Op de kop af een eeuw geleden wilde de befaamde Engelse filosoof, wiskundige, antimilitarist en maatschappijcriticus Bertrand Russell (1872-1970) in Glasgow een lezing houden over politieke idealen. Dat werd hem niet toegestaan. Hij mocht geen ‘prohibited areas’ betreden (verboden gebieden voor in de ogen van de regering politiek ‘onbetrouwbaren’; net zoals in Nederland Bart de Ligt (1883-1938) in dezelfde periode uit Brabant werd verbannen). Een ander heeft toen de inleiding van Russell voorgelezen. Zijn lezing is samen met enkele andere teksten van hem in 1917 alleen in de Verenigde Staten gepubliceerd. De titel van de bundel luidde Political Ideals. Pas in 1963 verscheen de bundel voor het eerst in Engeland (Unwin Books, London). Is zijn lezing een opmerkelijke tekst?

(Door Thom Holterman, overgenomen van Libertaire orde)

Kapitalisme en loonsysteem tweelingmonsters

Voor het beantwoorden van die vraag hangt het natuurlijk af welk gezichtspunt je inneemt. Velen beweren bijvoorbeeld dat de wereld na een eeuw zodanig is veranderd, dat zo’n tekst zijn waarde of zelfs zijn herkenning heeft verloren. Dat die wereld veranderd is, valt niet te ontkennen. Dit neemt niet weg dat Russell zinnen schreef om zijn uitgangspunt van denken weer te geven, waaraan geen woord gewijzigd hoeft te worden om die ook voor 2019 te laten gelden, zoals bijvoorbeeld: ‘Het hedendaagse economisch systeem concentreert het initiatief in handen van een klein aantal zeer rijke mensen’. Zo leest men meer zinnen bij hem in de tekst van 1917. ‘Heden ten dage zijn onze instituties gegrond op twee dingen: eigendom en macht. Beide zijn zeer oneerlijk verdeeld’. En: ‘Ondanks het bestaan van politieke democratie is er nog steeds een enorme graad van verschil in de macht tot zelfbepaling waarover een kapitalist beschikt en de mens die moet werken voor zijn bestaan’. Dat dit in 2019 als een correcte observatie genoteerd kan worden maakt Russell’s tekst opmerkelijk.

Nadat Russell aan het eind van zijn lezing een aantal aanbevelingen heeft gedaan ter verandering van de maatschappelijke situatie (van 1917) formuleert hij nog de ook heden (2019) geldende zin: ‘En de afschaffing van het kapitalisme en het loonsysteem zal er toe bijdragen de voornaamste prikkel tot angst en hebzucht weg te nemen’. Gelet op wat in de geciteerde zinnen wordt weergegeven, herhaal ik de vraag: ‘Is de wereld na het verstrijken van een eeuw veranderd?’. Russell schrijft in 1917 dat kapitalisme en loonsysteem tweelingmonsters zijn die ‘are eating up the life of the world’. Precies honderd jaar later schrijft de filosoof Anselm Jappe een boek over De zich verorberende maatschappij, Kapitalisme, mateloosheid en zelfvernietiging. Jappe preciseert met zijn boek het ‘eating up’ van Russell. We kunnen hieruit opmaken dat de wereld na het verstrijken van een eeuw niet veranderd is – afhankelijk van waar je naar kijkt of je ogen sluit… Hebben we hier dan niet meteen de grondslag van de woede van de gele hesjes èn hun ultieme doel waarnaar zij streven bij de kop?

Primitieve en ontwikkelde samenlevingen

Claude Lévi-Strauss

Een halve eeuw na de lezing van Russell wordt de befaamde Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss (1908-2009) een vraaggesprek afgenomen. Daarin komt een aantal elementen uit de geciteerde zinnen van Bertrand Russell terug. In feite gaat het om een serie vraaggesprekken (uitgezonden in oktober-december 1959 door ‘France III’ en afgenomen door George Charbonnier). Het geheel is later in boekvorm uitgebracht onder de titel Entretiens avec Claude Lévi-Strauss (Éditions Plon, Paris, 1961), welk boek ik hier citeer.

In de serie vraaggesprekken treft men een onderdeel aan getiteld ‘Primitifs et civilisés’. Deze begrippen verwijzen naar twee heel verschillende maatschappijtypen. Wat is het grootste verschil tussen primitieve enerzijds en geciviliseerde ook wel ‘moderne’ maatschappijen anderzijds? Dat is de vraag waarop Claude Lévi-Strauss het volgende antwoord geeft. Er zijn maatschappijen die zich grondvesten op de uitbuiting van het ‘sociaal geheel’ door een deel van dat ‘geheel’. Er zijn ook maatschappijen waarin dat niet gebeurd en die een democratisch karakter hebben. De laatste zijn maatschappijen die wij primitief noemen. Die eerste, de geciviliseerde, kennen uitbuiting en hebben geen democratisch karakter. Dat strookt met elkaar. Waar de geciviliseerde maatschappij is gegrondvest op uitbuiting door het ene deel van de maatschappij van het andere deel, daar heerst in die maatschappij een onder/bovenschikking van mensen. Zulke maatschappijen moeten dus per definitie een autoritair karakter hebben. Zij kunnen niet democratisch zijn, wat niet betekent dat er geen parlement kan zijn ingesteld. Dat staat evenwel los, zo zullen we zien, van wat hier met ‘democratisch’ wordt bedoeld.

Ten behoeve van wat Lévi-Strauss tot uitdrukking wil brengen voert hij twee metaforen op, twee soorten machines, de mechanische machines en de thermodynamische machines. Het eerste type gebruikt de energie die bij aanvang van werken zodanig eraan wordt verschaft, dat ze theoretisch oneindig lang zal doorwerken. De thermodynamische machnies werken met behulp van verschillende temperaturen, zoals een stoommachine. Zij brengen een enorme hoeveelheid arbeidskracht op, veel meer dan de eerst genoemde machines, maar ze verbruiken hun energie en vernietigen het in steeds grotere mate.

                         Stoomharp

De moderne maatschappijen maken niet alleen veelvuldig gebruik van stoommachines, maar gelet op hun structuur lijken ze ook daarop. Zij gebruiken voor hun functioneren een verschillend potentieel ten opzichte van primitieve maatschappijen. Dat wordt gerealiseerd via verschillende vormen van sociale hiërarchie, die slavernij, lijfeigenschap wordt genoemd. Dit kan ook worden verwoord met de term ‘klassenverdeling’. Het geciviliseerde type maatschappijen heeft in zijn binnenste een onevenwichtigheid (déséquilibre) weten te realiseren, die de maatschappijen tegelijkertijd gebruiken om veel orde en ook veel meer wanorde te produceren (beaucoup plus de désordre, d’entropie).

Achter wat wij ‘primitieve samenlevingen’ noemen, gaan allerlei vormen van sociale organisatie schuil. Ondanks de grote onderlinge verschillen is het zo dat primitieve samenlevingen zich, bewust of onbewust, ertoe zetten om te voorkomen dat er een kloof ontstaat tussen hun leden. Het is juist door die kloof  wel toe te staan of te bevorderen dat de westelijke beschaving zich heeft weten te ontwikkelen, zo zegt Lévi-Strauss. We kennen tegen die ontwikkeling gericht al anderhalve eeuw sociale-, arbeiders- of wel klassenstrijd, wat we heden terugvinden in de revolte van de beweging van de gele hesjes. [Om misverstanden te voorkomen: klasse en klassenstrijd zijn hier ideologische concepten; sociologisch gezien gaat het met het klasse-begrip om een uiterst complex begrip dat een grote gelaagdheid van de menselijke samenleving beschrijft. Een andere term in dit verband is ‘kaste’ en het idee van de kastenloze samenleving.]

Een van de beste middelen met betrekking tot het voorkomen van die kloof, zo legt Lévi-Strauss uit, is te vinden in de politieke organisatie van primitieve samenlevingen. Hoe verschillend van interne organisatie ook, het gaat er in die samenlevingen om te overleggen waarna men stemt. Maar het overleg is doorslaggevend, want de stemmingen worden slechts bij unanimiteit gehouden. Wat men daarmee wil voorkomen is het volgende. Zou er een belangrijk besluit worden genomen waar ook maar een klein deel van de sociale gemeenschap tegen is, dan zouden in die gemeenschap gevoelens van verbittering kunnen ontstaan. Het gaat om dezelfde soort gevoelens als die verliezers ervaren. En dat wil men niet laten gebeuren. Het komt mij voor dat de woede van de gele hesjes hier verankerd ligt. Maar zij (en wij) leven dan ook niet in een primitieve maar in een geciviliseerde samenleving. Wel, daar zijn we mooi klaar mee en gelet op het feit dat die samenleving gekenmerkt wordt door een klassendeling, zal sociale strijd principieel niet anders kunnen zijn dan klassenstrijd.

Gele hesjes en vakbonden

Om enkele verbindingen te leggen met voorafgegane periodes waarin observaties zijn gedaan en visies ontwikkeld, stap ik opnieuw een halve eeuw door en richt mijn aandacht op de revolte van de gele hesjes. Want vergeet het niet wat je op het gele hesje kan lezen: De vijand is niet de migrant, de vijand is de bankier, de bankier…

Ik zal nu een merkwaardig en onthullend redactioneel artikel van het Franse dagblad Le Monde van 28 december 2018 ontleden. Het artikel draagt als titel ‘De vakbonden buiten spel en…onontkoombaar’. De bijdrage vind ik merkwaardig vanwege de openingszin: ‘De crisis van de ‘gele hesjes’ hebben de vakbonden buitenspel gezet’. Maar de gele hesjes zijn helemaal geen crisis. Misschien hebben ze menigeen van ‘zij van boven’ in verwarring gebracht, inclusief de regering. Misschien heerst daar crisisberaad. De gele hesjes zijn het gewoon zat om alles dat van ‘hen van boven’ komt nog langer te pikken en zijn voeren op hun eigen manier daar strijd tegen.

De maatschappij verkeert wellicht in crisis door de destructieve operaties van het neoliberale parasitaire deel van westerse maatschappijen (ik noem ze de ‘echte casseurs’) en wel op alle vlakken van het bestaan (sociaal, milieu, openbaar vervoer, huisvesting, gezondheidszorg), dit alles onder aanvoering van de neoliberale regering. Zij is de facilitaire instantie van het productiebeleid van de neoliberale topbestuurders van het multinationale bedrijfsleven. De effecten ervan in de sfeer van milieuvernietiging tot klimaatverandering zijn te zichtbaar en te voelbaar geworden. Daar het kapitalisme een intrinsiek (je kan dus zeggen: het kan niet anders) en progressief vernietigingspotentieel aanstuurt, vormt dát de crisis. De beweging van de gele hesjes wijst daarop (en wijst het systeem af). Het is een van de redenen waarom Bertrand Russell al een eeuw geleden, zoals we zagen, opmerkte dat dit systeem moet worden verlaten (en om al te grote schokken te voorkomen bouwt hij voor het afbraakproces een termijn van twintig jaar in).

Het artikel in Le Monde is ook onthutsend te noemen. Het gaat mij dan om de reden die wordt gegeven waarom de vakbonden (uiteindelijk) onontkoombaar zouden zijn. Het is ook precies de reden waarom de gele hesjes de vakbonden (evenals politieke partijen) als partners afwijzen. En terecht naar mijn mening. In het artikel komt bijvoorbeeld Laurent Berger aan het woord. Hij is secretaris-generaal van de grote vakcentrale CFDT. Hij erkent dat de gele hesjes beter van zich weten te doen spreken dan de vakbeweging. ‘Maar tegen welke prijs? En welke consequenties? Namelijk ten kosten van talrijke gewelddadigheden!’, zo insinueert hij: ‘De regering moet zich daarvoor achter de oren krabben. Zij geeft ook toe omdat er gewelddadigheden hebben plaatsgevonden. Ik bestrijd ze’.

Hier hebben we het weer, het opplakken van een negatief stigma: gele hesjes = gewelddadigheden. Wat is echter het verschil tussen het bezetten van rotondes aan de ene kant (gele hesjes; verkeershinder) en aan de andere het barricaderen van snelwegen, van aan- en afvoerroutes van raffinaderijen of fabrieken, het stilleggen van het spoorwegverkeer door vakbonden? Oh, het gaat om het geweld van de ‘casseurs’ bij rellen in Parijs…Maar wie zijn de echte casseurs? Zie daarvoor ‘De echte casseurs aan het werk’. Aan het stellen van die vraag gaat Berger voorbij. Dat laatste is ideologisch verklaarbaar: hij heeft zich laten ‘domesticeren’ in het heersende politieke systeem, waarin elk onderdeel een passende functie heeft – en passend is hier: uiteindelijk gericht op het behoud van ‘het kapitalistische maatschappijsysteem’. We mogen immers volgens de Franse filosofe Élisabeth de Fontenay niet vergeten: ‘De geschiedenis van de civilisatie, is die van de domesticatie’ (in een vraaggesprek in het Franse maandblad Lire, november 2018).

Het aandeel dat verstatelijkte vakbonden (en verstatelijkte politieke partijen) die in het politieke systeem werkzaam zijn hebben te leveren is het bereiken of het in standhouden van ‘sociale vrede’ en daarmee dus de klassendeling! Wie van de partners in dat maatschappelijk deelsysteem bereid is daaraan te voldoen, mag verwachten een ‘succes’ te behalen in de vorm van een ‘compromis’ besluit (veelal een ‘sigaar uit eigen doos’). Deze functie komt nadrukkelijk in het redactionele artikel van Le Monde aan de orde. Ze zit verpakt in de geciteerde alarmerende woorden van de Franse vereniging ‘Werkelijkheden van de sociale dialoog’. Deze vereniging telt ongeveer 200 directeuren ‘ressources humaines’ van grote ondernemingen en de vakbonden. [Human resources; human resource management: het beheer van menselijke productiemiddelen, ofwel de ‘Afdeling personeelszaken’]

        Het geweld van de gele hesjes

Op 14 december 2018 wordt door die vereniging opgemerkt (en geciteerd in het redactioneel van Le Monde) ‘dat de manifestaties van de laatste weken [van de gele hesjes] het theater zijn geweest van gewelddadigheden van een ongehoord niveau. Dat heeft tot resultaten geleid die vredelievende acties geïnitieerd door de vakbonden, niet hebben weten te bereiken’. ‘Het risico is groot’, zo spreekt de vereniging haar verontrusting uit, ‘dat zich het idee verspreid dat het gebruik van geweld het beste middel is om je doel te bereiken’. Deze optiek is niet alleen onheus – want de acties van gele hesjes zijn per definitie niet gewelddadig – maar ze is ook hypocriet. Als directeuren van grote ondernemingen zijn zij medeplichtig aan het laten voortbestaan van de intrinsieke destructie van het kapitaal. Verder heb ik ze nog nooit horen opponeren tegen de Franse producenten van oorlogsmateriaal, de bouw van onderzeeërs, vliegdekschepen en gevechtsvliegtuigen (om het daarbij te laten).

De ‘sociale vrede’ waarvan hierboven sprake was, past in de demping van de klassenstrijd en het virtueel laten verdwijnen van de klassenmaatschappij. Een institutie die vanwege zijn dempingsfunctie is opgezet, is het parlement (een andere onderdeel van het politieke systeem). Alle institutionele deelnemers daarin hebben hun specifieke rol: bereiken van pacificatie in een maatschappij waarin twee klassen in beginsel een strijd met elkaar voeren (klassenoorlog). Ten behoeve daarvan moeten vertegenwoordigers equivalente gesprekspartners voor elkaar vormen. Dit verlangt een loskoppeling van vertegenwoordigers van de basis om compromisvorming niet in de weg te zitten. En bij dat laatste begint de uitverkoop van beginselen – iets wat we optimaal binnen de verschillende regeringen-Rutte hebben kunnen observeren.

De genoemde Laurent Berger blijkt, gelet op het artikel in  Le Monde, een exemplarisch product als het gaat om het voldoen aan de dempingsfunctie. Alleen zijn titel al werkt indrukwekkend: secretaris-generaal  (van de CFDT). En hij spreekt ook daarbij aangepast: ‘Moi, je les combats’. ‘Moi, je…’= IK. Dit ‘moi’ is een plaatsvervangende verwijzing naar het hebben van macht en het maakt de herinnering mogelijk aan de Franse koning Lodewijk XIV: ‘L’État, c’est moi’… Hier maakt het van buitenaf komende het ‘ik’ groter dan de persoon zelf – en dat is het kenmerk van machthebbers, ongeacht hun naam en positie. Ook deze Berger stelt alleen iets voor als hij zijn leden weet te sturen, weet koest te houden. Dan is hij bruikbaar in het bestaande machtssysteem. Daarom zien de gele hesjes af van het aanstellen van zulke ‘ik-zeggers’ (wat bepaalde lui er niet van weerhoudt om zichzelf als dusdanig op te voeren). In plaats daarvan zijn er vele woordvoerders, ieder gelijk aan elkaar (wat soms en onvermijdelijk tot complicaties leidt; maar liever dat dan je verkopen aan het systeem!).

Het is niet verwonderlijk dat in het redactionele artikel wordt geconstateerd dat in tegenstelling tot andere bewegingen er bij de gele hesjes geen leiders zijn en een duidelijke organisationele structurering ontbreekt. Ze heeft ‘geen tussenpersonen om met de regering te onderhandelen’. Daarop volgt een advies aan…niet aan de gele hesjes maar aan Macron: als hij een les uit dit alles trekt gaat hij een dialoog aan met een verbond dat met tussenpersonen werkt – dus met lui die zo gedomesticeerd zijn dat zij begrijpen dat zij voor demping van de problematiek (sociale vrede) moet zorgen. Dat leidt tot de slotopmerking: ‘De vakbonden staan nu buitenspel, maar morgen zijn ze onontkoombaar’. Daarmee zal de klassenmaatschappij gered zijn en de verdere vernietiging van milieu en leven is verzekerd!

Barbarendom

          Rosa Luxemburg

Een eeuw geleden verscheen van Rosa Luxemburg (1871-1919) de brochure De crisis der sociaaldemocratie (1916). In verschillende edities luidt de titel van het eerste hoofdstuk: ‘Socialisme of barbarij’. Later is die hoofdstuktitel in gebruik genomen door de Franse revolutionaire groep waarvan onder meer Cornelius Castoriadis (1922-1997) deel uitmaakte. Deze groep gaf haar tijdschrift de naam Socialisme of barbarij (ze droeg zelf ook die naam). Een eeuw nadien zitten we nog steeds in een klassenmaatschappij en dus heerst er navenant een barbarendom. We kunnen ons afvragen wat hier aan de hand is, want van Lévi-Strauss leerden we hierboven dat het gaat om een geciviliseerde of wel moderne maatschappij. Dat zijn, zo zagen we, gehiërarchiseerde maatschappijen met een kloof tussen mensen met aan de ene kant onderdrukkers en aan de andere kant onderdrukten (eeuwen terug: slaven, lijfeigenen; modern: loonslaven, gesalarieerden, het precariaat). Daar tegenover staan, zo kwamen wij ook tegen, ‘primitieve’ maatschappijen. Daarin zijn de verhoudingen gehorizontaliseerd door verhoudingen tussen gelijken en is de in het andere maatschappijtype geconstrueerde kloof afwezig. Bij het nemen van belangrijke beslissingen, zo zagen we, komen die tot stand via overleg. Een aantal elementen die de werkwijzen van gele hesjes typeren, corresponderen dus met de ‘primitieve’ maatschappij. Een van de elementen is het democratisch overleg, met de rotondes als basis voor algemene vergaderingen.

Het gebruik van de termen primitief versus geciviliseerd geeft te denken – geciviliseerd zou je niet associëren met barbarij en toch houden geciviliseerde maatschappijen zich vooral bezig met een niets en niemand ontziende destructie (wie kent niet de beelden van de grootschalige vernietiging van regenwouden in Zuid-Amerika – bijvoorbeeld voor goudwinning; de dito vernietiging van oerbossen elders bijvoorbeeld voor de winning van palmolie). Menig land heeft zich bekwaamd in (totale) oorlogvoering – vanaf de eerste wereldoorlog tot heden in het Midden-Oosten, weten wij donders goed. Al die landen zijn voorzien van geciviliseerde maatschappijen. Er is dus iets vreemd met het woordkoppel primitief/geciviliseerd en uiteraard ben ik niet de eerste die dat opmerkt. Lees daarvoor eens Civilisation: Its Causes and Cures(1889) van de Engelse socialistische dichter en sociaalfilosoof Eduard Carpenter (op Internet te raadplegen; klik HIER).

De Italiaanse ecologist Max Strata, wiens artikel in Rivista A (nr. 430, december 2018) ik hier gebruik, wijst nog op de Amerikaanse sociaalfilosoof Henri Thoreau (1817-1862). In diens Walden, gepubliceerd in 1854, schreef hij over het onderwerp van de gecompliceerde relaties tussen mensen en de grote ontevredenheid. Het laatste wordt veroorzaakt door de beschaving die een progressief vertrek uit contact met de natuur heeft opgelegd. Thoreau: ‘Er kan geen obscure melancholie zijn voor hen die in het midden van de natuur en haar serene zintuigen leven. Er was nooit een storm, hoe heftig ook, dat het geen Eolische (in de omgeving van Sicilië) muziek was met een gezond en onschuldig oor’.

Het is evenmin pas een eeuw geleden, want men kan er nog een halve eeuw bij optellen, dat is opgemerkt dat geciviliseerde, dat wil zeggen kapitalistische maatschappijen zich vooral met vernietiging, destructie bezighouden. Max Strata wijst hier op de geograaf George P. Marsh (1801-1882) die al in 1864 met betrekking tot de neiging van onze soort tot vernietiging, in zijn Man and Nature het volgende verklaarde: ‘Waar hij ook staat, de harmonieën van de natuur zijn in tegenspraak. De verhoudingen en kosten die de stabiliteit van de bestaande regelingen waarborgden, worden omgekeerd. Inheemse planten en dieren worden gerooid en vervangen door andere planten en dieren van buitenlandse oorsprong, spontane productie wordt voorkomen of beperkt en het gezicht van de aarde is volledig gestript, of bedekt met nieuwe en gedwongen vegetatie en buitenlandse rassen van dieren … de natuurlijke regelingen, eenmaal verstoord door de mens, worden pas hersteld als hij de grond verlaat en openlaat voor de herstellende krachten … de verwoestingen van de mens ondermijnen de relaties en vernietigen het evenwicht die de natuur had geplaatst tussen haar organische en anorganische creaties…. hij zal het terugbrengen tot een dergelijke staat van verarmde productiviteit, van oppervlakte van overmatige klimaten, uit angst voor verdorvenheid, barbaarsheid, en misschien zelfs de vernietiging van de soort’.

De lezing van Bertrand Russell waarnaar ik in het begin van deze bijdrage verwees, was zeker een opmerkelijke, maar niet een op zichzelf staande tekst. Veeleer is het opmerkelijk dat waarover wij ons heden druk maken – en niet zonder reden – makkelijk aangevuld bleek te kunnen worden met teksten uit dezelfde periode met een gelijke strekking, zoals de tekst van Rosa Luxemburg. Maar net zo goed als we een halve eeuw eerder de tijd in konden stappen om bij George P. Marsh terecht te komen, konden we ook een halve eeuw naar voren stappen en bij de geciteerde Claude Lévi-Strauss uitkomen. Kortom, anderhalve eeuw zijn we al geïnformeerd over de toestand die we nog steeds lijken te tolereren, terwijl ons bestaan op spel wordt gezet door lui die denken juist daaraan, aan die destructie, te kunnen verdienen. Misschien lukt het de gele hesjes ons wakker te schudden om verzet te bieden en zelfbeheer op te pakken.