Ga naar de inhoud

Een aangekondigde ramp in Oost-Europa

Hongarije is het eerste Europese land dat steun vroeg van het IMF, in december 2008, en werd daarin weldra gevolgd door Letland, Oekraïne en Roemenië. Op het programma stonden structurele aanpassingen, soberheidspolitiek en privatiseringen. Deze crisis moet men in een lange-termijnperspectief zien.

15 min leestijd

(Deze vertaling verscheen oorspronkelijk verschenen bij Ander Europa foto Daniel Antal/flickr)

De economieën in het centrum van Europa [1] zijn verwoest. De “overgang” naar het kapitalisme zal er rampzalig zijn want zij zal een industriële woestijn achterlaten. Aan de periferie van de Europese Unie (EU) is de teloorgang nog versterkt door de economische crisis vanaf 2007-2008. De socio-economische situatie is dus tragisch. Sinds de jaren 1970-1980 [2] is de inschakeling van de 19 of 20 landen van Centraal-Europa in het wereldkapitalisme een dramatische mislukking geworden, behalve voor het kapitaal. Uit een recent artikel in de ‘Financial Times’ [3] blijkt dat gedurende de laatste vijfentwintig jaar, die de ‘overgang’ zouden moeten gevormd hebben, niet één van de landen van Centraal- en Oost-Europa (LCOE) de EU heeft kunnen bijbenen. Het is opvallend dat een financieel blad, gekend voor zijn pro-kapitalistische oriëntatie, eindelijk gewag maakt van deze stand van zaken.

Afgezien van Rusland, stellen deze ex-communistische of ex-sovjet landen ongeveer 200 miljoen verbruikers voor, en een honderd miljoen arbeiders. Een aanzienlijk deel ervan maakt voortaan deel uit van de EU en bevindt zich aldus aan haar periferie. De uitbreiding van de NAVO tot deze staten of de aanwezigheid van Amerikaanse politie of het Amerikaans leger in vrijwel elk van deze landen moet gezien worden als een waarborg voor de plaatselijke elites en de reeds genomen of nog te nemen controleparticipaties door de multinationale ondernemingen. Sinds een kwarteeuw steken de EU, het IMF, de Wereldbank e.a. er hun gebruikelijke ideologische redevoeringen af, subsidiëren er de multinationals en leggen er hun gekende financiële dwang op.

De halve cirkel aan de periferie

De integratie waarover het gaat betekent het geleidelijk opgeven van de handelsbetrekkingen met de ex-Sovjet-Unie. Met betrekking tot het oosten van de Sovjet-Unie waren de LCOE tamelijk ontwikkeld, terwijl zij zich nu bevinden aan de semi-periferie van West-Europa, dus van het ontwikkeld centrum van de EU. Zij zijn er niet alleen. Omwille van andere redenen bevinden de mediterrane EU-landen zich in een gelijkaardige situatie: Griekenland, Italië, Spanje en Portugal, waaraan ook Ierland mag toegevoegd worden. Geografisch vormen zij een halve cirkel onder de vorm van een grote U.

Wat het begrip “centrum-periferie” betreft, verwijzen wij in het bijzonder naar Fernand Braudel en Immanuel Wallerstein, die de socio-economische geschiedenis van de wereld beschrijven als een opeenvolging door de eeuwen heen van “wereldeconomieën” [in het Frans: économies-monde, noot van de vertaler]. Deze “wereldeconomieën” zijn gebaseerd op een centrum, met daaromheen een semi-periferie, een tussenzone rondom de heersende naties, die socio-economisch van het centrum afhangt, en in ons geval dus overeenkomt met de LCOE, en een periferie, een zone van nog meer uitgesproken afhankelijkheid en onderontwikkeling ten opzichte van het centrum.

De kapitalistische ‘centra’ verplaatsen zich tijdens de geschiedenis en versterken zich voortdurend. Bijgevolg veranderen ook de periferieën regelmatig van aanhorigheid. Voor het ogenblik wordt het centrum van de EU ongetwijfeld gevormd door Duitsland, de Beneluxlanden, Frankrijk en enkele landen in het Noorden. Anderzijds staat de G20 [4] in voor ongeveer 90% van het mondiaal BBP, en bevat meerdere centra (Brussel, Washington, Beijing, Moskou…). De semi-periferieën en periferieën worden gevormd door de rest van de landen, rond hun respectievelijke centra.

WallersteinsTheoryZodra de sovjetwereld teloor ging, was de geo-economische inzet van de verschillende LCOE een mooie illustratie van de twee facetten van het geïnternationaliseerd kapitalisme : de plaatselijke ondernemingen verwerven en beheren, en de verbruikersmarkt domineren. In deze landen heeft de strategie van de multinationale ondernemingen tot gevolg gehad de helft tot drie vierden van de plaatselijke industrieën te sluiten en met hun eigen merken de heersende welgestelde klasse te bevoorraden.

Dit alles geschiedt in het raam van liberalisering, massieve deregulering, en met een overvloedige privatisering ten koste van de betrokken bevolking [5]. In de LCOE komt meestal een privaat nationaal of internationaal monopolie in de plaats van een overheidsmonopolie, zonder enige garantie op parlementaire of democratische controle. Alle waarnemers hebben vastgesteld dat de aanschafprijzen zeer bescheiden waren, zoniet belachelijk laag, dank zij de medeplichtigheid van de lokale regeerders. Daarenboven werd de afgedongen prijs betaald via listen zoals de inbreng van patenten, van handelsfondsen of nepschulden, waarvan de werkelijke waarde quasi nul was of simpelweg fictief, in plaats van door cash geld.

In de meeste LCOE is de lopende rekening negatief sinds de jaren 1980, zodat de stijgende buitenlandse schuld onrustwekkend blijft, tot groot jolijt van de banken. Daar zijn verschillende redenen voor. Enerszijds trekken de multinationale ondernemingen in stijgende mate hun winsten uit die landen terug [6] door de techniek van de ‘transferprijzen’ [7]. Anderszijds is de buitenlandse schuld (publiek maar vooral privé) zo groot dat, wat de economische groei ook zij, de economieën zullen terugvallen onder de schuldenlast. Tenslotte zal de zware herbewapening, onder druk van de NAVO, door bestellingen aan de multinationale ondernemingen eenzelfde gevolg hebben.

Tijdens de jaren 1980-1990 neemt er een belangrijke verkoop van activa (fabrieken, laboratoria, mijnen, openbare diensten, handelsnetwerken, enz.) plaats ten voordele van het buitenland om op deze manier de handelsbalans in evenwicht te houden. Sommige landen zijn erin geslaagd zich niet verder meer in schulden te steken, en zelfs schulden terug te betalen, terwijl anderen de schuldtoename hebben kunnen remmen. De landen bereiken de grens van wat fysisch mogelijk is om te “privatiseren”: “de familiejuwelen” zijn onherroepelijk van de hand gedaan, en er blijft niet veel over om te verkopen. En … de buitenlandse schuld gaat opnieuw de hoogte in.

Wat is het gevolg van deze strategie?

Zo kom ik tot mijn eerste vrij pessimistische conclusie: de betalingscrisissen zullen zich waarschijnlijk vermenigvuldigen in de LCOE. De “internationale instanties”, met het IMF op kop, raden natuurlijk “de liberalisering van de arbeidsmarkt” aan en nog meer privatiseringen. Men mag zich afvragen of er nog werkomstandigheden overblijven die kunnen, en of er nog iets kan van de hand gedaan worden. Dit zijn duidelijke de nieuwe signalen van de “ontwikkeling van de onderontwikkeling” in de LCOE, aan de periferie van de EU. Het is in dit verband opmerkenswaardig dat de LCOE die minder hebben geprivatiseerd en geliberaliseerd, zoals Slovenië en de Tsjechische Republiek in de EU, en Wit-Rusland (Belarus) erbuiten, er relatief beter uitkomen. Zelfs in de periferie zijn er dus verschillende beleidsvormen mogelijk.

De gemiddelde levensstandaardvan de LCOE die, op het einde van de jaren 1980, ongeveer de helft van deze van de EU bedroeg, heeft, ondanks de hoogdravende beloften, de EU niet kunnen bijbenen, behalve in twee of drie van de vernoemde gevallen. Het tegendeel is waar: de grote meerderheid ervan heeft gedurende de laatste kwarteeuw een teruggang gekend [8]. Door de bezuinigingsgolven en de regressie blijven de vooruitzichten voor de LCOE slecht. Daar komt nog de dramatische toename bij van de ongelijkheid qua vermogen en inkomen. Hoewel elke geconstateerde groei te wijten was aan de verbetering van de arbeidsproductiviteit, werd deze enkel vertaald in de verrijking van de sociale bovenlaag en de verarming van de meerderheid.

In feite ging de meerderheid van de LCOE, dank zij de industrialisering en de verstedelijking, sinds de jaren 1960 traag maar gestaag naar meer sociaal welzijn. Maar de inlijving in het kapitalistisch systeem vanaf de jaren 1980 heeft tot een desindustrialisering en tot een zwaar verlies aan arbeidsplaatsen geleid. Om dit beter te verstaan, kunnen wij een voorbeeld aanhalen dat wel zeer sprekend is voor de belgische lezers en lezeressen. De Hongaarse bevolking is ongeveer even groot als de Belgische, rond de 10 miljoen. Ten gevolge van de privatiseringen en het verdwijnen van vele industrieën gingen er 1,7 miljoen arbeidsplaatsen verloren in Hongarije, in vijf jaar tijd, van 1990 tot 1995. Anderzijds verloor België door de desindustrialisering een half miljoen arbeidsplaatsen sinds de Tweede Wereldoorlog, dus op vijftig jaar tijd !

Het is juist dat men geleidelijk aan een miljoen Hongaarse arbeiders terug aan het werk gezet heeft rond 2000. Zevenhonderdduizend arbeiders, voornamelijk arbeidsters, zijn echter terug naar hun haardstee gezonden. Vele gezinnen konden niet meer in de steden blijven wonen en dit, des te meer aangezien het land een forse teruggang van de sociale zekerheid heeft gekend vanaf 1989. Velen zijn dus teruggekeerd naar het platteland, waar zij of hun ouders geboren waren. Het gezinsinkomen staat sindsdien onder druk, omdat wie terug aan werk geraakte het met minder loon moet doen, en omdat vrouwen voorheen inkomen moesten derven. Ook de niet-indexering van de lonen doet het reële inkomen dalen. Dit heeft voor praktisch alle LCOE volgende drie consequenties.

Enerszijds hebben de meeste gezinnen gedurende de jaren 1990 hun levenspeil zien dalen met 25 tot 65%, naargelang van het land, en dit zonder werkelijke aanpassing sindsdien. Anderzijds is de toestand sterk verslechterd met de crtisis sinds 2008. Tenslotte ondergingen de belastingsinkomsten ook een ernstige daling tijdens deze decennia, des te meer omdat zekere LCOE een vrij lage vlaktaks ingevoerd hebben voor natuurlijke personen, variërend van 10 tot 25% naargelang het land in kwestie. Deze twee laatste gevolgen verklaren de groeiende tekorten op de openbare financiën en het verhogen van de openbare schuld. Vandaar de herhaalde bezuinigingsmaatregelen die veel brutaler zijn dan in onze landen.

Volgens Eurostat schommelt tegenwoordig het uurloon (loon en sociale lasten inbegrepen) in de EU tussen 3,7 € in Bulgarije en 39 € in Zweden, een factor 10 dus. Het gemiddelde uurloon voor de EU is 23 €. De vergelijking van de loonlasten in de EU-landen wijst op een dramatische situatie in de LCOE, o.a. in de industrie. Het loonverschil blijft zeer hoog, gemiddeld van 1 tot 4 tussen de LCOE en W-Europa, en deze situatie zal, volgens de EU, zeker nog lang blijven duren. Wat het welzijn van de meerderheid van de gezinnen betreft, zijn de verschillen tussen de 20% hoogste tijd inkomens en de 20% laagste tot verdubbeld tot verdrievoudigd op 25 jaar tijd. Het gezond verstand zegt ons dat voor één rijke honderd mens het en in de armoede worden gestort, en duizend mensen voor één supperrijke.

Tenslotte werd, vanaf het begin van de ‘overgangsperiode’ naar het kapitalisme, de vakbondsmacht gebroken door de nieuwe wetgeving terwijl, in dezelfde periode, de ‘ordestrijdkrachten’ in hoge mate werden versterkt. Er is geen sociaal overleg meer en er worden geen werkelijke sociale akkoorden meer gesloten. Gelukkig trachten de syndicale organisaties, die door de Staat en het kapitaal werden versnipperd, zich terug te verenigen en zij slagen er soms in van zich laten horen. Dit was een tijdje geleden het geval in Polen, Roemenië, Hongarije en Bulgarije.

europa

Drie “voorbeelden” buiten de EU [9]

In Wit-Rusland heeft de traagheid waarmee de hervormingen, vaak geëist door de internationale instellingen, werden ingevoerd, toegelaten om de productiestructuren van de sovjetperiode haast onveranderd te bewaren. Het gedeelte van de private sector in de economie blijft zeer klein (ongeveer 15% van het BBP) en heeft zelfs de neiging om nog te verminderen (het was ongeveer 20% in het midden van de jaren 1990). Dank zij haar economische zelfstandigheid heeft Wit-Rusland nauwelijks geleden onder de crisis van 2007-2008. Het land spreidt een goede economische gezondheid ten toon (een gemiddelde groei van 8% tussen 2000 en 2012) en een stabiliteit, die zowel Russische als niet-Russische multinationale ondernemingen aantrekt.

Oekraïne heeft gekozen voor een kapitalistische economie, beheerst door grote private industriële groepen in handen van de beruchte oligarchen. Het land kent dus een buitengewoon open privé-economie. De buitenlandse handel bedraagt er bijna 105% van het BBP. De recessie van 2009 heeft dus een val van de uitvoer tot gevolg gehad, een daling van de looninkomsten en daarmee ging een samentrekking van het binnenlandse verbruik gepaard. De Russische multinationals zijn de grootste leveranciers van olie en gas, ten bedragen van ongeveer een derde van de totale Oekraïnse invoer. De voornaamste klanten zijn Rusland en enkele ex-sovjetlanden, Turkije en de EU.

De republiek Moldavië, die de voornaamste leverancier was van wijn, groenten en fruit voor de ex-sovjet republieken, is sinds de val van de Sovjet-Unie in 1991, één van de armste landen van Europa geworden. Het verlies van enkele traditionele markten, haar afhankelijkheid van het Russisch gas, de belangrijke immigratie van Russische en Oekraïense kaders en de afscheiding van haar voornaamste industriële regio hebben een dramatische daling in het BBP tot gevolg gehad. Dit is nog verergerd door de laatste privatiseringen, die zeer ongelegen kwamen. De Moldavische economie is zeer afhankelijk van geldoverdrachten door de uitgeweken arbeiders, waarvan de waarde geschat wordt op ongeveer 25% van het BBP. Deze overdracht heeft bijgedragen tot het verbeteren van de groei, die tussen 2000 en 2007 overeen kwam met ongeveer 7%. Sinds dan heerst er enkel stagnatie!

Van kolonisering tot armoede en emigratie.

 Men kan gerust stellen dat voor de meeste LCOE, de strategie van de multinationale ondernemingen erin bestaat hun economieën te koloniseren. Ze worden buitengewoon afhankelijk van nieuwe privé-monopolies, die gebruik maken van hun situatie om voortdurend hun prijzen te verhogen en aldus de inflatie aan te wakkeren. Zij ondergaan natuurlijk ook het gekende lot van onderaannemers, zoals buitengewone schommelingen in de bestellingen. In het recente verleden beginnen ze op hun beurt te lijden onder delocaliseringen naar het Oosten en het Zuiden van Europa, of naar Azië. Dit kenmerk plaatst dus ook deze landen aan de semi-periferie.

 Wat nu met de werkgelegenheid? In 1980 was Solidarnosc niet alleen een beweging voor vrijheid, zoals men het hier interpreteert , maar vooral een beweging voor werkgelegenheid, gezien de rampspoedige werkloosheid die Polen trof en die kort daarop zich zou uitspreiden over de andere LCOE. Mensen die niet naar het platteland konden uitwijken trokken met honderdduizenden naar rijkere landen, onder andere naar België. Herinner u de aankomst van de Polen alhier vanaf de jaren 80. Of neem Roemenië; in ronde cijfers hebben op 23 miljoen inwoners er 3 miljoen het land verlaten, en ze werden op hun beurt vervangen door 1 miljoen immigranten, voornamelijk Chinezen, Oekraïners, Wit-Russen, Moldaviërs, enzovoort. Deze uitstroom betekende een aderlating op economisch vlak, omdat het steeds de besten en de best gevormden zijn die weggaan en de zwaksten die blijven. Bovendien heeft het nefaste gevolgen meegebracht op familiaal en sociaal vlak.

Op het vlak van de inkomens, de werkloosheid en de armoede die resulteren uit de geschetste evoluties is de toestand zeer opvallend en intreurig. Bekijkt men op basis van Eurostat het procentuele bevolkingsaantal dat lijdt aan “ernstige materiële nood” [10], dan stelt men vast dat dit in 2011 voor de EU-15 (de 15 lidstaten van de EU voor de uitbreiding met de Oostbloklanden) 6,1% bedraagt, maar 19,2% voor de 12 nieuwe lidstaten die er in 2004 bijkwamen. Men moet met lede ogen toezien hoe de “armoede” in de LCOE, die sinds 2004 tot de EU zijn toegetreden, driemaal zo hoog ligt als in de andere EU landen. De situatie voor de andere LCOE, waarover geen gegevens beschikbaar zijn, zijn ongetwijfeld nog erger, behalve misschien voor Wit-Rusland.

 Om dit te zien veranderen denken we aan volgende vereisten. Onze tastbare solidariteit moet de volkeren in het centrum van Europa er bovenop helpen! We moeten bijdragen aan een betere controle op de multinationals die in de LCOE huishouden, o.a. via de Europese ondernemingsraden! Druk op onze eigen regeringen moet hun neoliberale aspiraties tegengaan, waardoor ze meewerken aan de wandaden van de multinationals in de hele semi-periferie van de EU. Laten we van de Europese verkiezingen in 2014 gebruik maken om meer EU-leiders te hebben met aandacht voor sociale harmonie!

 


(*) Nicolas Bárdos-Féltoronyi is Hongaar van geboorte en prof. em. geopolitiek aan de Université Catholique de Louvain.

Dit artikel verscheen in GRESEA échos, nr 77 (maart 2014) en kan in Franse versie gelezen worden op de site van Econosphères,

Bibliografie

 Bárdos-Féltoronyi, Nicolas, Hongrie. En voie de semi-fascisation? Démocratie, 15.03.2012

Bárdos-Féltoronyi, Nicolas, Vive l’austérité enfin chez nous! in Signe des Temps, november-december 2011.

Bárdos-Féltoronyi, Nicolas, Désindustrialisation et migrations. Interview in Agenda interculturel, février 2010.

Bárdos-Féltoronyi, Nicolas, Crise conjoncturelle ou mutations du capitalisme?, Cahiers Marxistes 239, mei-juni 2009.

Bárdos-Féltoronyi, Nicolas (coauteur), Géopolitique de la migration, Pax Christi Wallonie-Bruxelles, Brussel 2006

Bárdos-Féltoronyi, Nicolas, Un diagnostic géopoltique des pays de l’Europe du centre, Editions de l’Université de Bruxelles, Brussel, 2001.

Braudel Ferdinand, La dynamique du capitalisme, Flammarion, Paris 1985-2008.

Wallerstein Immanuel, Comprendre le monde : introduction à l’analyse des systèmes-monde, La Découverte-Poche, Paris, 2009.

NOTEN

[1] Met ‘centrum van Europa’ wordt hier bedoeld het gewezen communistisch deel van Europa, tussen de Russische en Germaanse wereld, gaande van de Baltische staten tot de Zwarte en Adriatische Zee. Andere benamingen voor dezelfde regio zijn ‘de landen van Centraal- en Oost-Europa’ of LCOE (in het Frans: PECO). [Noot van de vertaler: In het Frans spreekt men ook van les pays de l’Est, maar daar is geen gangbaar Nederlands equivalent voor; het is in ieder geval ruimer dan Oost-Europa].

[2] Laten we niet vergeten dat het kapitaal zijn intrede deed in deze landen een heel eind voor 1989. Om maar een sprekend Belgisch voorbeeld te geven: gewezen eerste minister Paul Van den Boeynants bezat zijn eerste worstenfabriek in Hongarije niet na 1989, maar vanaf 1974.

[3] Financial Times, 16 december 2013.

[4] De G20 omvat twintig van de economisch machtigste landen ter wereld, waaronder China, de EU, Rusland en de Verenigde Staten.

[5] Men mag hierbij niet vergeten dat alles wat geprivatiseerd wordt, gefinancierd werd door de bijdragen en het werk van de hele werkende bevolking van de ex-communistische landen.

[6] De helft tot drie vierden van de export van de LCOE naar het Westen gebeurt onder controle van de multinationals, zie de studies van het Österreichisches Institut für Wirtschaftforschung, Wifo.

[7] Men gebruikt hierbij onder- of overfacturatie, al naargelang het gaat over export of import.

[8] Op basis van de publicaties van het Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergeleich mag men ervanuit gaan dat de informele economie zich overal aan hetzelfde tempo heeft uitgebreid.

[9] We halen onze informatie vooral uit publicaties van de OESO.

[10] Het gaat over personen met ernstige materiële nood, waarvan de levensvoorwaarden beperkt worden door een gebrek aan middelen.

———————

Voor Ander Europa uit het Frans vertaald door Johan Hoebeke