Ga naar de inhoud

De EU en Noord-Afrika: Handel en migratiecontrole

Begin februari, Cairo

De laatste maanden zijn historisch geweest. Het Midden-Oosten, dat vooral sinds 9/11 door politici en media in het Westen werd afgeschilderd als cultureel stagnerend en fundamentalistische bedreiging, is ontploft. En niet zoals dat in Europa verwacht was. Er is een democratische revolutie gaande en de EU lijkt er niet helemaal blij mee te zijn. Om de officiële reactie van EU-lidstaten te begrijpen, moet men naar de lucratieve handelsstructuren tussen de EU en Noord-Afrika kijken. Deze werd door de EU en haar lidstaten – door regimeondersteunende maatregelen – binnen het Barcelona proces, het vrijhandelraamerk en later het nabuurschapsbeleid vorm gegeven.

De tweede belangrijke factor is de externalisering van het EU migratiebeleid in de regio, vooral naar Libië toe. De kans is groot dat de EU de nodige maatregels zal treffen om haar kapitaalbelangen te waarborgen en de invloed in de regio te behouden. Vandaag betekent dat verklaringen uitbrengen tegen Gaddafi, morgen misschien militaire interventie tegen de bevolking van Libië.

14 min leestijd
vrouwegypte

(Dit stuk is geschreven om te verschijnen in de komende uitgave van klasse!)

De relatie tussen Noord-Afrika en Europa – voornamelijk Italië, Duitsland, Frankrijk, en Groot-Brittannië – werd na de Tweede Wereldoorlog weer echt warm na de val van de muur. De koloniale mogendheden moesten lang hun imago’s en economieën herstellen van de oorlog en daarop volgende dekolonisatie. De VS domineerde op het internationale toneel, en dus ook in de lucratieve Arabische oliemarkt. Vanaf 1989 begonnen staten – voortbouwend op Reagan en Thatcher’s politiek van agressieve vrijhandel en privatiseringen – terug te keren naar hun eigenlijke functie: het waarborgen van nationale kapitaalbelangen. Europa begon zich weer als politiek-economisch machtsblok te positioneren, deze keer als politieke unie (die in 2009 met het Verdrag van Lissabon ook een gezicht kreeg met een hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid). Maar er waren nieuwe taken bij gekomen voor de mondiale machtscentra: het bestrijden van de vermeende bedreiging van onze welvaart en sociale orde door de migratie van arme mensen naar de industriële centra. Migratie werd in toenemende mate als veiligheidskwestie gezien met een militarisering van migratie controle als gevolg. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in de VS kreeg die nog een nieuwe kwaliteit en migratiecontrole werd onderdeel van de ‘wereldwijde oorlog tegen terrorisme’ van de EU en VS met alle repressieve maatregelen van dien. Alleen deze ideologische achtergrond kan verklaren hoe het beleid van de EU op zo’n grote schaal mensenrechtsschendingen tegen migranten kan veroorzaken, terwijl deze regelmatig door de media, mensenrechtsgroepen en het Europees parlement veroordeeld worden.

EUROMED: een nieuw begin voor de EU en Noord-Afrika

De EU heeft voor haar lidstaten al sinds de jaren ’80, maar vooral sinds 1989 veel werk verricht om economische dominantie in mondiale productie- en afzetmarkten te heroveren en de stroom van arme migranten naar Europa te stoppen. Al vroeg merkte zij dat migratie niet meer aan de grenzen van Europa tegen te houden was maar al in het land van herkomst moest beginnen. Zo begon de EU de juiste politieke fora te scheppen waar landen van herkomst en transit met het drukmiddel ´handel en investering´ overtuigd konden worden visa-verplichtingen in te voeren, hun grenzen militair te bewaken, hun burgers niet zo maar te laten afreizen en burgers uit andere landen in detentiecentra op te sluiten en als nodig dood te schieten en laten verdrinken. Dit heet in EU-jargon de “geïntegreerde aanpak” van migratie, of “externalisering”. In het geval van Noord-Afrika (en ook Oost Europa) gebeurde dit sinds 1995 in het zogenaamde Barcelona proces[1], dat de Euro-Mediterrane partnerschap opzette (EUROMED). Eind 1995 vond een aantal EU conferenties plaats[2] waarin duidelijk werd dat het EU-proces niet alleen de integratie van de Magreb landen in het EU migratie beleid betekende, maar ook een eerste poging was om de EU een mondiale  rol te laten spelen. Door een gemeenschappelijk buitenlandbeleid met een combinatie van financiële hulp en politiek-economische druk, zouden nieuwe markten door voordelige verdragen veroverd worden. De VS was expliciet uit het proces uitgesloten, en kreeg zelfs geen waarnemersstatus.

De Barcelona Declaratie[3] van 1995 definieerde drie zuilen die het formele partnerschap tussen ondertekenende staten zou steunen. De eerste politiek en veiligheid, de tweede economisch en financieel en de derde sociaal-cultureel. De meest bekende en zwaarst gefinancierde component is het creëren van een vrijhandelszone zussen de EU en Noord-Afrika die oorspronkelijk bedoeld was om in 2010 van kracht te worden. In 2004 werd alvast met vier afzonderlijke landen (Jordanië, Tunesië, Egypte en Marokko) een vrijhandeslverdrag afgesloten. Het destijds minder bekende maar ook zwaar gefinancierde aspect van de samenwerking betreft migratie-controle. Het Barcelona proces creëerde het raamwerk; de concrete maatregelen werden door staten bilateraal onderhandeld en in actieplannen vastgelegd.

Fase 2: het Europese ‘nabuurschapsbeleid’

Tegenwoordig worden onderhandelingen in een parallel proces gevoerd, het zogenaamde ‘nabuurschapsbeleid’,

familieegypte

Familie in Cairo

terwijl het Barcelona proces in de achtergrond is getreden: In 2008 is het Barcelona proces met een nieuwe onderhandelingsronde van coöperatie-verdragen vervangen door de ‘Mediterrane Unie’, die 27 EU-lidstaten en 16 noord-Afrikaanse en zuid-Mediterrane staten omhelst en door de Franse president Sarkozy in samenwerking met de voormalige Egyptische president Mubarak opgezet. De Unie implementeert nu specifieke (sub)regionale projecten op het gebied van economie, milieu, energie, gezondheid, migratie en cultuur en heeft daarvoor nog maar zes maanden geleden een secretariaat in Barcelona opgezet. Hoewel mensenrechten onderdeel uitmaken van het programma, zijn deze altijd vaag gedefinieerd en ontbreekt er een actieplan zoals die voor migratie en economisch beleid wel altijd te vinden is.

Het ‘nabuurschapsbeleid’ (European Neighbourhood Policy, ENP) kan als tweede fase in de consolidering van de mondiale rol van de EU beschouwd worden. Het ENP richt zich ook op 16 Noord-Afrikaanse en Mediterrane landen, waaronder, anders als bij het Barcelona proces (waarin Libië sinds 1999 alleen een waarnemersstatus heeft), ook officieel Libië valt. De specifieke afspraken die in de bilaterale actieplannen gemaakt worden omvatten beperkte toegang tot de Europese markt in ruil voor openstelling van de eigen markt, economische ‘hervormingen’ en migratiecontrole.

Tien jaar na het begin van het Barcelona-proces waren de eerste resultaten van de externalisering van het migratiebeleid van de EU te zien in vorm van massadeportaties door de Italiaanse staat van Afrikaanse migranten naar Libië, dat sinds 2004 teruggestuurde migranten niet alleen officieel accepteert maar ook nog opsluit en letterlijk de woestijn instuurt om te sterven.[4] het EU agentschap Frontex patrouilleert de Middellandse zee en biedt ondersteuning aan buurlanden om hetzelfde te doen. Al in 2004 had Italië 13 detentiecentra in Tunesië gefinancierd, 11 daarvan op formeel onbekende locaties.[5] De Franse groep Migreurop (www.migreurop.org) publiceert sinds jaren cijfers over het detentiecentra-regime rond Europa en de externalisering van het EU-beleid in het algemeen. Migreurop activisten genereren ook regelmatig publiciteit over de rol van de EU in de resulterende mensenrechtsschendingen, meest recentelijk over de politieke gebeurtenissen in Tunesië, Egypte en Libië.

zaken doen met Gaddafi: Handel met olie en migranten

Er is geen beter voorbeeld dan Libië om de verstrengeling te verduidelijken van economische belangen van EU-lidstaten met het Europese belang migratie uit Afrika tegen te houden. Hoewel de officiële rehabilitatie van Libië door de ‘internationale gemeenschap’ door het opheffen van VN-sancties eind 2003 begon[6], besliste de Europese Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken al in 2002 onderhandelingen met Libië over “gezamenlijk migratie-management” te starten. Ook werd toen besloten het terugsturen van migranten (readmission agreements of overnameovereenkomsten) in de toekomst in elke overeenkomst tussen de EU en derde landen op te nemen.[7]

De verstrengeling van Europese economische belangen en migratiecontrole is duidelijk te zien in de relatie tussen Italië en Duitsland enerzijds en Libië anderzijds. Gaddafi begon midden jaren ’90 de Libische oliemarkten te openen voor buitenlandse investeringen. Naast Rusland is Libië de meest belangrijke niet-Europese olieleverancier voor Duitsland, terwijl Duitsland na Italië de meest belangrijke leverancier van goederen voor Libië is.

Tussen maart en oktober 2004, precies in de tijd dat de EU haar externalisering van EU migratiecontrole (in de vorm van het bouwen van een reeks detentiecentra in onder andere Libië en Tunesië) als ‘Mediterrane oplossing’ begon te implementeren, sloten Groot-Brittannië, Italië, Duitsland en Libië een hele reeks militaire en olie deals af. Shell kreeg een  contract ter waarde van 165 miljoen euro om olie en gas in Libië te produceren. Berlusconi bezocht Libië liefst vier keer in 2004, onder andere om de 520-km lange Greenstream pijplijn te openen van het Italiaanse oliebedrijf ENI, dat 6.6 miljard investeerde om gas van het Libische Mellitah naar Sicilië te halen. Duitsland bleef niet achter: in oktober 2004 kreeg Gaddafi bezoek van voormalige bondskanselier Gerhard Schröder, die later commissaris zou worden bij Nord Stream AG, een dochter van het Russisch energieconsortium Gazprom met het Duitse BASF – voor een salaris van 250.000 EUR. Schröder nam Duitse industriëlen op zijn reis mee en tekende een bilateraal investeringsverdrag dat de Duitse Wintershall olie en gas concessies garandeerde. Wintershall is een dochterbedrijf van de BASF-groep die al sinds 1958 in Libië zaken doet en daar ook een van de grootste buitenlandse oliebedrijven is, met een investering van destijds 1.2 miljard euro. Tijdens Schröder’s bezoek stapte ook de Duitse RWE-groep in de olie en gas productie in, en kreeg de Siemens-groep contracten ter waarde van 180 miljoen euro. Duitsland was ook geïnteresseerd om te exporteren, met name “technisch materiaal als nachtkijkers of warmtekamera’s voor grensbeveiliging.”[8] Nederland leverde op zijn beurt nachtzichtkijkers en transporthelikopters aan Libië.[9]

Winst heeft geen democratie nodig

Omdat deze samenwerking voor Gaddafi enorm winstgevend was (zijn persoonlijk vermogen is op 60 miljard geschat), besloot hij in juli 2004 dat buitenlandse bedrijven in Libische staatsbedrijven mochten participeren, Deze maatregel werd door de Buitenland-ministers van de EU in datzelfde jaar beloond door de 1992 en 1993 ingestelde VN-sancties officieel op te heffen.[10] Zo werd de economische samenwerking met Libië ook politiek gererehabiliteerd.

Libië heeft de op acht na grootste oliereserves ter wereld. De sinds 2004 hernieuwde handelsrelaties zijn dan ook vooral aan de fors stijgende olie-import uit Libië naar Italië, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland te zien (wapenhandel is hier niet verder onderzocht maar is ook een belangrijk handelstak tussen de EU en Libië).[11] Terwijl Italië in 1999 olie van de waarde van bijna 3 miljard euro importeerde, groeide de import naar 5.2 miljard in 2001, 8.6 miljard in 2005 en liefst 14.2 miljard in 2008. Duitslands olie import groeide van 1.8 mld (1999) naar 4.9 mld (2008). Dezelfde trend is te zien voor Frankrijk (van 419 mln in 1999 naar 3.4 mld in 2008), Groot-Brittannië (van 165 mln in 2001 naar 1.2 mld in 2008, een gemiddelde jaarlijkse groei van liefst 67%) en Nederland (van 26 mln in 1999 naar 829 mln in 2008, een gemiddelde jaarlijkse groei van 343% !). Importcijfers zijn gewoonlijk gerelateerd aan investeringen (of overnames), en een kijkje in relevante statistieken zou waarschijnlijk dezelfde trend weergeven. Het Engelse oliebedrijf BP, bijvoorbeeld, tekende in 2007 een deal van 661 mln met Tripoli om naar olie te boren in de Middellandse diepzee.[12]

libya4De laatste maar zeker niet de minste verstrikking tussen Libië en EU lidstaten is de rol van het financieel beheer van Gaddafi’s rijkdom. De Volkskrant (23.2.2011) schetste de rol van Nederland hierin en concludeerde dat Gaddafi “zijn financiële imperium veiliggesteld heeft in Ridderkerk”. Vanuit Nederland beheren 35 mensen het bedrijf Great Socialist Peoples Libyian Arab Jamahiriya, waaronder vier bedrijven vallen, onder andere de Libische staatsoliemaatschappij Tamoil (geregistreerd onder Oilinvest BV). Ook staat Verenex Energy in Ridderkerk geregistreerd, dat voor Gaddafi gas wint in Libië, Frankrijk en Canada.

Libië bezit ook grote hoeveelheden aandelen van Westerse bedrijven, zelfs 25 procent van een van de grootste banken van Italië, UniCredit. Het beleggingsvehikel van de overheid, de Libische Investeringsautoriteit (LIA) is naar schatting 50 miljard euro waard, hoewel “onduidelijke is wat er met de miljarden gebeurt en van wie ze zijn” (idem). Gaddafi’s beleggingen rijken van een Italiaanse voetbalclub en wapenfabriek, aandelen van de uitgeverij van de Financial Times, Engelse winkelcentra, hotels en mijnen in heel Afrika en landbouw en vastgoed over de hele wereld.

Hier zijn alleen de verstrengelingen van Gaddafi’s geld geschetst. Hetzelfde kan gezegd worden voor alle autoritaire regimes in het Midden Oosten en de relaties zijn afhankelijk van de koloniale geschiedenis en specialismen of hoofdsectoren van de staten in kwestie. Dat deze financiële relaties op het politieke en persoonlijke niveau gevestigd worden was goed te zien in het geval van Frankrijk, waar de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michèle Allio-Marie, die na de opstand in Tunesië voorstelde Franse ‘expertise’ te leveren aan president Ben Ali in zake veiligheid. Zij heeft op kosten van een vriend van Ben Ali haar kerstvakantie in Tunesië doorgebracht. Haar collega, premier François Fillon, vierde op kosten van Mubarak vakantie in Egypte.

Over lijken gaan

Zoals boven omschreven, werd de economische handel met de autoritaire en martelende regime van Libië[13] in haar algemeenheid vormgegeven binnen het Barcelona proces, later het nabuurschapsbeleid en de vrijhandelszone met Noord-Afrika. Het was altijd moeilijk voor de EU om officieel samenwerking met Libië aan te gaan, aangezien Gaddafi zo duidelijk mensenrechten schendt (hoewel Egypte’s Mubarak of Tunesië’s Ben Ali weinig achterbleven, met wie Frankrijk en de EU officiële partnerschappen hebben). In 2007/8 besloot de EU desondanks tot een raamwerk-overeenkomst[14] met Libië, een beslissing die het Europees parlement in januari dit jaar, maar een maand voor de opstand uitbrak, van de voorwaarde voorzag dat Libië de veiligheid van migranten zeker stelt en de Vluchtelingenconventie van Geneve ondertekent.[15] Op grond van de recente ontwikkelingen in Libië moest de EU deze plannen schappen,[16] maar het leven van vluchtelingen stond de samenwerking met Gaddafi nooit in de weg: Terwijl afgevaardigden van de Europese Commissie begin juni 2010 op bezoek in Tripoli waren om de raamwerk-overeenkomst te bespreken, stuurde Libië Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN het land uit en sloot zijn kantoor. Libië heeft de Vluchtelingconventie van de VN niet eens getekend en elke poging van Europese leiders om Gaddafi zelfs maar aan de retoriek van asiel te laten voldoen, werd uit Tripoli categorisch afgewezen.

Conclusies: De opstanden steunen – de oorlog door protesten voorkomen

Als de EU nu sancties eist en Gaddafi’s geld dat in Europese banken en investeringen zit bevriest, is dat niet gemotiveerd door respect voor mensenrechten of de wens naar democratie in Libië. Het is nodig om de belangen van de EU, vooral de import van olie, te waarborgen. Daarom is te verwachten dat de EU, in nauwe samenwerking met de VS, Libië zal binnenvallen zodra de pijplijnen, waarin Westerse bedrijven miljarden geïnvesteerd hebben, en de olievoorraad bedreigd zijn. De interpretatie van een ‘bedreiging’ (de rechtmatige nationalisering van  grondstof? De heronderhandeling of annulering van voor de Libische bevolking onvoordelige contracten met bedrijven?) is natuurlijk een politieke vraag, en de cruciale vraag de komende maanden. Het is te hopen dat het handelen van de EU en de VS door de media kritisch onderzocht wordt en de bevolking en het democratisch potentiaal van de opstanden in Libië en elders internationale steun krijgen, in de vorm van protesten tegen militaire interventies of andere vormen van solidariteit.

—————————

[1] Het partnerschap werd door de Conferentie van Barcelona in november 1995 geformaliseerd, bijgewoond door de ministers van Buitenlandse Zaken van de -toen- vijftien lidstaten van de Europese Unie en twaalf mediterrane landen (Algerije, Cyprus, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, de Palestijnse Autoriteit, Syrië, Tunesië en Turkije). Libië heeft sinds 1999 waarnemersstatus.
[2] Madrid European Council (15-16 December 1995), EURO-MED Summit, Barcelona (27-28 November 1995), EU-US Summit, Madrid (3 December 1995), New P8 group declaration (Ottawa, 12 December 1995), Interregional Cooperation Agreement (Mercusor), Madrid (15 December 1995).

[4] Dietrich, Helmut (2004) ‘Die Front in der Wüste: Die EU beginnt mit der Einrichtung von

Abschiebe- und Flüchtlingslagern in Nordafrika – mit tatkräftiger Unterstützung Libyens’, in Konkret, nr 12, pp 22-26. Various investigative reports have been published on migrants being sent back to the desert and deaths resulting from this EU policy are widely documented by the French migration rights group migreurop and the European anti-racist network UNITED. Fortress Europe recently published evidence of more than 1.300 migrants having been picked up in the sea sent back to Libia, which is considered by the UNHCR as unsafe for refugees, which is illegal under international law for violating the principle of non-refouelement. Fotress Europe also reports of mistreatment of Somali refugees and migrants in a Libian detention centre and of the killing of six migrants by Libian prison guards during an escape attempt in 2009 (Statewatch Analysis. ‘Italy: the internal and external fronts: security package and return’, 1999)

[5] Dietrich, idem.

[6] Libië accepteerde toen verantwoordelijkheid voor de Lockerbie ramp betaalde $ 2,7 miljard aan de nabestaanden.

[7] JHA Council (Raad Justitie en Binnenlandse Zaken), 28-29.11.2002, 14817/02

[8] Dietrich, idem.

[9] RTL News in NRC Handelsblad 22.2.2011

[10] Het wapen embargo had de EU al gelift door een algemeen raamwerk beslissing voor wapen export naar derde landen.

[11] Eurostat, 2011. De cijfers zijn gebaseerd op de VN handel classificatie SITC rev 4, 3.33 (Petroleum, petroleum products and related materials)

[12] Leigh, Phillip / EUobserver (23.6.2010) ‘Europe’s cosy relations with Libya crushing human rights, says Amnesty’

[13] Zie onder andere Leigh (2009) idem en Koert Lindijer in NRC Handelsblad van 26-27.2.2011 (‘En daar trokken we hun nagels uit’) zoals talloze jaarberichten van Amnesty International.

[14] 2010/2268

[15] Zie EP rapport A7-0368/2010, 13.12.2010.

[16] Zie EU website, 24.2.2011, EU suspends Framework agreement with Libya.