breytEen manifest voor de vagebonden van de Global Village. (deze recensie verscheen eerder op de website flexmens.org)
De Zuid-Afrikaanse dichter, schrijver en schilder Breyten Breytenbach heeft een nieuw boek geschreven. ‘Notes from the Middle World’ zal in het najaar verschijnen; recent verscheen een Franse vertaling onder de titel ‘Le Monde du milieu’, dat we voor u lazen. Opgedragen aan de nagedachtenis van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwich, groepeert deze bundel dertien korte essays die de wereldburgers en de wereldleiders oproepen tot waakzaamheid voor de veranderingen en conflicten die er in de huidige tijd plaatsvinden.

 

In een open brief aan Nelson Mandela klaagt hij de catastrofale toestand aan in Zuid-Afrika, waar criminaliteit en racisme welig teren, de meest noodzakelijke dienstverlening ineengestort is, en het aan publieke moraal en zelfs aan gezond verstand ontbreekt. Vervolgens behandelt hij de historische rol van de twee iconen Mandela en Obama, stelt hij vragen bij de ontwikkeling van het Afrikaanse continent, roept hij generaal Sharon en president Bush ter verantwoording voor hun ‘verwijdering van de internationale ethiek’, brengt hij zijn identiteit van Afrikaner en zijn gevangenisherinneringen ter sprake.

Het belangrijkste hoofdstuk – een soort manifest – is gewijd aan de sfeer van het anders-zijn, dat hij de Middenwereld noemt. De Middenwereld is een imaginaire plaats waar gedacht en gehandeld wordt tegen elke hegemonie in, ‘in ongehoorzaamheid aan de macht en in identificatie met de armen’. Het is een kunst om onzichtbaar te blijven temidden van de verworpenen, om te dromen van een perfecte wereld: een asiel waar de uitgeslotenen verblijven, de paria’s, de vagebonden van de Global Village. ‘Ze definiëren zich door datgene wat ze niet zijn, of niet meer zijn, en niet door datgene waartegen ze zich afzetten of dat ze verwerpen. Ze houden zich op in zones waar de waarheden niet meer gelden en waar de zekerheden niet meer van toepassing zijn, en over het algemeen lopen ze erin verloren.’

De Middenwereld gelijkt op die ‘drijvende wereld’ van acteurs, prostituees en dichters van het oude Japan en het verschilt niet veel van het leven van een spook met lange neus in China. De Middenwereld is niet het centrum maar de periferie, het andere, het betekent leven in de marges en op de grens. Wie in de Middenwereld woont, bevindt zich ‘in het midden van de wereld’. Het is een archipel van zwaar bevochten vrijheden, een vluchtplaats in de wereld waar – naar de woorden van Walter Benjamin – het politiegeweld en de controle anoniem en ongrijpbaar geworden zijn, alsof fantomen onze levens vanuit de schaduw besturen.

Tolerantie en diversiteit zijn kostbare begrippen in de Middenwereld. Niet ‘democratie’ of ‘vrede’. Breytenbach haalt in dit verband de woorden aan van de Zuid-Afrikaanse dichter Ka’afir: ‘Het woord vrede. Ach, wat een wellust. Zijn vertrouwde, gesuikerde, ongevaarlijke en lekkere smaak vult de mond. Alsof men zijn eigen goedheid proeft. Geen indigestie, geen verbrande lippen. Het veroorzaakt geen constipatie en je wordt er niet dik van. In feite bevat het geen voedingsstoffen. Het heeft gegarandeerd geen neveneffecten; het zal geen uitbarsting van vrijheid veroorzaken, nog minder de pijnen van rechtvaardigheid. Ach, vrede, democratie, de soft drugs van het egocentrisme – hoezeer houden we ervan te spreken over kleine beuzelarijen met deze woorden vastgekluisterd in de door taal verharde mond, om hen te kauwen, hen op internationale conferenties uit te spuwen, om hun contouren te likken alvorens hen terug in de mond te steken…’

De ‘niet-burgers’ van de Middenwereld zijn onbuigzamen, hun kern is niet te verwoesten: ‘Hoe komt het dat we ons het “algemeen welzijn” herinneren net nu onze publieke ruimtes vernietigd zijn door de steriliteit van televisiefeuilletons en de voldane glimlach van politici die nooit voor een gevatte uitspraak verlegen zitten? Weet men en aanvaardt men dat het enige wat men ons niet kan afpakken, onze menselijkheid is?’

Hebben de woorden hun grenzen bereikt? ‘We zullen nooit in staat zijn alle variaties van onze veranderingen uit te drukken. Het belangrijkste effect van dit Centrum dat we bekampen en dat ons afstoot, is dat het de taal overbodig maakt, dat het haar “officieel” maakt, dat het de taal onderwerpt aan de herinnering, dat het er de bevoorrechte dromen van de “communicatie- en opnameapparatuur”, dus van de orde en de autoriteit, van maakt, dat het het protest en de creativiteit van de twijfel onderdrukt.’

Wanneer je tot de Middenwereld behoort, zegt Breytenbach, dan heb je de klokketoren vaarwel gezegd, je hebt je ‘thuis’ verlaten. Betekent het ballingschap? Misschien. ‘Het exil is misschien een passage en men kan spreken van “transitvolkeren”. Nochtans ligt de Middenwereld uiteindelijk ver voorbij het exil.’

Breytenbach geeft een lijstje met bewoners van deze Middenwereld. Men vindt er persoonlijkheden die zich niet achter compromissen willen verbergen. Zo noemt hij onder meer de dalaï lama en Einstein (‘Ik ben echt een “eenzame reiziger” en ik heb nooit van harte behoord tot mijn land, mijn huis, mijn vrienden, zelfs niet tot mijn onmiddellijke familie; voor al deze banden heb ik nooit het gevoel van afstand en een behoefte aan eenzaamheid verloren…”), Mozart en John Cage, Johannes van het Kruis en Theresa van Avila, Brecht en Adorno, Borges en Pessoa, Beckett en Francis Bacon, Artaud en Van Gogh, Max Ernst en Man Ray, Jimi Hendrix en Tristan Tzara, Franz Fanon en Franz Kafka, Giacometti en Jean Genet, Pasolini en Robert Walser, Foucault en ‘misschien’ Deleuze, Billie Holiday en Hannah Arendt (‘Ik deel volkomen de mening dat een fatsoenlijk menselijk bestaan tegenwoordig enkel maar mogelijk is in de marges van de maatschappij, dààr waar men het risico loopt van honger om te komen of gedood te worden via steniging. In die omstandigheden kan een groot gevoel voor humor goed van pas komen.’).

De Middenwereld heeft zijn ‘transitsteden’ (onder meer Alexandrië en Beiroet, Sarajevo en Hong Kong, Tombouctou en Zanzibar, Palestina natuurlijk). Het heeft ook zijn zones: ‘Er zouden sociaal gedefinieerde zones van de Middenwereld kunnen bestaan, afgescheiden en specifiek, misschien tijdelijk, drijvend als smeltende ijsbanken in het water dat de afkomst omringt: ik denk aan die lange tussenperiode als mentaal gewonde mensen “verzorgd” worden en de woordenschat en de codes moeten leren van een “normale” wereld waar een bepaalde fictie belangrijker is dan een “afwijkende” fictie; aan de feministen die zich bevrijden van de regels en de waarden die hen door het patriarchaat opgelegd werden, ten einde hun leven een nieuwe vorm te geven, vrij van familiebanden en van het decorum, en die dit wellicht ondernemen onder de bittere pudah en in de eenzaamheid van de paria’s; en aan de “gerehabiliteerde” gevangenen die onzichtbaar geworden zijn terwijl ze in hun binnenste een grote vernedering met zich meedragen, waarin de eenzaamheid opnieuw tegen het ijzer van de tralies en het cement van de muren opspringt; en aan de maatschappijen die walgen van de oorlog en van de oorlog tegen zichzelf, die opnieuw opgebouwd moeten worden rondom de ruïnes van de brutaal vernietigde “normaliteit”.’

De bewoner van de Middenwereld zal een hybride zijn, een bastaard, zegt Breytenbach. Hij zal er zich diep van bewust zijn dat hij de Ander is, en hij zal daar misschien fier op zijn. Hij zal een nomade zijn, en hij zal het bewustzijn van de nomade bezitten, zelfs als hij zich niet dikwijls verplaatst. (‘De meest geroutineerde nomaden zijn zij die zich nooit verplaatsen.’) In elk land zal hij of zij van het Zuiden zijn. Hij zal geen loyaliteit tegenover de staat meer hebben, zelfs indien hij dikwijls de schijn zal ophouden, om daarmee de autoriteiten in verlegenheid te brengen. Hij zal het nada bewonen en een intieme dialoog voeren en een grote affiniteit hebben met de dood, iets wat gans zijn leven zal voortduren.

Breytenbach werpt een aantal vragen op, waarvan we er enkele onthouden: ‘Hoe zal de bewoner van de Middenwereld zijn moedertaal gebruiken? Kan hij nog een taal hebben of zal hij stom zijn zoals Vrijdag? Kan hij of zij enigszins inheems zijn? Welk gebruik kan hij of zij van de taal maken?’ Breytenbach herinnert ons eraan dat Sartre in ‘De woorden’ suggereert dat men spreekt in de moedertaal maar dat men schrijft in een vreemde taal. ‘Indien het verleden en het heden één geheel vormen (het witte gat van de toekomst), indien men leeft in de mogelijke tijd, indien men zich het verleden voorstelt als een vernietigde tijd -, wat gebeurt er dan met de herinnering?’

In een autobiografisch hoofdstuk van een twintigtal bladzijden pleit Breytenbach voor wat hij het ‘laatste bolwerk’ van de vrijheid noemt: ‘Tagore heeft gezegd dat men het recht op vrijheid zou moeten hebben, het recht op de natuur, het recht op herinneren. Ik voeg daaraan toe: het recht op vergeten, het recht om laf te zijn, om onrust te stoken en daarmee creativiteit aan te wakkeren. Hoe zou er inzicht kunnen bestaan zonder breuk in visie? De druk die door vrienden en vijanden op je uitgeoefend wordt om je te conformeren is ontzettend groot en permanent; we beogen allen en we nemen allemaal deel aan de samenzwering van de middelmatigheid... We moeten strijden voor de vrijheid een mislukkeling, een ketter te zijn.’

Elders formuleert hij het met de volgende paradoxale stelling: ‘we moeten en we kunnen onszelf overleven als gelukkige clochards van de Global Village (die momenteel in brand staat)’.

Breytenbach voert ons mee door de kieren van de geglobaliseerde wereld. Hij nodigt ons uit de platgetreden paden te verlaten en zich te begeven in het no man’s land dat zich uitstrekt ‘van de liefde tot de dood’. Een subversieve, maar vooral een inspirerende boodschap.

* Breyten Breytenbach, ‘Le Monde du milieu’, Actes Sud, Arles, 2009. In het voorjaar van 2010 verschijnt bij Podium een Nederlandse vertaling door Krijn Peter Hesselink, onder de titel ‘Berichten uit de Middenwereld’.