholas Casey, “Trump administration discussed coup plans with rebel Venezuelan officers”, The New York Times, 8 september 2018.
- US Department of the Treasury, “Treasury sanctions officials aligned with former president Nicolas Maduro and involved in repression and corruption”, 15 februari 2019.
- Malcolm Moore en Jamie Smyth, “Donald Trump’s first Venezuela oil sale deal goes to megadonor’s company”, Financial Times, 16 januari 2026.
- “This is not regime change but change of behavior of a regime”, opmerking gemaakt op 3 januari in antwoord op een vraag over de ontvoering van Nicolás Maduro.
- “The radical honesty of Donald Trump”, The Economist, Londen, 7 januari 2026.
- “Donroe” is een samentrekking van ‘Donald’ (Trump) en (James) “Monroe”.