Soms voel ik me alsof ik in een soort time-warp terecht gekomen ben, en tussen allerlei debatten uit de jaren zeventig geland ben. Dan gaat het om debatten waarin verschillende emancipatiebewegingen, samengevat onder de noemer ‘identiteitspolitiek’, tegenover de strijd voor sociaal-economische rechtvaardigheid geplaatst worden.

(Door Alex de Jong, oorspronkelijk verschenen op grenzeloos)

Delen van links gedragen zich als slechte karikaturen van ouderwets links voor wie ‘de arbeider’ impliciet een witte hetero-man is die te dom en te bekrompen is om ooit te leren dat hij veel gemeen kan hebben met mensen die niet in dat plaatje passen, en daarom, voor zijn eigen bestwil, liefst zo ver mogelijk weg gehouden moet worden van verwarrende zaken als feminisme, anti-racisme, seksuele diversiteit, en andere ‘identiteitspolitiek’.

Want als je hem daarmee confronteert, raakt deze stumperd blijkbaar meteen zo overstuur dat ‘ie spontaan Baudet of Trump gaat stemmen.

Een voorbeeld is het artikel over ‘identiteitspolitiek’ in het decembernummer van Spanning, ‘Uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP’. Het begint al met de definitie van het onderwerp; ‘identiteitspolitiek is uitvergroten of zelfs verabsoluteren van eigenheid’ — met zo’n vertrekpunt staat de uitkomst al vast.

In een tijd waarin ‘oude, traditionele identiteiten onder druk staan’ gaan, stelt het artikel, zijn mensen op zoek naar houvast en gemeenschap door middel van ‘op voorhand vaststaande overeenkomsten, zoals etniciteit, huidskleur of seksuele voorkeur’. Linkse identiteitspolitiek is zogenaamd ‘het benadrukken van etnische, (anti)religieuze of genderidentiteiten’ en het daarbij uitsluiten van anderen.

Dergelijke ‘identiteitspolitiek’ is een van de oorzaken van de verdeeldheid van de groep die het bastion van links zou moeten zijn; ‘de grote meerderheid die belang heeft bij een fundamenteel andere verdeling van kennis, macht en inkomen’. Dat links ook voor de opkomst van die zogenaamde identiteitspolitiek moeite had met het verenigen van die groep, ligt aan ‘strategische verschillen en niet aan het uitsluiten van bevolkingsgroepen’.

Dit gaat totaal voorbij aan een geschiedenis van linkse bewegingen die, al dan niet bewust, en vaak met ‘strategie’ als reden, wel degelijk de strijd van hele bevolkingsgroepen negeerden — of daar zelfs negatief tegenover stonden. Als deel van hun bondgenootschap met de Amerikaanse president Roosevelt in de jaren dertig, maakte de Communist Party of the USA allerlei concessies aan racistische zuidelijke Democraten. In Nederland maakte de PvdA de strategische keuze dat haar regeringsdeelname belangrijker was dan Indonesische onafhankelijkheid en voerde ze een bloedige koloniale oorlog. In de jaren zeventig wilden veel socialistische groepen zich aanvankelijk verre houden van homo-emancipatie, bang dat een dergelijk taboe-onderwerp maar verdeeldheid zou zaaien.

Waar het artikel aan voorbij gaat, is dat ‘de grote meerderheid die belang heeft bij een fundamenteel andere verdeling van kennis, macht en inkomen’ al verdeeld is, dat deze verdeeldheid geen van buiten ingevoerd element is. Een zwarte arbeidster die meermalen meegemaakt heeft dat haar naam een barrière is bij het vinden van een baan, heeft allicht een ander beeld dan de schrijver bij de ‘zoektocht naar een beter leven’ die in dit artikel als verenigend perspectief wordt neergezet.

Belangrijke emancipatiebewegingen, zoals feminisme, de zwarte burger-rechtenbeweging en de homobeweging, zijn begonnen door mensen die een bepaalde positie, een bepaalde identiteit, deelden. En vaak moesten deze mensen gevestigde linkse groepen in gaan om hun eisen, hun ‘zoektocht naar een beter leven’, kracht bij te zetten.

Het artikel in Spanning omzeilt dit soort ervaringen met een pro-forma getuigenis dat socialisten natuurlijk nooit ‘uitbuiting, uitsluiting en discriminatie’ zullen accepteren. Dat is een verklaring die zo abstract en zo betekenisloos is, dat van links tot rechts vrijwel iedereen zich erachter kan scharen.

Van de werkelijkheid abstraheren is in dit stuk de oplossing: in plaats van ‘identiteiten’ (elders zelfs bestempeld als ‘subculturen’) moet de ‘de mens als zodanig’ centraal staan. Wel eens een ‘mens als zodanig’ tegengekomen?

Concrete individuen hebben identiteiten, ook al verklaart een deel van links dat ze die eigenlijk niet zouden moeten hebben. In plaats van deze verschillen onzichtbaar te willen maken, zouden we als links moeten werken aan een beweging waarvoor hier ruimte is, en de strijd van de een niet ondergeschikt hoeft te zijn aan die van de ander.