De Amerikaanse activiste en journaliste L.A. Kaufmann publiceerde in 2017 het boek Direct Action (Protest and the Reinvention of American Radicalism). Het is een geweldig boek over activisme in de VS en beschrijft hoe basisbewegingen in de loop der jaren naar het middel van directe actie hebben gegrepen en hoe dat zich heeft ontwikkeld en telkens weer oplaait. Het bijzondere van het boek is de historische analyse van de verschillende vormen van activisme en de effectiviteit ervan.

De schrijfster is meer dan twintig jaar met het boek bezig geweest, en liet het meerdere keren halverwege liggen omdat er andere dringende zaken tussenbeide kwamen. In 2014 pakte ze het weer op om het af te maken. De grote vraag die ze probeert te beantwoorden, gaat over de verklaring voor de grote pieken en dalen die er te zien zijn in de massaliteit van directe-actiebewegingen. Ze lijken soms alomtegenwoordig te zijn, om dan weer in elkaar te zakken en jaren later weer op te laaien. Maar welke factoren zorgen voor het inzakken, en hoe lukt het om weer massale actie van de grond te krijgen? Daarnaast rakelt het boek veel geschiedenis op die vergeten of zelfs onopgemerkt was, maar hier op een inspirerende manier aan bod komt.

Het is geen alomvattende inventarisatie van het actiemiddel, waarschuwt de schrijfster in de inleiding. En veel terreinen laat ze ook buiten beeld omdat het geen encyclopedie beoogt te zijn. Bijvoorbeeld vakbonden en arbeidsstrijd. Ook gaat ze bewust niet veel in op de historische golven van directe actie zoals die van de Wobblies begin jaren 1900 of de burgerrechtenbeweging van de jaren 1950 en begin jaren 1960. Wat wel in haar analyses centraal staat, is het belang van racisme en hoe bewegingen daar mee omgegaan zijn (of niet). En ook vrouwen- en homo/queer-activisme krijgt veel aandacht.

De regering stoppen

Het boek begint met een van de grootste collectieve acties die georganiseerd werden in de VS tegen de oorlog in Vietnam, in 1971 en die geheel vergeten leek. De actie van de ‘Mayday Tribe’ was een poging om Washington DC lam te leggen om de oorlog in Vietnam te helpen stoppen. Nixon regeerde en de activisten hadden bedacht dat ‘als de regering de oorlog niet stopt, wij de regering moeten stoppen’. Er was een uitgebreid ‘tactische handleiding’ gemaakt en verspreid, met een kaart van de stad met daarop 21 bruggen en kruispunten die geblokkeerd konden worden. De oproep was om dat geweldloos te doen, maar wel echt te blokkeren, met barricades of ‘de lichamen van demonstranten’. Er kwamen zo’n 25.000 mensen op de been op dat te doen, waarvan er meer dan 7000 werden gearresteerd. De autoriteiten hadden als tegenmaatregel bedacht dat iedereen zo snel mogelijk opgepakt moest worden, en met de tactische handleiding van de demonstranten konden ze dat goed voorbereiden. Het plan mislukte dan ook in zekere zin. Op alle geplande punten waren blokkades maar die hielden het meestal niet lang uit, door de overmacht aan repressie. In de media werd het afgeschilderd als een grote mislukking van de activisten. Maar Kaufmann weet wel beter, de regering Nixon was danig ontzet door de omvang van de acties en CIA-directeur Richard Helms moest later erkennen dat het de regering zwaar onder druk had gezet om ‘te zoeken naar een manier om uit die oorlog te komen’.

Kaufmann schetst in het hoofdstuk over deze actie ook de maatschappelijke omstandigheden van die tijd, hoe de acties tegen de oorlog snel in omvang toe namen en er in de weken voor de blokkades al massale demonstraties en andere blokkades (‘sit ins’) in het land waren. Ze schetst ook hoe deze specifieke actie een nieuwe methode introduceerde van decentraal toeslaan (in plaats van steeds maar weer grote centrale demonstraties) en hoe die daarna school ging maken, en dat daarmee het model van de basisgroepen (‘afinity groups’) een plek kreeg in het organiseren van acties. Ze beschrijft dan ook de geschiedenis van die tactiek en hoe andere bewegingen er eerder al op kleinere schaal mee hadden gewerkt. Zoals vrouwengroepen en de homobeweging na de Stonewall-rellen in 1969. En ook de zwaar militante Weather Underground die de Democratische Conventie in 1968 probeerde te punken. Maar de mate van militantie die de Weather Underground van demonstranten vereiste, werd in de campagne van de mayday Tribe bewust naar beneden geschroefd, onder andere omdat de repressie daar wel weg mee wist, en demonstranten niet te porren bleken voor een ‘all out war’.

Maar het opwerpen van barricades was een enorm succes. Mensen gooiden van alles op straat; vuilnisbakken, geparkeerde auto’s, gebroken glas, stenen ‘en ons lichaam’ en politie en leger moesten helikopters gebruiken om manschappen af te zetten. Overal in de stad waren confrontaties met ordetroepen, die drie dagen duurden. De autoriteiten arresteerden zoveel mensen dat ze moeite hadden om plekken te vinden om ze vast te houden, en ze werden onder andere in voetbalstadions gevangen gehouden, waar buurtbewoners in de weer kwamen om ze voedsel en dekens te brengen, die over de hekken werden gegooid.

Hoewel de actie dan in de media als mislukking neergezet werd, schetst Kaufman hoe de decentrale actiemethode school had gemaakt toen Nixon een jaar later, mei 1972, de oorlog verder opvoerde door aan te kondigen zeven havens in Vietnam met mijnen lam te leggen. De reactie van anti-oorlogsdemonstranten was in het hele land te zien; in allerlei steden werden snelwegen, treinstations, vliegvelden, bruggen en kruispunten geblokkeerd. Opvallend genoeg gebeurde dat ook in steden die helemaal niet bekend stonden als linkse brandhaarden. Er werd zelfs een uitgerangeerde mijnenveger bezet om die naar Vietnam te varen om daar de mijnen weg te halen. De oorspronkelijke actie in Washington was dan gesmoord in repressie maar legde wel ‘de basis voor een nieuw soort radicalisme: decentraal, multivocaal, ideologisch divers en aangedreven door directe actie’. De zaden van de Mayday Tribe 1971 waren naar ‘elke uithoek van het land verspreid’.

Verschuiving naar lokale en parlementaire actie

In een tweede hoofdstuk beschrijft Kaufmann hoe het perspectief van een groot deel van de demonstranten was verschoven in de jaren 1970. De beweging geloofde in de jaren daarvoor nog dat er een revolutie zou kunnen plaatsvinden, dat ‘het systeem’ op het punt stond om in elkaar te klappen. Er waren in de jaren zeventig nog aanzienlijke groepen die vanuit die overtuiging te werk gingen, en bomaanslagen uitvoerden op doelen van leger en bedrijfsleven. Maar een groot deel van de achterban raakte dat geloof kwijt, en dat had mede te maken met het opschroeven van de repressie en andere opstandsbestrijdingstactieken van de overheid.

Het gevolg was onder andere dat - met name zwarte organisaties - zich meer gingen richten op parlementaire campagnes en de leus ‘think globally, act locally’ in zwang kwam. Ook gingen activisten banden zoeken met grotere en meer gematigde groepen, en kwamen er allerlei initiatieven voor bewustwording en onderwijs van de grond. Kaufmann noemt de periode van midden 1970 tot midden 1980 ‘het tijdperk van opbouw van progressieve instellingen’. Je zag in die tijd dan ook voor allerlei doelgroepen (zwarte vrouwen, homo’s, migranten, et cetera) voorzieningen bevochten worden bij overheden en in het onderwijs. Het leidde ook tot fragmentatie, en de schrijfster signaleert dat allerhande algemene radicale initiatieven, zoals de linkse bladen, in die tijd opgeheven werden. Het was de tijd van de groei van ‘identity based subcultures’.

Kaufmann beschrijft ook de rijkdom van die wildernis aan nieuwe initiatieven, die er voorheen niet waren. Zoals een enorm aantal bladen voor de ‘gay community’, zoveel dat er een speciale conferentie georganiseerd kon worden in 1976 voor homobladen aan de oostkust van de VS, met een gezamenlijke oplage van meer dan 100.000 En kenmerkend was dat ze allemaal hun missie beschouwden als ‘expliciet politiek’. De bewegingen waren volgens Kaufmann misschien zwakker en kleiner dan tien jaar eerder, maar het waren er veel meer en met een veel breder spectrum. Ook het aantal demonstraties in bijvoorbeeld Washington was enorm toegenomen. Waar voorheen af en toe een massale demonstratie georganiseerd werd, was er nu ‘een constante stroom van protest’ georganiseerd door zoals de Washington Post het beschreef: “boeren, Amerikaanse indianen, religieuze fundamentalisten, Marxisten, Maoïsten, anarchisten, anti-abortusgroepen, pro-abortusgroepen, vrouwenbevrijders, anti-vrouwenbevrijders, homo’s, bejaarden, softdrugsvoorstanders en antimilitaristen.“

Maar Kaufmann beschrijft ook de analyses van linkse bladen en theoretici die de ontwikkeling betreuren omdat ze er een verlies aan invloed in zien. Kaufmann relativeert dat en merkt op dat als je goed kijkt naar de inhoud van de single-issue bewegingen, deze helemaal niet zo benepen zijn. Ze hadden over het algemeen wel degelijk een bredere visie en kritiek op de bestaande verhoudingen. Bovendien was er best veel kruisbestuiving tussen al die kleinere bewegingen. En wat ook een winst was, volgens de schrijfster, was dat er een basis gelegd werd voor een veel veelzijdiger visie op de verschillende systemen van overheersing. Ze noemt als voorbeeld van een groep die daar mee aan de slag ging, de groep van zwarte lesbische vrouwen uit Boston Combahee River Collective, die een grote invloed zou gaan hebben en vele radicale feministische denkers, activisten en media zou doen ontspruiten. Ze legden ook de basis voor het begrip intersectionaliteit. Maar grote massale acties waren in die periode inderdaad schaars.

Atoomenergie

Daar kwam verandering in met de opkomst van de beweging tegen kerncentrales en atoomenergie. Hier zien we voor het eerst in het boek ook voorbeelden buiten de VS genoemd worden. In Duitsland had een grote groep demonstranten geageerd tegen de bouw van een kerncentrale in Wyhl, waar ze hard ontruimd werden. Dit was een voorbeeld voor een kleine groep mensen in New Hampshire boven New York om te beginnen met acties tegen de bouw van de kerncentrale in Seabrook. Ze begonnen met 18 mensen die de bouwplaats betraden, met stekken van bomen en maisplanten om daarmee de bouwplaats te beplanten. Het was de Clamshell actiegroep, die goed had nagedacht over de mogelijkheid die ze met een kleine groep hadden om op hun thema zoveel mogelijk te bereiken. Het groeide uiteindelijk uit tot een grote en sterke activistische beweging in de VS die er toe heeft bijgedragen dat het atoomenergieprogramma in de VS relatief beperkt bleef. Meer dan 100 geplande atoomprojecten werden in de VS afgelast en directe actievormen waren centraal in de actiemethode van die beweging. Toen kort daarna ACT-UP opkwam, de beweging rond homorechten en AIDS, namen ze veel van die actiemethodes over voor hun activiteiten om druk uit te oefenen op het beleid van de overheid en wetenschap voor de aids-crisis. En ecologische bewegingen als Earth First hadden de lessen aantoonbaar eveneens geleerd.

Bij de Clamshell actiegroep constateert Kauffman voor het eerst bezorgdheid over de witte exclusiviteit van de deelnemers aan de acties, ook als ze Wall Street proberen te bestoken vanwege diens aandeel in het atoomprogramma. Ze constateren zelf dat ze nogal wit als beweging zijn, en aanvankelijk op een tamelijk tenenkrommende manier door de zwarte gemeenschap voor de voeten te werpen dat ze ontbreekt en wellicht nog niet van de gevaren bewust is. Maar al snel daalt het besef neer dat ze daar wellicht zelf een rol bij hebben, en dat het ook geldt voor andere minderheden. Ook begint de groeiende campagne elementen te introduceren uit de anarchistische traditie, die tot dusver grotendeels ontbraken, zoals ‘consensus besluitvorming’.  Dat kwam overwaaien uit de feministische beweging, die zich ondertussen autonoom ontwikkeld had in vrouwengroepen die zich hadden afgesplitst uit ‘algemene’ bewegingen. En dus affiniteitsgroepen, die ook al snel terug te zien waren in de Nederlandse antikernenergiebeweging, die eind jaren ‘70 begon te ontstaan. De acties werden nu ook minder vrijblijvend, in vergelijking met de jaren zestig. Je moest je beter voorbereiden en weten waar het om ging, voor je mee kon doen. Terwijl je in de jaren zestig gewoon op kon komen draven in hippe kleren en je deed al mee. Maar nu moest je ook de codes en afspraken leren beheersen, en in die zin werd de beweging misschien minder breed en minder makkelijk toegankelijk.

Geweldloosheid

De heersende – als je dat woord voor de tegencultuur mag gebruiken – actiecultuur werd ook steeds geweldlozer. Het idee was dat de meerderheid van de bevolking afgeschrikt werd door gebruik van geweld, zoals bij de rellen en bomaanslagen van de eerdere beweging voorkwam. Er brak weliswaar een strijd los over de definiëring van geweld/geweldloosheid (was het neerhalen van een hek om een terrein te betreden of schreeuwen tegen agenten nu wel of geen geweld?). Maar het leidde ook tot merkwaardige vormen van pseudo-protest, zoals het vlak voor de actie door een select groepje dat de leiding had instemmen met een voorstel van lokale autoriteiten om af te zien van een blokkade van een bouwterrein voor een kerncentrale, in ruil voor toestemming voor het houden van een manifestatie elders waar ze met rust gelaten zouden worden. Desondanks kwamen er in die campagnes eind jaren 1970  aanzienlijke menigtes op de been om te proberen de bouw van kerncentrales te stoppen.

Daarna kwam Ronald Reagan aan de macht en werd de repressie verder opgeschroefd en braken de koude neoliberale tijden aan. Volgens Kaufmann waren toen vrouwengroepen de voortrekkers bij directe actie-campagnes, al waren ze aanvankelijk niet echt massaal. Bewegingen voor solidariteit met Midden Amerika en Zuid Afrika kwamen ook hardnekkig in het geweer, en daaraan verbonden zwarte bewustzijnsbewegingen en antiracisme. De anti-apartheidsbeweging was vooral verankerd onder studenten op universiteiten, en was daar vooral succesvol in campagnes voor desinvestering uit bedrijven die zaken deden in Zuid-Afrika. Maar ook het AIDS-activisme rond Act-Up kwamen op, en punk werd politiek en probeerde de partijconventies te verstoren in 1984, wat tot redelijk massale en felle protesten leidde.

Op sommige thema’s was het ook zeker massaal. Kaufmann noemt voorbeelden als de 250.000 mensen die in september 1981 in Washington op de been kwamen om vakbonden en arbeidsstrijd te ondersteunen (Reagan was net begonnen met een frontale strijd tegen vakbonden). En in juni 1982 kwamen er een miljoen mensen in New York demonstreren tegen kernbewapening.  Bovendien bleef het niet bij demonstreren, in de dagen erna werden meer dan 1600 mensen gearresteerd bij acties bij het VN-gebouw in New York. Het waren dan wel van die ‘afgesproken’ arrestaties, met bekende mensen er bij, dat ooit in de burgerrechtenbeweging begonnen was en nu een soort actieritueel geworden was.

Grote bewegingen in die tijd waren verder de anti-apartheidsbeweging en de beweging voor solidariteit met Midden-Amerika. Die laatste hanteerde de methode van de ‘pledge of resistance’, waarbij mensen een verklaring tekenden dat ze in verzet zouden komen als de VS een interventie in El Salvador zou plegen. 80.000 mensen tekenden dat, en veel kerken en gemeentes namen openlijk ongedocumenteerde vluchtelingen uit die landen op. ‘Pledge’ groepen deden overal in het land acties, zoals het blokkeren van wapentransporten.

Wat de meeste van deze activisten onderscheidde van die van eerdere jaren, was dat ze geen illusies hadden over komende revoluties en dat soort utopische zaken. Het was no future en toch actie voeren. Kaufmann beschrijft de atmosfeer van die periode als tamelijk wanhopig, ook omdat je voelde dat de kracht van rechts, die door Vietnam en de jaren ‘60-cultuur in het defensief was geraakt, weer snel aan het toenemen was. Voor het eerst was toen te zien dat rechtse groepen de tactieken begonnen over te nemen, zoals bij de zwaar conservatieve religieuze anti-abortusactivisten, die abortusklinieken en hun personeel op de korrel gingen nemen.  

Blokkade van CIA hoofdkantoor in Langley

Een typerende actie van de Midden-Amerikabeweging was toen eind 1986 een recruteringskantoor van de CIA op de universiteit van Massachusetts werd geblokkeerd. Wegens de rol van de CIA in de oorlog in El Salvador en de doodseskaders aldaar. Onder de arrestanten was onder andere Amy Carter, dochter van de voormalige president van de VS, en jaren ‘60 veteraan Abbie Hoffmann. Ook hun rechtszaak enkele maanden later leverde veel aandacht en demonstranten op en er rees het idee om door te pakken door de blokkade van het hoofdkantoor van de CIA te organiseren, in Langley, Virginia. Maar omdat de linkse solidariteitsorganisatie met El Salvador CISPES (die onverschrokken zijn steun uitsprak aan het revolutionaire verzet aldaar) de voornaamste organisator was, ontstond er getouwtrek met enkele minder radicale organisaties. Met name de vakbond AFL-CIO, die zich uiteindelijk zelfs distantieerde van de actie. Een van hun bonden, lerarenbond UFT plaatste zelfs een betaalde advertentie in de NYT om op te roepen niet aan de actie deel te nemen (dat terwijl vakbondsleden in El Salvador massaal vermoord werden…). In grote media verschenen rapportages over de verdachte achtergrond van de organisatoren (‘vermoedens over geld van Gadaffi uit Libië’).

Desondanks werden de acties massaal, en kwamen er naar schatting 100.000 (of 75.000 zoals politie doorgaf) mensen demonstreren, waarvan naar schatting 25.000 door vakbondskringen gemobiliseerd. Media deden het af als onbetekenend, zoals de New York Times die op pagina 32  berichtte dat de acties ‘deden denken aan de jaren 1960’.  Het menu was een bekende: eerste een grote demonstratie, daarna blokkades. De deelnemers werden in drie groepen verdeeld, omdat het gebouwenterrein van de CIA drie ingangen had. Het politieoptreden was relatief rustig, er werden uiteindelijk meer dan 500 mensen gearresteerd, maar zonder al te zware middelen in te zetten. De vraag was hoeveel van het CIA-werk nu daadwerkelijk verstoord werd. De media-aandacht voor deze actie was ineens wel groot en de organisatoren en achterban bleven met de vraag zitten welk effect ze nu hadden behaald met zo’n spektakel.

Witte studenten

Maar een van de bijvangsten leek in ieder geval dat er pogingen kwamen om een nieuwe landelijke radicale studentenorganisatie in de VS op te zetten. Een eerste conferentie van afgevaardigden op Rutgers University in februari 1988 telde 700 mensen, en die waren voor 95% wit en dat werd meteen een breekpunt. Zwarte organisaties van vaak lokale studenten werden wel uitgenodigd om deel te nemen, maar wezen zo‘n uitnodiging veelal af omdat ze het gevoel hadden dat ze alleen gevraagd werden om te legitimeren, niet om werkelijk deel te nemen. Hoe dan ook werd op de conferentie besloten pas verder te gaan als de ‘kleurenbalans’ beter in orde was. Dat voerde tot een impasse, maar ook tot allerlei discussies over militante actie en racisme. Een van de constateringen was dat veel zwarte studenten of organisaties ook om diepere politiek-strategische redenen niet mee wilden doen. De speerpunten liggen vaak anders. ‘Witte’ activisten willen actie voeren tegen grote politieke problemen en veronachtzamen de eigen directe omgeving en leefomstandigheden waar zwarte activisten op gericht zijn. Neem bezuinigingen op studiebeurzen. Maar ze voeren die strijd ook met andere middelen omdat de consequenties van repressie voor hen anders en ernstiger zijn dan voor de meeste witte studenten. Natuurlijk is dit een te schematische voorstelling en waren er ook veel raakvlakken en niet alle organisaties waren zo gesegregeerd, maar het bleek wel dat het wederzijds wantrouwen diep zat.

Earth First was ook zo’n witte clup. Maar wel een zeer actieve en activistische, die sabotage propageerde en deskundig uitvoerde. L.A. Kaufmann beschrijft een grappig milieu in het zuidwesten van de VS waar de Earth First ontstond uit de kring rond schrijver en activist Edward Abbey (wiens boek The Monkey Wrench Gang de naam Earth First introduceerde). Eerst waren daar eenlingen aan de gang om notoire milieuvervuilende bedrijven te bestoken. Toen waren er kleine groepjes actief die vooral reclameborden omzaagden van dergelijke bedrijven en projectontwikkelaars. Maar die gingen al snel verder en gingen de bouwplaatsen zelf aanpakken. In 1973 werd de eerste Earth Day manifestatie georganiseerd om verschillende campagnes bij elkaar te brengen en te presenteren en daar was onder andere de ‘nogal gematigde groep’ Environmental Action die openlijk de tactiek van ‘ecotage’ uitventte. Ze organiseerde ook een wedstrijd voor de beste sabotagetechnieken, waarvan de resultaten in een boek werden gepubliceerde bij een sjieke uitgeverij (Simon & Schuster). Het toont aan hoeveel steun er daar in die tijd was voor vergaande directe actie. Daar is vervolgens het omvangrijke netwerk Earth First! Uit ontstaan, met vele afdelingen, een tijdschrift, honderden acties en jaarlijkse massale bijeenkomsten.

Kaufmann schetst hoe Earth First ook een structuur was waar een nieuwe generatie activisten werd gevormd, en ook van ideologische inhoud werd voorzien, die een breuk vormden met de voorgangers in de jaren ‘60. Ze waren bijvoorbeeld vasthoudender, en meer cynisch volgens Kauffmann. En er werd niet bloemig en wazig gedaan over de bedoelingen, zoals eerde bij de hippies, maar zeer berekenend actie gevoerd met het besef dat het belangrijk was om ‘het voor degenen die aan de macht zijn duurder te maken om zich te verzetten, dan toe te geven’. Maar bovenal stond voor alle deelnemers als een paal boven water dat directe actie het voornaamste middel was.

Act Up

Zo’n houding gold volgens Kaufmann ook voor de veel stedelijkere activisten van Act-Up tegen het aids beleid. Dit werd in 1987 opgericht, wat een gruwelijke tijd was voor homo’s en lesbiennes. HIV-infecties verspreidden zich snel en de rechtse krachten in politiek en media hadden alleen maar weerzin jegens de slachtoffers. Kaufmann schetst hoe Act-Up er in slaagde om uit deze onderdrukking op te staan en een golf aan activisme te veroorzaken, veelal door mensen die eerder daarvoor nooit op straat waren gekomen. De middelen waren uniek, maar borduurden voort op die van eerdere radicale bewegingen. Wat ze er aan toevoegden was het ‘grootse gebaar’. Niet alleen theatraal massaal voor dood gaan liggen, dat was eerder gedaan, maar met dramatische en persoonlijke elementen: met mensen die bijna dood gingen door aids, het vestoren van kerkdiensten omdat de Katholieke Kerk het af liet weten en de as van gestorven geliefden die op het grasveld van het Witte Huis werd verspreid. Act-Up had afdelingen in 87 steden in de VS maar interessant is dat uitgelegd wordt dat wat Act-Up bij elkaar hield de sociale zorg voor elkaar was binnen de klup: “we ruimden elkaars puinhopen op en gingen naar de begrafenissen van elkaars geliefden, het was een ongelofelijke familie”. En Act-Up was overal, ook op allerlei demonstraties die op het eerste weinig met ‘hun’ thema te maken hadden. Zoals bij een actie tegen de Golfoorlog, toen ze een live uitzending van CBS Evening News binnenstormden met het spandoek “Fight AIDS, not Arabs”.

Ook Act-Up was zeer decentraal, en was er een soort consensus dat massale demonstraties onzin waren en dus geen prioriteit hadden. Het hoofdstuk waarin Act-Up beschreven wordt is omvangrijk en behandelt zeer veel interessante deelaspecten van hun campagne. Het beschrijft ook hoe er een soort tweedeling kwam tussen de mensen die inzetten op praktische oplossingen, zoals meer geld voor betere medicijnen en voorzieningen, en een stroming die veel fundamenteler inging op ongelijkheid en gezondheidszorg en die wist dat die – veelal klassegerelateerde – problemen zouden blijven bestaan als AIDS eindelijk opgelost zou zijn.

Act-Up had geen eeuwig leven. Rond 1993 – twee jaar voor er medische oplossingen gevonden begonnen te worden –  begonnen veel lokale afdelingen te krimpen, maar gedeeltelijk omdat ze veel bereikt hadden. De Lesbische radicale actiegroep Lesbian Avengers was een van de laatste actiegroepen die voor een nieuwe impuls bij Act-Up zorgde, met een inspirerend werkende openlijke uitnodiging om te komen rellen terwijl ze tegelijkertijd ‘began to explore the subversive potential of being sweet’. Wie wil daar niet bij aansluiten? Ze waren begonnen met kleine verstorende acties (“planting stink bombs”) maar groeiden uit tot een krachtige organisatie. Een van hun succesvolle campagnes was het bij referenda verslaan van wetsvoorstellen van conservatieve religieuze organisaties tegen homo’s/lesbiennes. Dat gebeurde in uiteenlopende deelstaten, vaak op het zwaar conservatieve platteland. Zo beschrijven ze hoe ze vanuit New York op verzoek te hulp gingen bij de campagne in Idaho, waar ze in teams van twee met lokale activisten van deur tot deur gingen ‘activistisch kanvassen’ tegen het wetsvoorstel: aanbellen en eerst vragen : “hebt u gehoord van wetsvoorstel proposition one?” Om meteen door te pakken met “dat is voor mij persoonlijk belangrijk, want ik ben lesbisch en dat zou mijn mijn baan kunnen kosten, of betekenen dat ik uit mijn huis gegooid wordt...’ De resultaten waren verbluffend en je zag duidelijk verschil in de uitslagen bij de verkiezingen tussen de plekken waar wel door hen gekanvassed was, en waar niet. Overal waar ze de deuren langs gegaan waren, stemden mensen in meerderheid tegen het wetsvoorstel om homo’s het leven zuur te maken, er is een geval van een dorp op het platteland waar 75% tegen stemden.

Maar in de evaluatie van hun activiteiten in het boek vertelt een van de protagonisten van toen dat ze ‘zo bezig waren met hun sexiness’ dat ze weinig oog hadden voor rassisme. Dat veranderde toen van actiegroepen niet meer vanzelfsprekend geacht werd dat ze nu eenmaal autonoom waren, maar zich ook moesten verantwoorden voor hun inhoud en vorm.

Een ander interessant probleem dat actiegroepen eind jaren 1980 tegenkwamen, was de snelheid waarmee nieuwe actievormen verouderd raakten voor de media. De actiemethodes van de jaren ‘60/70 werden al helemaal afgeserveerd als ‘een macabere performance kunst’. Maar nieuwe opkomende bewegingen in de jaren 1990 (rond hip hop criminal justice, en globalisering/WTO) lieten zien dat zelfs kleine beginnende bewegingen succes kunnen hebben als ze acties strategisch plannen (en niet symbolisch of ‘ludiek’).

Dillema's

Ook Earth First scheurde in tweeën  en wel precies over hetzelfde dilemma als Act-Up : moet je alleen op jouw specifieke onderwerp blijven hameren, of moet je dat juist verbinden met andere maatschappelijke thema’s? De eerste stroming die gedeeltelijk richting ‘deep ecology’ ging, kwam zelfs in rechts vaarwater terecht, met verhalen over overbevolking als voornaamste reden van de milieuproblemen. Een nieuwe garde ging zich juist verbinden met andere bewegingen en feministische en antikapitalistische ideeën. Maar de twee stromingen bleven altijd present binnen de beweging, zoals op de jaarlijkse actiekampen.

Het vierde hoofdstuk (Turned Up) begint halverwege de jaren 1990 met de protesten tegen het bezuinigingsbeleid van de burgemeester van new York, Rudolph Giuliani, later zo prominent lid van team Trump. Aan de vooravond van de afkondiging van zijn nieuwe begroting, werd door een breed spectrum aan groepen vier belangrijke toegangswegen naar Manhattan geblokkeerd. De blokkades waren volgens thema’s die met de bezuinigingen te maken hadden en werden georganiseerd door navenante organisaties. Gezondheidszorg en AIDS, politiegeweld en racisme, huisvesting en onderwijs. Volgens Kaufmann was het de vraag in hoeverre de acties invloed hadden op het bezuinigingsbeleid, maar hadden ze in ieder geval als resultaat dat er voor het eerst iets ontstond als een inhoudelijk breed op directe actie gebaseerd en ‘cross racial’ samenwerking. De veelheid aan thema’s werd niet als een hindernis gezien (zoals veel critici van ‘identity politics’deden en doen) maar als een bron voor kracht. En tegelijkertijd werden de blokkades effectief en ‘discreet’ voorbereid en uitgevoerd. Dat kwam omdat men de waarde inzag van het ‘samenwerken met verschillen’. Een deel van de wortels voor deze nieuwe overtuiging, lag in de toen opbloeiende radicale milieubeweging, die zich onder meer tegen het kappen van oerbos verzette. Dit gebeurde met name in het Noord-westen, Oregon en Idaho, waar bijvoorbeeld een blokkade-actie diep in bosgebied 343 dagen voortduurde en de Vrijstaat Cascadia werd afgekondigd. Ook werden toen handige middelen ontdekt zoals allerlei vormen van ‘locks’ en barrikademethodes waar de houtkapindustrie echt (en dus niet alleen symbolisch) last van had. De methodes werden actief uitgevent in workshops en in de razend populaire handboeken van Earth First! Maar een andere plek waar plannen werden gesmeed en ervaringen gedeeld, waren de internationale ‘encuentros’ die de Zapatistas in Zuid-Mexico organiseerden en waar activisten uit de hele wereld met elkaar in contact kwamen. Dit alles was ook opmaat naar de blokkade van de WTO-topconferentei in Seattle in 1999 en die zo massaal decentraal werd dat het vriend en vijand verraste en de hele topconferentie in duigen viel. ‘Seattle’ was het begin van een hele cyclus aan topprotesten, de globaliseringsbeweging, maar ook het begin van het ernstig opschroeven van staatsrepressie om dergelijke krachtige bewegingen van informele netwerken de kop in te drukken.

Kauffmann merkt op dat bij de globaliseringsbeweging ineens ook weer de radicale politieke eisen van de jaren 1960, met revolutie en systeemkritiek, de kop opstak. Daarvoor waren de deelnemers vaak met hun eigen ‘one issue’ bezig geweest (atoomwapens, midden Amerika, apartheid, etc.), maar nu was ineens de gemeenschappelijke systemische vijand en het kapitalisme centraal komen te liggen. Die systeemkritiek kwam volgens Kaufmann voor een groot deel van de anarchisten binnen die beweging, die sowieso sterk aanwezig waren. De oude marxistische en socialistische partijen en bewegingen hadden allemaal in de jaren tachtig en negentig, vooral na de val van de muur, de tent opgedoekt, maar de anarchisten beleefden juist een sterke opleving. Getalsmatig een minderheid, waren ze alom aanwezig en hadden ze ook een sterke eigen infrastructuur opgebouwd aan tijdschriften, infocentra en praktische organisaties voor steun aan arrestanten, medische hulp en voedselvoorziening.

War against the war on terror

Maar weer ontstond er een debat rondom de kleur van de beweging. Het leidde deze keer tot betere conclusies en acties dan eerder in de jaren zeventig, Dat kwam ook omdat de acties in Seattle (en korte tijd later andere steden) zeer succesvol en aantrekkelijk was als voorbeeld. Waar de beweging echter niet uit kwam, was de herhaling van het ‘recept’ van Seattle en de toenemende militantie, die door autoriteiten steeds makkelijker met repressie op te vangen was. Sommige deelcampagnes waren weliswaar omvangrijk, zoals tegen repressieve wetten tegen jongeren (proposition 21) waar hiphop en directe actie samen kwamen. Maar het voerde wel tot verdere fragmentatie. en toen kwam natuurlijk die coup van de islamitische fundamentalisten op ‘nine eleven’ en begon de ‘war against terror´ en moest de globaliseringsbeweging alle zeilen bijzetten om te overleven en nieuwe interventie-oorlogen het hoofd te bieden. En eigenlijk zitten we daar nu nog steeds mee. De schrijfster beschrijft hoe omvangrijk de acties tegen de invasie in Afghanistan en daarna de oorlog tegen Irak waren. Maar het waren weer vooral keurige demonstraties, met brede haalbare eisen en ‘strictly legal tactics’. De vraag is, en ze stelt die hardop, of Bush meer problemen zou hebben gehad om Irak binnen te vallen als de acties militanter waren geweest. In San Francisco werd wel de hele binnenstad effectief lamgelegd toen de oorlog begon.

Bewegingen die daarna kwamen, zoals ‘occupy’ worden niet heel enthousiast beschreven door Kaufmann. Maar occupy schiep wel een nieuw perspectief, na 9/11, op een andere wereld en was voor veel jongeren een eerste kennismaking met de praktijk van tentenkampen en collectieve besluiten nemen. En daarna kwam Black Lives Matters (BLM) en dat was weer ouderwets massaal, militant en inhoudelijk radicaal. De golf van de geschiedenis rol zo verder. En wederom was de voornaamste kracht dat het niet centraal geleid werd door een desgewenst makkelijk op te pakken of onder druk te zetten leiding. Het was een model dat overal opgepakt kon worden en lokaal ingevuld kon worden en plek bood aan mensen die wat wilden doen, al was het maar water uitdelen aan demonstranten, of monddoeken ter bescherming van de identiteit tegen repressie. De acties werden aangevoerd, of uitgevoerd zo je wilt, door, zoals een zwarte dominee in St. Louis het beschrijft ‘alledaagse mensen - geleid door queer en vrouwen, en arm. Ze geven niet op. They don’t give a fuck, which is their greatest asset and their biggest liability”. 

Het boek besluit dan ook met gloedvolle beschrijvingen van hoe BLM ontsproot en op steeds weer nieuwe plekken waar politiegeweld geschiedde tot uitbarsting kwam. Ze beschrijft ook de factoren die ervoor zorgden dat BLM zo effectief en groot kon worden. Grassroots, maar ook vaak ondersteund door kerken die veilige ruimtes boden om bijeen te komen waar ze niet door politie aangevallen konden worden. En basisstructuren die voor geld konden zorgen en hulp aan arrestanten, zonder dat ze de beweging met reformistisch gemarchandeer konden domineren. De gemeenschappen waar de slachtoffers uit kwamen waren zelf actief, waardoor de kleur deze keer geen probleem kon zijn. En als de grote leiders uit Washington probeerden om een lokale protestactie over te nemen, werden ze vooral met argwaan ontvangen. Het verdedigen van je eigen beweging tegen ‘politiek geleuter’ zat er vanaf het begin diep in. En dat ze sterk waren geworden, wist iedereen, kwam vooral omdat ze directe actie ondernomen hadden door de straat op te gaan, bezettingen uit te voeren en de confrontatie met de politie aan te gaan. Een hele nieuwe generatie wist weer waar het om gaat.

Verso Books
De schrijfster over vijf boeken ter verder lezen

Stuk uit het boek