“With friends like these, who needs enemies?” Die uitdrukking schoot me de laatste week regelmatig te binnen, nu het debat rond Vrij Links opnieuw is opgelaaid. Directe aanleiding was het verschijnen van een interview met Vrij Links-oprichters Keklik Yücel en Eddy Terstall. Net zoals eerder dit voorjaar in hun manifest, betoogden de twee dat links moet terugkeren naar haar “seculiere, vrijzinnige wortels”. Wat daar precies mee bedoeld wordt, blijft nog altijd wat vaag. Maar in ieder geval betekent het dat men pleit voor een “herwaardering van individuele vrijheid”, en voor een kritischer houding tegenover de rol van religie in onze samenleving.

(Door Mathijs van de Sande, eerder verschenen op de website van Doorbraak)

De staat moet “levensbeschouwelijk-neutraal” worden, het debat over religie moet “vrijer en openlijker” plaats kunnen vinden. Grondwetsartikel 23, waarin het recht op bijzonder onderwijs verankerd ligt, moet worden afgeschaft en onderwijs in Nederland moet seculier worden.

Maar wat is het belang van een dergelijke religiekritiek? Waarom zou links zich juist op dit moment hard moeten maken voor “secularisering”? De agenda van Vrij Links heeft niet alleen niks toe te voegen aan de – inderdaad broodnodige – heruitvinding van een linkse politiek in Nederland; de kans is zelfs groter dat de beweging-in-wording uiteindelijk vooral een rechts belang dient. Zowel inhoudelijk als strategisch staat het initiatief van Vrij Links eerder haaks op waar een linkse politiek op dit moment over zou moeten gaan. Ik geef u vier redenen.

Het gaat niet alleen over moslims. Maar toch wel.

De religiekritiek van Yücel en Terstall richt zich specifiek op moslims, ook al zeggen ze dat nergens met zoveel woorden. De voorbeelden die ze gebruiken gaan uitsluitend over de islam, hoofddoeken, de ramadan, of dictatoriale regimes in het Midden-Oosten. In wezen geven ze toe dat ze het met hun pleidooi voor de afschaffing van bijzonder onderwijs vooral over islamitische scholen hebben (op de vraag hoe dat dan zit met christelijke scholen volgt het antwoord dat ze daar geen bezwaar tegen hebben, maar dat ze natuurlijk wel “grondwettelijk” moeten blijven). De SGP – met drie Kamerzetels toch niet de kleinste fundamentalistische organisatie in Nederland – wordt in hun betoog niet eens genoemd. Worden ze er direct op aangesproken (in interviews en op social media), dan is het hen natuurlijk altijd om religie in het algemeen te doen. Maar laten we eerlijk zijn: in het publieke debat waar Vrij Links zich in probeert te mengen, staat de positie van christenen helemaal niet ter discussie. Het gaat hier over moslims.

Dat blijkt temeer uit het feit dat de Vrij Linksers voor hun formuleringen direct tappen uit een rechts vaatje. Zoals Merijn Oudenampsen eerder betoogde, beroepen prominente rechtse opiniemakers en politici, zoals Paul Cliteur en zijn student Thierry Baudet, zich op dezelfde seculiere traditie als Vrij Links. Cliteur pleit al jaren voor een volledige uitbanning van religie uit de publieke sfeer. Ook hij heeft het daarbij specifiek op moslims gemunt, hetgeen hij pleegt te verhullen door zich achter een op het Frans laïcisme geschoeide religiekritiek te verschuilen. Dat het dominante nationalistisch-rechtse discours zich – bijvoorbeeld bij monde van Geert Wilders – tegelijkertijd beroept op de vooronderstelde “joods-christelijke” wortels van de westerse cultuur, mag inconsistent heten. Maar dat is nu eenmaal hoe een politieke discours vaker tot stand komt: groepen met verschillende ideeën en achtergronden vinden elkaar in een gemeenschappelijke angst of belang. In ons huidige politieke klimaat leidde een gedeelde afkeer van de islam tot een onwaarschijnlijk huwelijk tussen nationalistische christenen enerzijds en nationalistische atheïsten anderzijds.

Hoewel zij zich enerzijds beroept op een ingebeelde “joods-christelijke” Leitkultur en anderzijds op een beperkt begrip van “onze Verlichtingsidealen”, slaagt nationalistisch-rechts er zo in om het eigen wereldbeeld als ‘neutraal’ of ‘objectief’ te presenteren. Dit is paradoxaal genoeg het meest ideologische aspect van het rechtse discours: dat het pretendeert boven alle ideologie verheven te zijn. Tegen die achtergrond kunnen moslims worden neergezet als de cultureel achtergestelde, irrationele, en door bijgeloof gedreven Ander.

Het valt Vrij Links te verwijten dat ze geen boodschap hebben aan de concrete maatschappelijke context waarin ze interveniëren. Met hun pretentie om Nederlandse moslims eens wat Verlichtingswaarden bij te zullen brengen, sluiten ze naadloos aan op het bestaande rechtse discours. Het verwondert dus ook niet dat rechts Nederland massaal staat te applaudisseren bij hun initiatief: afgezien van het holle predicaat ‘links’ (later meer daarover) verkoopt Vrij Links vooral oude, rechtse wijn in nieuwe zakken.

Politiek gaat uiteindelijk over macht, en over de vraag hoe die verdeeld is.

Enig verschil is dat Vrij Links iets negeert dat nationalistisch rechts wél goed heeft begrepen. Politiek gaat niet alleen over het hebben van mooie idealen of de juiste principes (ook al zijn idealen en principes natuurlijk belangrijk), maar uiteindelijk ook over macht. Wie politiek iets wil veranderen, zal zich de vraag moeten stellen hoe de macht in onze samenleving verdeeld is. Wat zijn de verhoudingen tussen rijk en arm? Welke belangen en identiteiten staan centraal in het maatschappelijk discours en welke stemmen worden gemarginaliseerd? Wie heeft toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid en het politieke besluitvormingsproces, en wie wordt er van buitengesloten? En waar ligt dan vervolgens het grootste emancipatiepotentieel voor gemarginaliseerde minderheden?

Rechts heeft niet alleen een min of meer eenduidige visie op deze verhoudingen, maar heeft in de loop der decennia ook een eigen taal ontwikkeld om die visie aan de mens te brengen. Hun doel is vooral de huidige machtsongelijkheid te consolideren, of zelfs te vergroten. Links, daarentegen, zou er juist op gebrand moeten zijn om de heersende machtsongelijkheid te verkleinen. Niet alleen (individuele) vrijheid is een belangrijke linkse waarde, zoals Vrij Links terecht stelt, maar ook gelijkheid.

Nu gaat het, op sociaal-economisch vlak en op het gebied van onderwijs, langzaam maar zeker steeds beter met veel minderheden in Nederland, waaronder ook moslims. Dat is overigens niet aan ‘de politiek’ te danken, maar vooral aan hun eigen weerbarstigheid en aan strijd van onderop. Maar de verandering gaat langzaam en op een aantal vlakken blijven de problemen hardnekkig: structureel racisme tiert welig en discriminatie in de media en de politiek, op de arbeidsmarkt en op straat lijkt eerder toe dan af te nemen. Hoezo is het, op zo’n moment, dan opportuun om een moslimminderheid een van haar laatste verworvenheden – namelijk eigen onderwijs en een paar andere kleine rechten – af te nemen?

In plaats van mee te huilen met de rechtse wolven in het bos, zou links er dus verstandiger aan doen om op zoek te gaan naar een eigen politieke taal waarin niet alleen individuele vrijheid maar vooral ook gelijkheid centraal staat. Bij zo’n zoektocht naar een eigen discours zou men zich moeten afvragen waar de basis kan liggen voor het opbouwen van solidariteit en allianties tussen verschillende delen van de samenleving. Welke taal staat ons toe om een nieuwe macht van onderop te vormen?

Niet iedere religiekritiek is hetzelfde.

Niet alleen is het betoog van Vrij Links voor secularisering en tegen onderwijsvrijheid op dit moment inopportuun, gezien de heersende machtsverhoudingen, maar ook inhoudelijk slaat het de plank mis. Natuurlijk heeft Vrij Links gelijk wanneer het stelt dat linkse politiek zich historisch soms – maar lang niet altijd, en zeker niet in Nederland – moeilijk verhoudt tot religie. Inhoudelijk zijn er juist voor links goede redenen om kritisch te zijn op religie, en zeker op de fundamentalistische uitwassen ervan. Religie is traditioneel een werktuig van het patriarchaat. Duizenden jaren is het gebruikt om vrouwen onder de knoet (en aan het aanrecht) te houden. Het legt controle op aan onze seksualiteit – een controle, overigens, die niet per se met de Verlichting verdwenen is, maar in de loop der eeuwen tal van vormen heeft aangenomen (zie Michel Foucault’s “Histoire de la Sexualité”). En bovendien, was het niet Karl Marx die religie “de opium van het volk” noemde?

Inderdaad: een klein stukje Marx-exegese kan ons helpen om te zien waar de religiekritiek van Vrij Links tekort schiet. Want wat zegt Marx echt, in zijn “Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie” (1844), waar de beroemde oneliner aan ontleend is? Laten we hem in de context citeren:

“De religieuze ellende is tegelijkertijd de uitdrukking van de werkelijke ellende en het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het verdrukte schepsel, het gemoed van een harteloze wereld, zoals ze ook de geest van geestloze toestanden is. Zij is het opium van het volk.”

Religie, met andere woorden, is sedatie: het is zowel de drug of pijnstiller die het volk van haar pijn moet verlossen, als een symptoom van dat lijden zelf. Religie dekt een andere, meer fundamentele bron van ellende toe: namelijk, die van de klassenmaatschappij (merk daarbij op dat Marx “das Opium des Volks” schrijft – en niet “für das Volk”, wat er vandaag de dag vaak van gemaakt wordt). Dit wil natuurlijk niet zeggen dat Marx – zelf overtuigd atheïst – geen moeite had met religie. Hij erkende de repressieve werking die er vanuit gaat. Maar religie was niet de kern van het probleem: dat was sociaal-economische en politieke ongelijkheid.

Nu is er veel veranderd sinds Marx’ tijd, en men kan zich afvragen of religie – in het inmiddels sterker geseculariseerde en tegelijkertijd meer multiculturele westen – exact dezelfde functie vervult als toen. Maar punt is dat zijn religiekritiek ten dienste stond van een meer omvattende politieke agenda en analyse: een socialistische. Dát is wat zijn kritiek links maakte. Dit aspect, echter, ontbreekt volledig aan het verhaal van Vrij Links. Voor hen is publiek beleden religie – en het recht op confessioneel onderwijs in het bijzonder – zélf de oorzaak van sociale ongelijkheid. Opnieuw appelleert Vrij Links daarmee aan een beeld dat met name bij rechts zeer populair is: de idee dat deze samenleving in grote lijnen nagenoeg ‘af’ is, dat de sociale strijd voor het grootste deel is gestreden, en dat het nu vooral zaak is om onze historische ‘verworvenheden’ veilig te stellen en te verdedigen tegen bedreigingen van buitenaf.

De vraag is niet alleen wat links opschiet met een dergelijke lege religiekritiek, maar ook wat het überhaupt links maakt. Over neo-liberalisme, privatisering, flexibilisering en de kaalslag op onderwijs, zorg, openbare diensten en infrastructuur spreekt Vrij Links met geen woord. Ergens is dat logisch, want de PvdA (waar zowel Yücel als Terstall hun politieke wortels hebben) was zelf een van de belangrijkste aanjagers van de neo-liberale agenda in Nederland. In dat opzicht is het ironisch dat uitgerekend twee PvdA-ers – bijna 25 jaar na het afschudden van de ‘ideologische veren’ van de sociaal-democratie – nu menen links de maat te moeten nemen over een te varen koers. Ook Terstalls stelling dat “de linkse partijen het globaal wel met elkaar eens” zijn over sociaal-economische kwesties is pertinente onzin. Maar, in combinatie met haar weinig vruchtbare religiekritiek laat het wél zien dat Vrij Links geen idee heeft waar een echt linkse agenda uit zou moeten bestaan.

Links moet op zoek naar eigen idealen.

Wat zou dan wél een vruchtbare basis kunnen vormen voor een hernieuwde linkse politiek? Eén ding is zeker: het vormen van een nieuw links programma en discours waarmee de rechtse hegemonie kan worden doorbroken, vergt een lange adem. Het betekent ook dat links zich open moet stellen voor tal van ontwikkelingen die al lang gaande zijn in de wereld om ons heen. Maar een nieuw links programma met enige potentie zal in ieder geval het volgende moeten omvatten:

– Een sociaal-economische kritiek op de neo-liberale doctrine en een alternatieve visie op economie. Niet alleen moet links zich sterker keren tegen het neo-liberale beleid van bezuinigingen, privatisering en flexibilisering dat de laatste decennia met name door de PvdA gevoerd is. Links heeft ook behoefte aan een alternatief, zonder nostalgisch terug te blijven verlangen naar de vervlogen tijd van de verzorgingsstaat (zoals met name de SP vaak doet). Er zijn meer dan genoeg ideeën en ontwikkelingen waar een nieuw links uit zou kunnen putten: de opkomst van “commons” en andere vormen van gemeenschappelijk bezit, het pleidooi voor een universeel basisinkomen en voor de democratisering van werk, zorg, en onderwijs. Maatschappelijke voorzieningen en digitale platforms (zoals sociale media) zouden als publiek eigendom kunnen worden bestuurd door haar eigen gebruikers.

– Een meer fundamentele kritiek op racisme en het patriarchaat. Anti-kapitalisme, anti-racisme, feminisme, en de strijd van LGBTQ’s vooronderstellen elkaar op tal van manieren: zowel strategisch als inhoudelijk. Maar met name wit links heeft in dit opzicht een grote inhaalslag te maken: te lang heeft ze met name de groeiende anti-racismebeweging genegeerd, en het feminisme verkwanseld. Inderdaad moeten we, zoals Vrij Links stelt, de strijd met het patriarchaat aangaan – maar dan wel met álle vormen van genderongelijkheid, trans- en homofobie, en seksueel geweld: niet alleen met de religieus geïnspireerde varianten. Een historisch basisprincipe waar links bovendien zeker wél naar moet terugkeren is die van het internationalisme. In tijden van globalisering, klimaatverandering, migratiebeheersing en de opkomst van fascisme is de natiestaat niet het podium voor een waarlijk linkse politiek. In plaats daarvan moet links zich hardmaken voor open grenzen en de vrijheid van beweging.

– De eis tot democratisering van ieder aspect van ons dagelijks leven. Niet alleen de opkomst van populistisch rechts, maar ook die van sociale bewegingen als Occupy en Nuit Debout wijzen op een breed gedragen ervaring van een democratisch tekort. Mensen hebben het gevoel niet in controle te zijn over hun eigen leven. In dit opzicht kan juist links voor een antwoord putten uit haar eigen rijke traditie van federalisme, radicaal municipalisme, zelfbestuur, en radendemocratie. Ook in het heden is genoeg inspiratie te vinden: neem de praktijken van bovengenoemde protestbewegingen en het huidige basis-democratische project in Rojava (Koerdistan).

Tot slot is er nog één ding dat links zich daarbij ter harte moet nemen. Anders dan wat Yücel en Terstall doen geloven, hebben we er geen enkel belang bij om de huidige polarisatie in het publieke debat te doorbreken. Die polarisatie vindt vooralsnog namelijk plaats langs rechtse scheidingslijnen – in hun termen en op hun initiatief en voorwaarden. Maar door in hun frame te stappen doorbreek je die polarisatie niet – je versterkt hooguit de ene pool ten koste van de andere. Zoals de filosoof Chantal Mouffe uitlegt in haar recente betoog voor een links-populistische politiek, moeten we daarom vandaag proberen om een nieuwe links/rechts-tegenstelling te articuleren waarin onze eigen eisen centraal staan (niet die van rechts). Dit is precies waarom Vrij Links uiteindelijk vooral de rechtse agenda zal dienen: ze miskent het belang van polarisatie voor linkse discoursvorming en bewegingsopbouw. Wat je dan overhoudt is een clubje zelfverklaard linkse opiniemakers die vooral heel erg hun best doen om zich een rechtse taal eigen te maken.

Links kan beter dan dit.

Mathijs van de Sande