Pe a moni de? is het Sranantongo voor ‘Waar is het geld? Dat is de vraag die de Nederlandse bankadviseur Hans Moison zich stelde toen hij een jaar directielid was van De Surinaamsche Bank in Paramaribo. Dat viel bij sommige gezagsdragers niet in goede aarde. Na één jaar vertrok hij weer. Noodgedwongen. Hij hield echter een zeer merkwaardig en lezenswaardig (dag)boek bij over Suriname achter de schermen van de macht. Een unicum.

(Door Walter Lotens, oorspronkelijk verschenen op uitpers.be)

Je hebt wat met Suriname, je vrouw is van Surinaamse origine en je gaat er geregeld naartoe. Bovendien ben je accountant met een jarenlange ervaring op de teller in het adviseren van banken zowat overal ter wereld en je krijgt de vraag van een van de grootste Surinaamse banken om je deskundigheid in te zetten om de wat zwalpende De Surinaamsche Bank (DSB) bij te staan. DSB is notabene de grootste handelsbank in Suriname die al in 1865 werd opgericht.  ‘Waarom niet?’ denk je. Misschien kunnen we op die manier wel een kleine bijdrage leveren aan een land dat door economisch moeilijke tijden gaat.

Zoiets moeten de nu 62-jarige Hans Moison en zijn vrouw gedacht hebben en ze gingen dan ook op het aanbod van de bank in om een jaar aan de Waterkant, in het centrum van Paramaribo, te gaan wonen en werken op loopafstand van het hoofdgebouw van DSB. Moison was al eerder daar, maar dat was dan telkens voor korte periodes. De Moisons zouden nu ‘ingezetenen’ worden.

Bewogen dagboek

Op 8 februari 2016, zo lees ik in het dagboek, installeert het koppel zich in een appartement van een van de witte historische huizen van de UNESCO-binnenstad en van daaruit begint Hans Moison aan zijn nieuwe dagtaak als nieuwbakken lid van het directiecomité van DSB. Die dagboekaantekeningen houdt Moison vol tot 17 februari 2017, want op die dag eindigt hun Surinaams verhaal dat zo mooi en hoopvol begonnen was in een anticlimax. ‘We hadden meer willen bereiken in Suriname. Het voelt aan als een verlies dat we na een jaar vertrokken. We troosten ons met de gedachte dat we Suriname een klein duwtje in de goede richting hebben gegeven.’ Dat zijn de laatste zinnen van het dagboek dat als een kabbelend en fris reisdagboek begon, maar op een eerder bewogen manier is geëindigd.

Bankrun

Kort na hun vertrek verschijnt er in de Ware Tijd, nog steeds de belangrijkste krant in Suriname, een interview met Hans Moison met als titel ‘De Centrale Bank waardeerde mijn opbouwende kritiek niet’. In dat interview deed hij het mechanisme uit de doeken, dat voornamelijk bestond uit een financieel een-tweetje tussen de Centrale Bank en DSB-directeur Sigmund Proeve waardoor de noodlijdende regering-Bouterse geldmiddelen werden toegestoken, maar die de bank in de rode cijfers deed belanden. Pe a moni de? Deze kritische vraag van Moison bleek niet ongegrond en wat er aan de oppervlakte kwam leidde tot financiële onrust en zelfs politieke spanningen in Suriname. Die onrust ontstond nadat duidelijk werd dat de Surinaamse overheid een lening van zo’n €60 miljoen die ze van DSB leende vermoedelijk niet terug kon betalen. Hoewel het op het eerste gezicht een te verwaarlozen bedrag leek, was de dreiging reëel dat de bank zou ‘omvallen’. ‘Stond mijn spaargeld bij De Surinaamsche Bank, dan zou ik ’s nachts heel erg slecht slapen,’ zei Hans Moison in het Nederlandse dagblad Trouw tegen de Vlaamse journalist Pieter Van Maele die zeven jaar lang in Suriname werkte. Ook de Centrale Bank van Suriname deed bij monde van bankgovernor Glenn Gersie een oproep om geld te storten in een noodfonds dat de DSB overeind moest houden. Al die berichten samen hebben geleid tot een bankrun. Klanten van DSB namen het zekere voor het onzekere en haalden hun geld bij de bank weg.

Een aangekondigd afscheid

Hans Moison zei verder tegen Pieter Van Maele: ‘Niet lang na mijn aantreden ontdekte ik tot mijn afgrijzen dat de bank ook zelf een erg grote schuld had opgebouwd, en wel bij de Centrale Bank. De bankdirectie had daar geld geleend, om dat vervolgens weer te kunnen uitlenen aan de overheid. Dat is niets minder dan indirecte, monetaire financiering, iets waarop in heel wat andere landen bij wijze van spreken de doodstraf staat.’

Met deze uitspraak deed hij nog eens dunnetjes over wat hij zeer uitvoerig in zijn dagboek beschrijft. Het boek lijkt een beetje, niet in zijn stijl maar in de dramatische ontwikkeling die er al gauw insluipt op ‘de kroniek van een aangekondigde dood’ van Gabriel García Márquez. Op zaterdag 12 maart 2016 schrijft Moison in zijn dagboek: ‘De tweede week zit erop. Ik heb veel indrukken opgedaan bij de bank. Het is niet leuk om te concluderen, maar er schort meer aan dan ik dacht. De operationele werkzaamheden worden uitgevoerd, maar het ontbreekt aan besturing, begeleiding en ontwikkeling.’ Die constatering wordt een constante in heel het verhaal van zijn bankjaar. De klokkenluider in hem wordt daar al wakker gemaakt – wat kan ik doen om dat verhelpen? – en, zonder het zelf te beseffen, kondigt hij daarin al een aangekondigd afscheid aan.

Natuurlijk, de ernstige en plichtbewuste bankadviseur heeft met dit boek geen literatuur willen schrijven, maar toch zijn alle elementen van een Griekse tragedie aanwezig: de initiële, zeer goed bedoelde drive om een kleine bijdrage te kunnen leveren om de werking van de grootste bank van een klein land te optimaliseren wordt geleidelijk aan verdrongen door het besef dat er verborgen agenda’s bestaan en dat er door sommige hoofdrolspelers ‘blinde muren’ worden opgeworpen om een en ander te verdoezelen. Als dramatis personae komen gezagsdragers in beeld die vooral vanuit een machtspositie handelen – hoewel hij de namen niet vernoemd gaat het in deze over de protagonisten, met name DSB-directeur Sigmund Proeve, bankgovernor Glenn Gersie, minister van Financiën Gillmore Hoefdraad en op de achtergrond Christine Lagarde van het IMF en natuurlijk ook vanuit de coulissen president Desi Bouterse. Verder is er het Griekse koor aanwezig, ook binnen de bank, die de Surinaamse dociele mentaliteit van een patriarchale, hiërarchische samenleving uitademt, maar gelukkig zijn er ook enkele dappere en verstandige antagonisten, meestal jongere medewerkers, die de nieuwe visie van Hans Moison volgen, maar dat blijken in de Surinaamse context witte raven, zoals ook iemand als Curtis Hofwijks van ‘We zijn moe’ die voorlopig nog een dissidente roeper is in de woestijn, maar die moedig in het verweer komt tegen het Griekse koor dat tot de NDP, de paarse partij van president Bouterse, behoort. In die zin is de DSB-story zeer representatief voor de crisissfeer die er op dit ogenblik in het land heerst. Dat heb ik enkele maanden geleden met eigen ogen kunnen zien. De vele stakingen van ‘landsdienaren’ in het onderwijs, maar ook in andere sectoren die van overheidsbetalingen afhangen, zijn daarvan een duidelijke illustratie. De staatskas is leeg – sommigen zeggen leeggeroofd – en daarom probeert de regering allerlei creatieve manieren te bedenken om leningen af te sluiten, zoals met het IMF, om sociale onlusten te vermijden en om het hachje van Bouterse te redden die zolang hij president is, zich veilig voelt wanneer hij door de rechterlijke macht zou veroordeeld worden voor zijn rol in de decembermoorden van 1982.

Klokkenluider

Het zou echter het boek van Moison onrecht aandoen door ‘Een bank in Suriname’ alleen maar als het relaas van een klokkenluider te zien. Moison is ook een scherpe en nieuwsgierige waarnemer die tijdens zijn jaar als inwoner van Paramaribo heel veel leert van een land dat hem ten zeerste boeit. De accountant vervelt zich op sommige bladzijden zelfs tot een amateur antropoloog die zich deels weet in te burgeren in de Surinaamse samenleving, maar die door zijn achtergrond toch ook buitenstaander blijft. Die tussenpositie van insider die ook outsider blijft, stelt hem precies in staat om te participeren en om scherp te observeren. Dat doet hij niet op een neutrale manier, want in zijn appreciatie van de figuur Bouterse, president en tegelijk beklaagde in een proces rond de decembermoorden, neemt hij een zeer duidelijk standpunt in. Ook dat zal hem in sommige Surinaamse kringen wel bijzonder kwalijk worden genomen. Dat heb je nu eenmaal met klokkenluiders. Gelukkig zit hij nu niet opgesloten in een of andere ambassade.

‘Een bank in Suriname’ is het zeer bijzondere boek van een man die van binnenuit het reilen en zeilen en het bijna kapseizen van de grootste bank van Suriname heeft kunnen meemaken en die daarover een eerlijk en ongezouten dagboek heeft durven open te doen. Voor mijn vertrek uit Paramaribo heb ik bij boekhandel Vaco in de Domineestraat nog snel ‘Een bank in Suriname’ gekocht. Alleen op die plaats heb ik het aangetroffen. Ik hoop – maar ik vrees ervoor – dat dit boek, dat waarschijnlijk in eigen beheer is uitgegeven, zeker in Suriname ruime verspreiding mag krijgen.

Pe a moni de? Op die vraag zou alvast elke Surinamer het antwoord moeten kennen en daartoe kan dit boek zeker een hulpmiddel zijn.

------------

Titel: Een bank in Suriname, Pe a moni de?
Auteur: Hans Moison
Uitgever: Great Too, Amsterdam
Uitgave datum: 2017
Pagina's: 346 blz