Van de Commune van Parijs tot de bezettingen van urbane ruimtes (‘Arabische lente’, Occupy, Istanbul, Hongkong…) trad de subversieve kracht van de stad voor het voetlicht. In verschillende recente werken wordt de centrale rol van de stad in de strijd voor democratie benadrukt. Over deze werken hangt de schaduw van de Franse filosoof en socioloog Henri Lefebvre, van wie we vorig jaar, onder de titel ‘De stad in debat’, een bundel sleutelteksten publiceerden. (jl)

(Deze vertaling verscheen oorspronkelijk op socialisme21, vertaling door Johny Lenaerts)

‘Stadslucht maakt vrij,’ luidt een middeleeuws gezegde. Er hangt boven de steden iets politieks dat momenteel tot uitdrukking tracht te komen, zo stelt de Amerikaan David Harvey, boegbeeld van de zogenaamde ‘radicale geografie’. De eerste ‘bourgeois’ van de steden waren erin geslaagd van hun woonplaatsen ‘niet-feodale eilandjes in een feodale oceaan’ te maken, zo merkt hij op in een bundel artikelen onder de titel ‘Villes rebelles’ (Rebel Cities), waarin hij zich beroept op de emancipatorische kracht die hij op elke straathoek ziet opduiken. Kristin Ross, zijn collega aan de universiteit van New York, specialiste in de Franse cultuur, is eveneens gevoelig voor deze geur van vrijheid. Haar werk ligt in dezelfde kritische traditie en vat onze relatie tot de ruimte op als iets wat duidelijk van politieke aard is. In haar nieuw boek,‘L’Imaginaire de la Commune’, stelt ze vragen bij de grenzen in ruimte en tijd van de gebeurtenissen van 1871, ongeveer zoals ze getracht heeft de ‘latere levens’ van Mei 68 bloot te leggen (‘Mai 68 et ses vies ultérieures’, Agone, 2010).

coverimaginaireZowel bij David Harvey als bij Kristin Ross wordt er voortdurend verwezen naar de pleinbezettingen van de ‘Arabische lente’ (Tahrir, Taksim, Puerta del Sol, Occupy Wall Street, Hongkong…), alsof daar iets van de subversieve kracht die ze aan de stad toeschrijven tot uiting komt – en die in de loop van de geschiedenis inderdaad niet tegengesproken werd door een stad als Parijs, dat haast synoniem geworden is voor opstand, zoals de bundel ‘Paris, l’insurrection capitale’ (Jean-Claude Caron, Champ Vallon) ons herinnert. Maar indien de urbane ruimte een belangrijke plaats van actie en van politieke opstand is, dan dienen we te begrijpen waarom dit zo is. De vorm van de stad is uiteraard geschikt voor barricades; de economische stromen kunnen er gemakkelijk lamgelegd worden…

Het is niet toevallig dat zowel David Harvey als Kristin Ross het werk van Henri Lefebvre goed gelezen hebben. Aan deze kant van de Atlantische Oceaan is hij haast vergeten (zelfs indien de Historische Kring van de Arribère de transcriptie van zijn thesis, ‘Les Communautés paysannes pyrénéennes’, net uitgegeven heeft), in de Verenigde Staten wordt het werk over de stad van deze Franse filosoof (1901-1991) erg gewaardeerd. Met een zestigtal boeken op zijn naam was hij een productief schrijver. Hij was één van de eersten die in de jaren 1960 ‘het urbane’ onderzocht, en dat niet enkel om te betreuren dat de experten zich van dit onderwerp meester gemaakt hadden op een ogenblik toen er ‘nieuwe steden’ uit de grond gestampt werden en de stad zich naar de periferie uitbreidde, de bewoners beroofd werden en de ruimten tot waar getransformeerd werden. Maar ook om de verdediging op zich te nemen van een stad die zijn centraliteit en zijn levendigheid niet mocht verliezen, van een ludieke ruimte die collectief bezit en dus van politieke aard was. Zijn boek ‘Het recht op de stad’ verscheen enkele maanden vóór Mei 68, op een ogenblik waarin de beruchte slogan ‘métro, boulot, dodo’ als absoluut tegenmodel een grote weerklank vond. Voor de situationisten, waar hij korte tijd bij aanleunde, was hij veel te marxistisch, voor de marxisten was hij, naast vele andere bezwaren, veel te lyrisch (in 1958 werd hij uit de communistische partij gestoten). Henri Lefebvre analyseerde de stad als een ‘projectie van maatschappelijke verhoudingen’ en plaatste hem in het middelpunt van het project van democratische maatschappijverandering.

In het artikel dat ‘Villes rebelles’ opent, wordt hij uitvoerig geciteerd. Want net als Lefebvre is David Harvey van oordeel dat de wedertoe-eigening van de urbane ruimte niet enkel een afzonderlijke of bijkomende vorm van klassenstrijd is – zoals dat door de marxistische traditie gesteld wordt – maar het fundament van de antikapitalistische strijd. Dat verklaart de bijzondere betekenis van de pleinbezettingen die momenteel op zowat alle continenten plaatsvinden: ‘De traditionele centraliteit van de stad is vernietigd. Maar steeds wordt ze opnieuw tot leven gewekt, hetgeen grote politieke consequenties met zich meebrengt.’ Indien de steden volgens Harvey het knooppunt van de strijd van de toekomst vormen, dan komt dit omdat het kapitaal, zowel vandaag als gisteren, zich eraan voedt. De razende urbanisering, zo schrijft hij, ‘speelt een bijzonder actieve rol – net als andere fenomenen, zoals de militaire uitgaven – in de absorptie van het meerproduct dat de kapitalisten in hun zucht naar meerwaarde onophoudelijk creëren.’ De urbanisering is een mogelijke oplossing voor zowel het probleem van de productiviteitstoename als voor dat van de werkloosheid, en zou het voortbestaan van het kapitalisme kunnen garanderen door de planeet, van Madrid tot Abou Dhabi, van Mexico tot Shanghaï, te modelleren naar het beeld dat in het Tweede Keizerrijk door baron Haussmann aan Parijs opgelegd werd. In deze optiek, benadrukt de geograaf in het artikel ‘De urbane wortels van de crisis’, is de urbanisering van China van essentiële betekenis voor de wijze waarop het kapitalisme de krach van 2008 tracht te boven te komen.

Alhoewel Kristin Ross in haar nieuw boek naar Henri Lefebvre verwijst, dan doet ze dat niet, zoals men had kunnen verwachten, voor zijn boek ‘La Proclamation de la Commune’ (Gallimard, 1965), maar voor een idee dat de filosoof nauw aan het hart lag: de theorie van een beweging dient voort te komen uit de beweging zelf. Dat geldt voor de Commune, zoals de schrijfster aantoont, maar ook voor de hedendaagse bewegingen. Precies omdat ze getuige was van de bewegingen van ‘contestatie via bezetting’ die sedert 2011 overheersen, was Kristin Ross op het idee gekomen dit boek te schrijven. Ze is van mening dat ‘de periode nà de Commune, net als de huidige, geen periode van grote theoretische zuiverheid was’. Beide periodes krijgen immers af te rekenen met politieke problemen die niet zonder weerklank blijven, zoals de internationalistische dimensie, het onderwijs, de toekomst van de arbeid of ook ‘de commune als vorm’ (‘de verbeelding van de Commune,’ zo stelt ze, ‘schreef een primordiale rol toe aan de lokale autonome eenheid’ waarin de facto ‘het Kapitaal, de Staat en de Natie’ tot ontbinding kwamen). Maar vooral worden het Parijs van 1871 net zoals de pleinbezettingen in deze beginnende eeuw, zonder vooraf uitgewerkte programma’s, gekenmerkt door een verstrengeling van actie en theorie, door ‘een dialectiek van de ervaringen en de opvattingen’, die door Kristin Ross op een bewonderenswaardge wijze (wat de Commune betreft) beschreven wordt. Deze ‘wederzijdse doordringing van feit en idee’, zoals men dat in 1871 noemde, wil dat de strijd de bestaande manier van denken en uitdrukken transformeert en dat dit op zijn beurt de vorm van de strijd en haar theoretische vertolking wijzigt. In plaats dat er een corpus van gevestigde doctrines uitgewerkt wordt, wordt ‘het relationele weefsel’ van de gebeurtenis doorheen de trajecten van engagementen en vriendschappen opnieuw gesponnen. Deze trouw aan een politieke ‘verbeelding’ heeft Kristin Ross gestimuleerd tot een boek dat zich zeer aangenaam laat lezen, waarin naar de voorgeschiedenis van de Commune gepeild wordt en waarin heel Europa erbij betrokken wordt. Marx zei dat de grootste verdienste van de Commune gelegen was in het feit dat ze daadwerkelijk bestond. Het lijkt zeer waarschijnlijk dat de deelnemers van de Occupy-beweging daamee akkoord zullen gaan. Ze hebben gedurende enkele weken of enkele maanden de stad van de greep van de door hen bekampte instellingen bevrijd. Daardoor hebben ze, om een middeleeuwse uitdrukking te parodiëren, ‘niet-kapitalistische eilandjes in een kapitalistische oceaan’ gecreëerd. De revolutie van de huidige tijd zal een urbane revolutie zijn of zal niet zijn, zo voorspelde Henri Lefebvre veertig jaar geleden.

• David Harvey, ‘Villes rebelles. Du Droit à la Ville à la Révoltion Urbaine’ (Rebel Cities. From the Right to the Cities to the Urban Revolution), Buchet-Chastel, 2014;
• Kristin Ross, ‘L’imaginaire de la Commune’ (Communal Luxury. The Political Imaginary of the Paris Commune), La Fabrique, 2015.

Uit: Le Monde des Livres, 27 februari 2015. Vertaling: Johny Lenaerts.