ImageEr is weer een nieuw boek over globalisering verschenen. Deze draagt de nieuwsgierig makende titel Anders globaliseren. Het boek is een voorstel om te komen tot een andere dan de huidige globalisering waarin mensenrechten en het milieu keer op keer de klos zijn. Het internationaal recht staat hierbij centraal. Maar anders dan de titel de bezoekers van deze website misschien doet vermoeden is dit geen radicaal werk.

 

De Belgische auteur en docent internationaal recht, Cedric Ryngaert, neemt er een tamelijk gematigd standpunt in: 'we willen zo veel mogelijk recht doen aan de legitieme belangen van alle relevante actoren: het winststreven van ondernemingen, het recht op ontwikkeling van ontwikkelingslanden, (...) de mensenrechten van lokale arbeiders en gemeenschappen, en het belang van het milieu als een globaal publiek goed.' Het boek is dus een compromis, maar daarom niet minder interessant en relevant. De voorstellen die er in aan bod komen zijn namelijk in theorie relatief gemakkelijk te verwezenlijken, terwijl ze toch proberen de huidige globalisering aan banden leggen.

Ondanks de titel is dit geen boek dat handelt over de andersglobaliseringsbeweging of het Wereld Sociaal Forum. Het boek is een onderdeel van de serie Wereldvisie en die heeft tot taak de 'activiteiten van de Verenigde Naties in ruime zin kritisch in kaart (te) brengen.' Het bekijkt de problematiek van de globalisering daarom vanaf het niveau van de natiestaat. Dit uitgangspunt sluit op voorhand meer radicale alternatieven zoals die binnen de andersglobaliseringsbeweging aan bod komen uit, omdat de laatste vaak kijkt naar niet-gouvernementele oplossingen. Daarbij gaat het boek verder uit van de rechtmatigheid van vrijhandel ten opzichte van protectionisme. Bij protectionisme is niemand gebaat is hier de aanname. Dat is een problematisch uitgangspunt, zoals we verderop zullen zien.

Ook al is het boek dus gematigd, het vertrekt wel vanuit een centrale eis van de andersglobaliseringsbeweging. Andersglobalisten, de naam zegt het al, streven naar een andere globalisering. Ryngaert: 'dit is een globalisering waarin niet de economie, maar de mens, zijn cultuur, het milieu, de mensenrechten, ... centraal staan.' In de ogen van de auteur is de andersglobaliseringsbeweging daarom voorstander van een 'internationaal juridisch kader dat duidelijk maakt dat commerciële waarden niet zomaar beschavings- en milieuerfgoed aan de kant kunnen schuiven.' Hij voegt daar nog aan toe: 'Zonder een juridisch kader zou de wereld ten prooi kunnen vallen aan het dictaat van de economie en zouden sociale cohesie en duurzame ontwikkeling op de helling komen te staan. Over dit mondiaal juridisch kader gaat dit boek.'

Tussen de inleiding en het besluit is het boek opgemaakt in twee delen waarbij het eerste deel van meer waarde is omdat het concreter is. Dit deel neemt de grootste winnaars van de globalisering, de multinationale ondernemingen, onder de loep. In de huidige globalisering worden vaak de arbeids- en milieunormen, meestal in ontwikkelingslanden, met voeten getreden door multinationals. De productieprocessen van multinationals vindt haast volledig plaats in het Zuiden terwijl het hoofdkwartier vrijwel altijd in het Noorden staat. De overheid in het Zuiden treedt dikwijls niet op wanneer een multinational de wet overtreed. Dit gebeurt omdat de bewuste staat daar er de middelen niet toe heeft of het oogluikend toestaat omdat het er voordeel bij heeft. Omdat deze situatie zich geregeld voordoet stelt Ryngaert zich de volgende vraag: 'kan en moet het internationaal recht inderdaad een rol spelen in de regulering van multinationals?' Voor de ernstigste mensenrechtenschendingen, zoals etnische zuiveringen, bestaat reeds een internationaal strafgerechtshof, maar voor minder grote overtredingen, zoals het keer op keer overtreden van arbeidsrecht, bestaat dit niet. In het eerste deel van zijn boek bekijkt de auteur wat de mogelijkheden voor zo'n gerechtshof zijn. Daarbij gaat Ryngaert ervan uit dat een dergelijk hof (of iets vergelijkbaars) wenselijk is. Hij stelt namelijk vast dat vrijwillige initiatieven, zelfregulering en dergelijke die met name in de late jaren '90 van de vorige eeuw onder druk van de groeiende andersglobaliseringsbeweging opkwamen, mogelijk niet het gewenste effect sorteren. Een 'dwingender juridisch kader' is daarom gewenst. Een nieuw internationaal gerechtshof belast met arbeidsrecht en dergelijke, een aanvulling op de bestaande internationale gerechtshoven of een onafhankelijke rechtbank in het Noorden die wel de capaciteiten heeft, zou een dergelijke rol kunnen vervullen. Een rechtbank in het Noorden zou deze taak mogelijk op zich kunnen nemen omdat het hoofdkwartier van de multinational immers in het Noorden staat. Dit is het meest uitdagende deel uit het boek.

Het tweede deel 'gaat na hoe de vrijhandelsregels afgesproken in de Wereldhandelsorganisatie verzoend kunnen worden met duurzame ontwikkeling.' Uitgangspunt is hier dat milieu en internationale handel op gespannen voet met elkaar (kunnen) staan. In dit deel stelt de auteur vast dat hoge milieunormen in het Noorden het recht op ontwikkeling in de Derde Wereld in de weg kunnen staan omdat het te hoge producteisen kan stellen waar de ontwikkelingslanden niet aan kunnen voldoen. Op deze manier doet het Noorden dan eigenlijk aan verkapt protectionisme. Het sluit haar markten af voor 'minderwaardige' producten uit het Zuiden. Om dat tegen te gaan stelt Ryngaert voor dat de rijke landen mee gaan helpen aan capaciteitsopbouw in het Zuiden. Dat ondergraaft dan weer de mogelijk protectionistische aspecten. Het Noorden moet met andere woorden het Zuiden tegemoetkomen. Het Noorden moet investeren in een schonere industrie in het Zuiden.

Dat is een interessant, maar misschien wat naïef voorstel. De vraag is natuurlijk in hoeverre de politieke leiders in het Noorden baat denken te hebben bij een ontwikkeld Zuiden dat op gelijke voet kan concurreren met de hoogwaardige industrie in het Noorden. Die vraag stelt Ryngaert zichzelf echter niet. Dat de auteur er vanuit gaat dat het Noorden net zo graag als het Zuiden wil dat het Zuiden zich ontwikkeld, is te gemakkelijk. De angst die in het Noorden bestaat voor opkomend China is hier veelzeggend. Een andere kritiek is dat het zondermeer de vraag is of vrijhandel de motor van ontwikkeling kan zijn die het Noorden claimt dat het is en die Ryngaert denkt dat het kan zijn. Feit is in ieder geval dat de periode voorafgaand aan de huidige neoliberale fase van de globalisering, de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot de jaren '70, veel meer industriële opbouw kende en een grotere economische groei in het Zuiden. Het is tegelijk de periode die vrijemarktadepten verfoeien. Ook zijn juist de nu ontwikkelde landen achter hoge tariefmuren gekomen tot waar ze nu zijn. Daarnaast zijn er geen geslaagde voorbeelden van nu ontwikkelde of maar zich ontwikkelende staten die dat doen op basis van vrijhandel. Daar had de auteur bij stil moeten staan toen hij de deur voor protectionisme sloot, maar vast bleef houden aan het 'recht op ontwikkeling' voor ontwikkelingslanden.

Beide hoofdstukken maken Anders globaliseren desondanks tot een interessant boek dat een frisse blik werpt op de huidige stand van globalisering en nagaat in hoeverre deze, met de middelen die er direct voorhanden zijn, aan banden gelegd kan worden. De uitkomst van het boek, al geeft het toe meer vragen te stellen dan antwoorden te geven, is evenwel gematigd en eenzijdig. Niet-gouvernementele oplossingen worden, ondanks de titel doet vermoeden, niet in beschouwing genomen. Daarnaast zijn bepaalde aannames in het boek, zoals de wil in het Noorden tot structurele hulp aan het Zuiden en de notie van ontwikkeling voortkomend uit vrijhandel, zeer problematisch. Deze discussie komt in Anders globaliseren helaas niet aan bod.

Cedric Ryngaert, Anders globaliseren, Mensenrechten, milieu en internationale handel (uitgeverij ACCO te Leuven/Voorburg - 2007). ISBN: 978-90-334-6597-0.