De eilanden van A. Alberts is opgenomen in het verzameld werk dat gebonden, maar toch goedkoop op de markt is gebracht om meer mensen met de schrijver in aanraking te brengen.(*1) Een paar jaar geleden las ik het snel door, omdat ik hem cadeau wilde doen aan iemand die bij voorkeur Nederlandse literatuur leest.

(Door Martin Broek)

Alberts won in 1995 de P.C. Hoofdprijs voor zijn hele oeuvre en zou boven verdenking moeten staan. Het boek werd bovendien ook toen het verscheen alle mogelijke lof toegejuicht (*2), maar voor de zekerheid toch een controle van mijn kant. Helemaal goed heb ik die niet gedaan, zo bedacht ik achteraf (het boek was al weggegeven).

Het boek begint met het verhaal Groen uit zijn debuut, de verhalenbundel De Eilanden. Dit is geenszins de gangbare koloniale tempo doeloe literatuur die in conservatieve hoek goed ligt. Het verhaal vertelt over een bestuursambtenaar die zich verveelt, en nogal amateuristisch in vier schriftjes de economische ontwikkeling van het gebied bijhoudt. Zijn belangrijkste beleid laat hij bepalen door de wens om landinwaarts vrij uitzicht te hebben (waarvoor twee nederzettingen moeten worden gebouwd) en die zich verder verveelt en bang is dat hij gek wordt. Zijn voorganger heeft zich niet al te bemoedigend dood gedronken. De lamp kan niet meer opgehangen worden, merkte de bestuurder, doordat zijn naaste buurman zich verhangen had aan de standaard voor het buitenlicht. Het leest als een metafoor voor de Nederlands Indonesische relaties. Groen gaat over een armetierig leven ver weg van Holland. Die sfeer is me bij gebleven en is ook bij een tweede keer lezen wat blijft hangen. Elders, in een ander verhaal, is een voorheen over-attente collega malend op een eiland in een moeras beland. Ook daar vloeit de drank rijkelijk.

De verhalen in De eilanden zitten vol humor en betrokkenheid bij de gang van zaken in Indië of het nu om achterblijvende kapokleveringen gaat die weer opgang komen met het drukken op de juiste sentimentele knoppen bij de handelaar in de vezels van de kapokboom, Taronggi III. Deze man is een van de personen die in verschillende samenhangende verhalen terugkomt, net als verteller Zeimal, die zelfs een beetje toverde. Het medeleven met de tachtig jarige sergeant-majoor b.d. van het fanfare korps is een blijk van liefde die een schoonheid van een verhaal oplevert: De koning is dood. Een verhaal van het soort om nit te willen missen. Zo loopt de lezer aan de hand van A. Alberts over een vriendelijk eiland, dat niet benoemd wordt, met zijn eigen mores, en waarop respect en een lach wordt losgelaten. Maar waar ook met gemengd gevoel een kogel wordt afgevuurd, recht wordt gesproken, gevaren zonder richtingsgevoel, en uitstapjes gemaakt zonder doel. Er is een verhaal dat op een atol speelt tijdens de Tweede Wereldoorlog, al worden ook hier plaats en periode niet genoemd, maar wel de gebrekkige communicatie en moeizame omgaan met de omstandigheden. Door het weglaten van die exacte gegevens krijgen de verhalen een universeel karakter.

Alberts was van 1939 tot 1942 adjunct-controleur op Madura. In 1946 kwam hij terug naar Nederland. Daarna werkte hij een paar maanden bij het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelenop de afdeling Politieke Zaken, maar nam ontslag uit de Indische bestuursdienst omdat hij zich niet kon verenigen met het regeringsbeleid ten aanzien van Indonesië. Tijdens zijn studententijd in Utrecht was hij bevriend met Leo Vroman en Anton Koolhaas. Zijn directeur bij het Ministerie was de schrijver Han Friedericy zijn directeur. (*3) Friedericy kende hij nog uit het Jappenkamp. Het is door al die contacten of hij zich naar het schrijverschap toe leefde.

In zijn eerste boek vertelde hij over de relaties in het koloniale Nederlands-Indië waar de bestuursambtenaar voor de gek wordt gehouden en zachtjes uitgelachen. Tenslotte droomt de hoofdpersoon, weer terug in Nederland, dat al zijn collega's in Indië zijn overgeplaatst.

(*1) Er is ook een driedelige versie met verzameld werk door van Oorschot uitgegeven ().

(*2) Zie voor een aantal besprekingen krantendatabase Delpher.

(*3) Zie hier meer over het Ministerie en Friedeicy.