Het lijkt een boutade: 11-September heeft de wereld veranderd. Maar alles was al veel eerder veranderd, en wij wisten het niet. Pasolini zei het al in 1975: Alles is veranderd. Een tijdperk is ten einde. Waar het fascisme niet in geslaagd was, daarin is de consumptiemaatschappij gelukt. Nooit is iemand zo normaal en zo conformistisch geweest als de huidige consument. We beleven een repressieve nivellering, waarin men geen onderscheid meer kan maken tussen een arbeider en een student, tussen een fascist en een antifascist. De arbeiders- en de boerencultuur zijn vernietigd en de waarden van de nieuwe cultuur van de consumptiemaatschappij, dit wil zeggen van het nieuwe totalitarisme, zijn repressiever dan ooit. Deze grijsheid, deze doodsheid, is vernietigend. We zijn allemaal dood, zonder dat we ons daarvan bewust zijn.

Dit stuk is afkomstig van yabasta.be

Men vond indertijd dat hij overdreef. En toen, in een handomdraai, begon alles te wankelen. In 1989 viel de muur, en Amerika werd het nieuwe Imperium. Elk hoekje van de aardbol wordt onder de voet gelopen, elk aspect van ons leven wordt gecommercialiseerd. De intelligentsia heeft massaal bakzeil gehaald en heeft zich ingeschakeld in de pak-de-poen-show. We beleven de entropie, zoals Pasolini dat noemde: het voortschrijden van de achteruitgang.
In 1968 had hij een gedicht gepubliceerd waarin hij zei te sympathiseren met de politie en waarin hij de studenten rijkeluiskinderen noemde. Hij eiste het recht op de studenten te provoceren. Voor Pasolini was de jeugd in 1968 - en hij zegt: op een fysieke manier - veel burgerlijker dan zijn eigen generatie dat was. De huidige jongeren, betoogt Pasolini, begrijpen niet hoe afstootwekkend een hedendaagse kleinburger is; en dat zowel de arbeiders als de boeren op weg zijn zich aan het model van de kleinburger aan te passen.
Pasolini hoorde nog tot de generatie die tijdens de oorlog opgegroeid was, en voor wie de arbeidersbeweging het centrale referentiepunt vormde. Hoe we objectief tegenover de burgerij stonden, dat werd ons, volgens een typisch schema, aangedragen door de blik die de niet-burgerlijke wereld op haar richtte: de arbeiders en de boeren (de boeren van wat we later de Derde Wereld zouden noemen). Zijn afkeer voor de bestaande maatschappij stond in het perspectief van een glorierijke toekomst, en het idee dat de harten beroerde was dat van de revolutie: de arbeiders- en boerenrevolutie (Rusland 1917, China 1949, Cuba, Algerije, Vietnam). In de jaren zeventig is de situatie veranderd: Want de burgerij is aan de winnende hand, zij is bezig enerzijds de arbeiders en anderzijds de boeren uit de voormalige kolonieën tot burgers om te vormen. Door het neokapitalisme is de burgerij op weg de menselijke norm te worden. Wie in deze entropie geboren wordt, kan zich op geen enkele manier nog metafysisch buiten de burgerij plaatsen. Het is voorbij. Daarom provoceer ik de huidige jeugd.

Is het nog mogelijk de burgerij door de blik van een andere sociale klasse te bekijken, vraagt Pasolini zich in het begin van de jaren 70 af. Kan men zich nog resoluut opstellen tegen de bestaande maatschappij? Pasolini lijkt eraan te twijfelen. Ongeveer op hetzelfde ogenblik komt een zielsverwant, de Franse schrijver Jean Genet, een antwoord aandragen.

De kwetsuur
Jean Genet had tussen 1944 en 1947 vier romans gepubliceerd: Onze Lieve Vrouw van de Bloemen, Het Wonder van de Roos, Lijkbezorging en Querelle van Brest, alsook drie lange gedichten. In 1947 verschenen zijn toneelstukken Onder toezicht en De meiden, en zijn roman met biografische inslag, Dagboek van de dief, was bijna klaar. Het was een ware creatieve explosie, die gevolgd werd door een onvruchtbare periode die haast acht jaar zou duren, voordat Genet, tussen 1955 en 1957, een nieuwe creatieve periode zou kennen, en de toneelstukken Het balkon, De Negers en Les Paravents zou schrijven, alsook twee belangrijke essays, De koorddanser en Het atelier van Alberto Giacometti. Dan zou het lange tijd stil blijven, totdat in 1986, kort nà zijn dood, de postume roman Een verliefde gevangene verschijnt.
Jean Genet herkende veel van zichzelf in de beeldhouwwerken die zijn vriend Giacometti maakte. Hij schreef er een essay over. Giacometti, zegt Jean Genet, werkt niet voor zijn tijdgenoten, noch voor de komende generaties: hij maakt beelden die uiteindelijk de doden in vervoering brengen. Het werk van Giacometti brengt aan het volk der doden de kennis van de eenzaamheid van elk wezen en van elk voorwerp over, en het besef dat deze eenzaamheid onze onmiskenbare trots vormt. En hij verduidelijkt: De eenzaamheid, zoals ik haar opvat, heeft niets miserabels, maar betekent veeleer een geheim koninkrijk, het is niet zo zeer een diepe oncommuniceerbaarheid alswel een min of meer duistere kennis van een onverwoestbare singulariteit. De kunst van Giacometti is dus geen sociale kunst omdat ze tussen de voorwerpen een maatschappelijke band zou scheppen, ze is veeleer een kunst van superieure clochards omdat ze in elk mens en in elk voorwerp de eenzaamheid blootlegt.

En dan zegt Genet iets belangrijks: Aan de basis van de schoonheid ligt niets anders dan de kwetsuur, die uniek is, voor iedereen anders, verborgen of zichtbaar, en die elk mens in zijn binnenste met zich meedraagt, die hij behoedt en waarin hij zich terugtrekt als hij de wereld wil ontvluchten voor een tijdelijke maar intense eenzaamheid. (...) Het lijkt me dat de kunst van Giacometti erin bestaat deze geheime kwetsuur van elk mens en van elk ding bloot te leggen, opdat dit hem zou inspireren.
Genet had herhaaldelijk over zijn eigen kwetsuur geschreven: Homoseksualiteit is geen feit waar je je bij kunt neerleggen. (...) Zij isoleert me, sluit me af van de rest van de wereld en van elke andere homo. Wij haten elkaar, in ons diepste binnenste en in elk van ons. Wij verscheuren elkander. Vermits onze relaties verbroken zijn, beleven we de inversie in eenzaamheid.
Pasolini had het over zijn trauma: toen hij 27 jaar was werd hij aangeklaagd voor verleiding van een minderjarige, en werd hij van de school waar hij les gaf weggestuurd, en uitgesloten uit de Communistische Partij, waar hij een actief lid van was. Samen met zijn moeder vestigde hij zich daarop in een arme wijk in Rome.
Het voorval zou hem voor de rest van zijn leven tekenen, en zijn haat voor de burgerij blijven voeden. Want, zegt hij, het is door een trauma dat men uit de burgerlijke wereld uitgesloten wordt - en voor een typisch voorbeeld van een dergelijk trauma verwijst hij naar Lenin, die er op 19-jarige leeftijd getuige van was hoe zijn broer door de politie opgehangen werd. Pasolini: Nu ben ik door persoonlijke ervaring (door mijn persoonlijke uitsluiting, dat veel wreder was dan al datgene wat een zwarte of joodse jongere meemaakt) en door collectieve ervaring (door het fascisme en de oorlog - het eerste wat ik zag toen ik de ogen opende: zovele gevangenen, zovele gefolterden!) door de burgerij zozeer getraumatiseerd dat mijn haat voor haar pathologisch geworden is. Pasolini kon niets meer van de burgerij verwachten en koos resoluut voor de dissidentie, en was solidair met de arbeidersbeweging.

De schok der herkenning
De jonge Pasolini kon zich nog solidair voelen met de arbeiders of met de bevrijdingsbewegingen van de Derde Wereld. Indien er voor Genet een wij bestond, dan creëerde dat een scheiding, in plaats van te verenigen. Totdat hij op een goeie dag een merkwaardige ervaring opdeed.
Ongeveer vier jaar geleden, schrijft Genet in 1957, bevond ik me in een trein. In het compartiment zat tegenover mij een afschuwelijk klein oud mannetje. Vuil, en duidelijk boosaardig, zoals ik uit sommige reflexen kon afleiden. Ik weigerde het met hem een vreugdeloze conversatie te voeren en wilde lezen, maar ondanks mezelf bekeek ik dat kleine oudje: hij was zeer lelijk. Zijn blik kruiste de mijne, zoals dat heet, en, in een kort of langgerekt ogenblik, dat weet ik niet meer, kende ik plotseling het pijnlijke - ja, pijnlijke - gevoelen dat om het even welke mens precies even veel waard is als eender welk ander - ik excuseer me, maar het is op precies dat ik de nadruk wil leggen. Om het even wie, dacht ik bij mezelf, kan bemind worden ondanks zijn lelijkheid, zijn dwaasheid, zijn boosaardigheid. Het was een nadrukkelijke of vluchtige blik die zich in me vastbeet en die me tot dat besef bracht. En datgene wat maakt dat een mens kan bemind worden ondanks zijn lelijkheid of zijn boosaardigheid stelt ons precies in staat te houden van deze lelijkheid en deze boosaardigheid. Laten we ons niet vergissen: het ging niet om een goedheid die uit mezelf opborrelde, maar om een herkenning.
Later zou Genet hetzelfde voorval opnieuw beschrijven, en het loont de moeite dit te lezen: Het koudvuur van iets wat zich aan me voordeed als verrotting was bezig heel mijn vroegere wereldbeeld aan te tasten. Toen ik op een dag in een treinwagon, kijkend naar de tegenover me zittende reiziger, het plotselinge inzicht had dat ieder mens evenveel waard is als een ander, kon ik niet vermoeden (...) dat deze kennis een zo stelselmatige ontbinding met zich mee zou brengen. Achter datgene wat van die man zichtbaar was (...) ontdekte ik door de blik die op de mijne botste en met wat ik onderging als een schok, een soort universele gelijkheid in alle mensen.
Giacometti had dat al veel eerder ontdekt, zegt Genet, en deze verwantschap die door zijn beelden uitgedrukt wordt lijkt hem het kostbare punt te vormen waarin het menselijke wezen gereduceerd wordt tot zijn meest onwrikbare eigenschap: zijn eenzaamheid die hem precies even gelijkwaardig maakt aan elk ander.
Wat Genet hier ontdekte, en wat hij later uitgebreid in Een verliefde gevangene zal uitwerken, is de mogelijkheid van identificatie met andere minderheden, met andere parias. Omdat de homo de ervaring van de schaamte en de vernedering gekend heeft, is hij goed geplaatst om zich te kunnen inbeelden wat andere onderdrukten gekend hebben: Lange tijd voelde ik me vernederd (...). Het is dus mogelijk dat mijn eigen wanhoop me beter dan anderen in staat stelt de wanhoop van een gans ras aan te voelen, schrijft hij in het voorwoord voor een heruitgave van De Negers.

Mei 68
Toen Genet in mei 1968 van een lange reis uit het Verre Oosten in Parijs arriveerde, was daar net, tot ieders verbazing, de grote studentenrevolte losgebarsten. Tot laat in de nacht liep Genet door de verlaten straten van het Quartier Latin, zag er de verbrande autos, en kon een vreugdekreet niet onderdrukken: Wat is dit mooi! Wat is dit mooi!
De woordvoerder van de studenten was Daniel Cohn-Bendit, een jonge sociologiestudent, die toen nog niet het parlementarisme omarmd had, en die in de pers voor Duitse anarchist en voor Duitse jood uitgemaakt werd. Genet zou hem zijn steun betuigen in wat zijn eerste expliciet politiek artikel zou worden, de eerste van een lange reeks, en waarin hij schreef: Cohn-Bendit ligt aan de - poëtische of berekende - basis van een beweging die bezig is het burgerlijk apparaat te vernietigen, in elk geval aan het wankelen te brengen, en dank zij hem kent de reiziger die Parijs doorkruist de zachtheid en de elegantie van een stad die in opstand komt. De autos, die haar vetstof vormen, zijn verdwenen, Parijs wordt eindelijk een magere stad, zij verliest enkele kilos, en voor de eerste keer in zijn leven voelt de reiziger zich bij zijn terugkomst in Frankrijk vrolijk en is hij blij al die gezichten terug te zien die hij vroeger als bleek en flets gekend heeft, en die nu eindelijk blij en mooi zijn.
Enkele weken later werd Genet door een Amerikaans tijdschrift aangeworven om in Chicago de democratische conventie te verslaan. Het was op het hoogtepunt van het protest tegen de oorlog in Vietnam, en Genet trof er dezelfde geest van mei aan. Hij ontmoette er William Burroughs en Allan Ginsberg, vatte een grote genegenheid voor beide dichters op, en kwam in contact met de Black Panthers. (Enkele jaren voordien was Pasolini hem voorgegaan; ook hij had Ginsberg en de Panthers ontmoet, en was van hen gecharmeerd.) Bij de Olympische Spelen van Mexico was Genet onder de indruk van de twee zwarte Amerikaanse atleten die de Black-Powergroet op het podium brachten. De vervolging van de Panthers door de blanke autoriteiten van de V.S. bracht Genet zijn eigen onderdrukking in herinnering, hoe hij als kind geleden had toen hij in een tehuis voor verwaarloosde kinderen ondergebracht was, en later in een heropvoedingsgesticht, maar met één verschil: hij was alleen, terwijl de Panthers georganiseerd waren. Hij bewonderde de Panthers omdat ze een klassenanalyse van de onderdrukking maakten en niet in simpele racistische termen dachten.
Toen hij in 1970 door hen uitgenodigd werd om opnieuw naar de V.S. te komen, nam hij het aanbod met beide handen aan. Het werd het begin van een liefdesrelatie die vele jaren zou duren, en die zijn beslag zou kennen in zijn laatste boek, Een verliefde gevangene.

Bij de Panthers
Genet nam het woord op talrijke manifestaties, hield lezingen en gaf interviews. Hij ageerde voor de vrijlating van gevangen Pantherleiders en riep de Amerikaanse intellectuelen op tot solidariteit met de strijd van de Zwarten.
De Zwarten van Amerika, verklaarde hij in een interview, lijken te beschikken over een natuurlijke poëtische ingesteldheid, en hun ontdekkingen op het vlak van de politieke strijd vloeien op een merkwaardige wijze voort uit een poëtisch gevoel van de wereld. En in een Brief aan de Amerikaanse intellectuelen schreef hij: Ik ben ervan overtuigd dat de politieke opvattingen van de Black Panthers voortspruiten uit de poëtische visie van de Amerikaanse Zwarten. Wij worden ons er steeds meer van bewust dat de revolutionaire gedachte voortspruit uit een poëtische emotie. (...) Net zo is het voor de Black Panthers, die uit de poëtische rijkdom van hun onderdrukte volk de wil geput hebben een stevige revolutionaire theorie uit te werken. (...) Ik meen dat de tijd gekomen is om een even nieuwe woordenschat te ontwikkelen, en een syntaxis die in staat is ieders aandacht te vestigen op de dubbele strijd - poëtisch en revolutionair - van bewegingen van Blanken die vergelijkbaar zijn met die van de Black Panthers.
Jean Genet was van mening dat de Amerikaanse Zwarten net zo onderdrukt werden als de volkeren van de Derde Wereld die door de V.S. onder de voet gelopen werden, en dat de situatie van de Zwarten tegenover de Blanken vergelijkbaar was met die van de gekoloniseerden in de metropool. De Zwarten zeggen dat ze in een fascistisch land leven. En ik heb hier woonblokken gezien waar de de zwarte mannen en vrouwen verplicht waren zich te barricaderen om zich te beschermen tegen de blanke haat.
Maar is het niet overdreven om van fascisme te spreken? Genet meent van niet: Er is een zeer grote inspanning van de verbeelding van de Blanken nodig om te begrijpen dat de Zwarten onder een onderdrukkend en fascistisch regime leven. Dit fascisme is voor hen niet louter een gegeven van de Amerikaanse regering alleen, maar ook van de gehele blanke gemeenschap, die werkelijk geprivilegieerd is. Hier worden de Blanken niet rechtstreeks onderdrukt, maar de Zwarten wel, in hun geest en soms in hun lichaam. Wat deze onderdrukking betreft, hebben de Zwarten gelijk de Blanken als geheel aan te klagen, en ze hebben gelijk om van fascisme te spreken. Want er bestaat de facto discriminatie, dat kan men overal vaststellen, zelfs en vooral bij de vakbonden, zelfs bij de arbeiders. Jean Genet stelt dan ook dat de blanke arbeiders de vijanden van zichzelf zijn. Om er zich mee te troosten dat ze per slot van rekening de slachtoffers van de patroons zijn, vluchten ze in een idioot comfort en in een agressief racisme tegen de Zwarten.

Een homo bij de Panthers
Genet liet zich niet meeslepen in discussies over de vrouwenbeweging of over de rechten van de homos. In dit stadium zag hij er nog een persoonlijke strijd in, voor het overwinnen van een psychologische onderdrukking die veroorzaakt werd door de maatschappelijke taboes, en dat van andere aard was dan de veel gevaarlijker collectieve en fysieke onderdrukking waar de Panthers aan onderworpen waren. Genet protesteerde niettemin heftig tegen de gewoonte van de Panthers om hun blanke mannelijke tegenstanders (vooral Nixon) te betitelen als faggots (mietjes) en als punks (passieve homos), hetgeen leidde tot een geschreven verklaring van Pantherleider Huey Newton. In dit artikel met als titel De bevrijdingsbeweging van de vrouwen en van de homos, augustus 1970, bekende Huey Newton dat hij zich ongemakkelijk voelde als hij geconfronteerd werd met mannelijke homos, en gaf hij toe zich door hen bedreigd te voelen. Door zijn lectuur, zijn ervaringen en zijn persoonlijke observaties wist hij, zo schreef hij, dat niemand de vrijheid van de homos toestond. Het zijn misschien de meest onderdrukten van de maatschappij. En Newton eiste voor iedereen het recht op zijn lichaam te gebruiken op de manier dat hij dat zelf wil. Indien niet alle homos revolutionair zijn, dan zijn sommige dit wel: Misschien kan een homo het meest revolutionair zijn. Op onze congressen, optochten en manifestaties moeten de homobeweging en de vrouwenbeweging ten volle deelnemen. Hij eiste ten slotte dat de termen faggot en punk uit de woordenlijst van de Panthers zouden geschrapt worden, en hij nodigde zijn kameraden uit de vrouwen- en de homobewegingen te erkennen als volwaardige bondgenoten in de strijd voor zwarte macht. De verklaring van Newton was een onverwachte steun voor de homobeweging, die toen nog maar pas een jaar bestond. Het betekende een breuk met de vijandige clichées die bij de Panthers leefden, en was in de context van de toenmalige tijd een verrassende stap voorwaarts.
Het was na afloop van een lezing aan de universiteit van Connecticut dat de Franse schrijver David Hilliard zou ontmoeten, een van de nationale leiders, die zijn beste vriend bij de Panthers zou worden. In Een verliefde gevangene zou hij zijn relatie met de jonge man van onder de dertig (Genet was toen 59) op de volgende manier beschrijven: De eerste keer dat ik David Hilliard zag, was na een college voor de studenten van de universiteit van Connecticut. Na dat college nodigden de zwarte studenten ons uit in hun huisje op de campus. Ik kwam er na David aan. Hij zat en praatte te midden van de studenten, zwarte jongens en meisjes. Wat mij trof was de zwijgende vraagstelling op al die zwarte gezichten. De gezichten van zonen en dochters uit de zwarte burgerij die luisterden naar een voormalig vrachtwagenchauffeur die maar weinig ouder was dan zij. Hij was de patriarch die sprak tot zijn nageslacht en dit de redenen voor de strijd en de betekenis van de tactiek uitlegde. Die verhoudingen waren politiek en toch straalde die verbondenheid niet uitsluitend politieke belangstelling uit, maar een zeer subtiele en zeer krachtige erotiek. Zo krachtig en tegelijk zo duidelijk en discreet, dat ik nooit begeerte naar een van hen voelde: ik was slechts een en al begeerte voor die groep en mijn begeerte werd vervuld door het feit dat de groep bestond.
Wat betekende mijn blanke en roze aanwezigheid te midden van hen? Ook nog dit: twee maanden lang zou ik Davids zoon zijn. Mijn vader was zwart en hij was dertig jaar jonger dan ik. Mijn onbekend zijn met de Amerikaanse problemen en misschien ook mijn kwetsbaarheid en mijn argeloosheid dwongen mij ertoe in David een bron te zoeken, maar persoonlijk gedroeg hij zich met veel omzichtigheid tegenover mij, maar persoonlijk gedroeg hij zich met veel omzichtigheid tegenover mij, als of mijn zwakheid mij kostbaar gemaakt had.
Weinig Amerikaanse radicalen durfden zo openlijk een dergelijke raciale verbeelding te gebruiken, zelfs indien Genet hun intiemste gedachten verwoordde. Alhoewel hij benadrukte dat zijn erotische drift nooit gericht was op één individu in het bijzonder, dan was het toch zo, schrijft zijn biograaf Edmund White, dat Genet verliefd werd op Hilliard. Op het einde van zijn verblijf in de V.S. bekende Genet halfhuilend tegenover een vriendin zijn onmogelijke passie voor de hetero Hilliard, die hem vriendelijk maar duidelijk te kennen gegeven had dat er geen sprake van was om samen de liefde te bedrijven.
Het was ook in deze periode dat Kate Millett haar vernieuwende feministische studie Sexual Politics publiceerde, een boek waarin ze Onze Lieve Vrouw van de Bloemen een feministische roman noemde, omdat het aantoont dat vrouwelijkheid geen biologische realiteit is maar een sociale functie, die iedereen op zich kan nemen, ook een man. De Franse feministe Hélène Cixous zag in Genet praktisch de enige moderne schrijver, van beide seksen samen, met een waar feministisch bewustzijn. Genet, van zijn kant, zou over dit thema nooit enig commentaar leveren.

Toen hem later gevraagd werd of zijn homoseksualiteit de Panthers gestoord had, antwoordde hij: Zij heeft mij in elk geval méér gestoord dan hen. Zij hadden zeer snel ontdekt dat ik homo was, maar geen enkele keer hebben ze daarvan een opmerking, een allusie of een grapje gemaakt. Dat was niet uit tact. Ik geloof dat ze heel eenvoudig veel te gehaast waren, en dat het hen geen donder kon schelen wat ik was. Toen een lid van de Panthers, de genaamde Zayd, me in Montréal kwam afhalen, had hij één van de eerste exemplaren van de Amerikaanse pocketeditie van Lijkbezorging in de hand. Lachend zei hij me: Ik heb het in het vliegtuig gelezen. Punt uit. Een maand later, nadat groepen Amerikaanse homos en feministen publieke manifestaties georganiseerd hadden, hebben de Black Panthers me gevraagd een artikel over homoseksualiteit te schrijven, omdat dat een onderwerp was dat ze niet zo goed begrepen en omdat ik beter dan hen daarvoor geplaatst was om erover te spreken. Ik heb heel eenvoudig een brief aan David gestuurd waarin ik hem uitlegde dat homoseksualiteit, net als huidskleur, een kwestie van geloof was; dat het niet van ons afhing of we al dan niet homo zijn. Toevallig, of veel waarschijnlijker opzettelijk, heeft Huey Newton, die pas uit de gevangenis kwam, in de partijkrant een artikel gepubliceerd waarin hij de Panthers opriep te proberen alle minderheden te begrijpen, een onderscheid te leren maken tussen de minderheden en de individuen, en bij de individuen een onderscheid te maken tussen degenen die revolutionair waren en degenen die dat niet waren. Newton legde uit dat het niet het belangrijkste was ja dan nee een homo te zijn, maar al dan niet revolutionair te zijn, want als revolutionairen konden de homos potentiële vrienden blijken te zijn.
Op de vraag of zijn homoseksualiteit hem geholpen had revolutionair te worden, antwoordde Genet: Men is niet revolutionair louter omdat men homo is. Wat ik bedoel is dat er homos zijn die hun verschil en hun singulariteit willen benadrukken, en deze behoefte brengt hen ertoe de willekeur te ontmaskeren van het systeem waar ze in leven. Maar er zijn andere die onopgemerkt willen blijven en in het systeem willen oplossen, waardoor ze het versterken. Laten we zeggen dat de homoseksualiteit de homo er zou moeten toe brengen het systeem aan te klagen; maar in werkelijkheid is het systeem de oorzaak van zo veel vernedering, angst en paniek, en is het zo veel sterker, dat het de homo dwingt zich te verbergen en te berusten. Als een homo zijn haren blauw verft is hij in zijn eentje in staat een revolutionair programma te lanceren; maar als hij, nà zijn haren blauw geverfd te hebben, zijn borsten met hormonen opblaast en met een man gaat samenwonen, dan betekent dat niets méér dan een parodie van het systeem. Hij redt de schijn en stelt helemaal niets aan de orde. De maatschappij is geamuseerd. Hij wordt een soort curiositeit, die het systeem goed kan verdragen.

In Frankrijk zou Genet zijn naam lenen aan één van de eerste publicaties van de homobeweging, maar de strijd voor homorechten zou voor hem nooit van prioritair belang zijn. Ik heb mijn boeken niet geschreven voor de bevrijding van de homo, benadrukte hij in een interview van 1983. Ik heb mijn boeken voor iets heel anders geschreven - voor de smaak van de woorden, voor de smaak van de kommas, zelfs van de interpunctie, uit gevoel voor de zin. Hij merkte op dat de artistieke en politieke revoluties niet op hetzelfde moment plaatsvonden, en dat de revolutionaire politieke boodschap dikwijls in een conventionele, academische stijl uitgedrukt werd.
De persoon die voor Genet het meest gedaan heeft voor de bevrijding van de homos, hoewel hijzelf heteroseksueel was en geenszins bevrijd, was Freud. Hij was het die het bestaan van de ongedifferentieerde seksualiteit van de kinderen, hun biseksualiteit, ontdekt heeft.

Een minderheid-worden
Naast zijn engagement voor de Black Panthers raakte Jean Genet, in die woelige periode nà 1968, betrokken bij de strijd van de Palestijnen. In 1970 bracht Genet een bezoek van een week aan de bases van de Palestijnen dat uitgroeide tot een verblijf van twee jaar. In 1982 was hij in Beiroet getuige van de uittocht van Arafat en de PLO en bezocht hij de vluchtelingenkampen van Sabra en Chatilla, één dag nadat de falangistische militie er een bloedbad aangericht had. In 1984 ging hij voor de laatste maal naar Jordanië, op zoek naar het verleden dat hij in zijn roman Een verliefde gevangene zou oproepen.
In Palestina ontdekte Genet een andere minderheid: de Palestijnen, en, alhoewel hij zich ten volle bewust was van de beperkingen van de identificatie, zijn het wel degelijk, zo benadrukte Genet in Een verliefde gevangene, de minderheden die de geschiedenis schrijven. En die het nieuwe en vernieuwende brengen: De Zwarten zijn in het witte Amerika de tekenen die de geschiedenis schrijven: op de blanco pagina zijn zij de inkt die er een zin aan geven. (...) De zwarte woorden op de Amerikaanse blanco pagina worden soms doorgeschrapt, uitgevlakt. De mooiste verdwijnen, maar het zijn die - de verdwenene - die het gedicht vormen - of liever het gedicht van het gedicht. Als de witruimten de pagina zijn, zijn de zwarten het geschrift dat een betekenis heeft - maar niet die van de bladzijde, of niet alleen dat van de bladzijde. Het gewemel van witruimten blijft de ondersteuning van het schrift en vormt er de kantlijn van, maar het gedicht is samengesteld uit de afwezige zwarten - u zult dat de doden noemen, zo u wilt - de afwezige, anonieme zwarten wier ordening het gedicht vormt, waarvan de zin me ontgaat, maar de werkelijkheid niet.
Indien de Zwarten de geschiedenis op de Amerikaanse pagina schrijven, dan is dat omdat hun revolte, verankerd in de slogan Black is beautiful, de vrijheid met zich meebrengt. Het gaat hem om een politiek van de trots. Het getto wordt bemind. Ongetwijfeld in haat-liefde, schrijft Genet. Om er onmiddellijk aan toe te voegen: De Zwarten die uit de blanke wereld verwezen werden, hebben hun ellende niet alleen weten te stofferen, want dat is een kleinigheid, maar hebben een vrijheid die zich vermengt met trots weten te ontdekken, aan het daglicht te brengen, te verheffen.
Genet poogt een identificatie met de parias en de uitgeslotenen tot stand te brengen. En hetgeen de verschillende identificaties met elkaar verbindt is van strategische aard: het gaat er altijd en overal om - zowel bij de homos in zijn vroege romans, als bij de Black Panthers of de Palestijnen - te strijden tegen de krachten van de onderdrukking, tegen hetgeen hij de Macht noemt - met een hoofdletter.

Maar strijden tegen de Macht betekent niet noodzakelijkerwijs dat men een andere macht wil vormen. Dat men een meerderheid wil worden. Noch dat men zich wil vestigen op een grondgebied, met zijn comfort en zijn regels, en dus met zijn uitsluitingen en onderdrukkingen.
De minderheid is geen programma dat moet gerealiseerd worden, het is geen toestand, geen essentie, geen identiteit die men dient te vinden of te herstellen. Het is een proces waar onophoudelijk opnieuw moet aan begonnen worden. Voor het ogenblik, verklaarde Genet in een interview over de Palestijnen in 1984, sluit ik me volledig aan bij het opstandige Palestina. Moest ik het kunnen meemaken - maar wellicht, zelfs zeer zeker, zal ik dan dood zijn -, dan betwijfel ik of ik me zou kunnen aansluiten bij een geïnstitutionaliseerd en territoriaal bevredigend Palestina.
Door te strijden tegen uitsluiting, strijdt men noodzakelijkerwijs voor rechten, voor een erkenning, of dit nu van nationale, politieke, sociale, culturele of juridische aard is. Maar Genet voorziet dat hij zal vluchten zodra dat objectief bereikt is. Genet sluit zich aan, maar wil zijn vrijheid behouden. Beide houdingen zijn niet in tegenspraak met elkaar. Zij roepen elkaar op. En hebben slechts betekenis in relatie tot elkaar.
De minderheid waar Genet zich mee identificeert, en waar hij voor pleit, is geen toestand maar een worden. Deleuze en Guattari herinneren ons eraan dat het zelfs niet altijd numeriek een minderheid is. Een minderheid kan zich gedragen als een klein aantal; maar het kan ook het grootste aantal vormen, een absolute meerderheid. Wat een minderheid definieert is niet het aantal, maar de verhoudingen, binnen het aantal. Een minderheid kan talrijk zijn; ook een meerderheid kan dat zijn. Waar het om draait zijn de vluchtlijnen.
Deleuze en Guattari: Zelfs de Zwarten, zeiden de Black Panthers, moeten zwart-worden. Zelfs de vrouwen moeten vrouw-worden. Zelfs de joden moeten jood-worden (een toestand volstaat zeer zeker niet). Zelfs indien dit zo is, dan heeft het jood-worden noodzakelijkerwijs evenzeer betrekking op de niet-jood als op de jood..., enz. (...) Zoals Faulkner zei: er was geen andere keuze dan neger-worden, wilde men niet als fascist eindigen. Deleuze en Guattari herinneren ons eraan dat als Faulkner het in Intruder in the Dust heeft over de Blanken in het Zuiden van de V.S. nà de Secesssieoorlog, en niet enkel over de armen, maar over de rijke oude families, dat hij dan schrijft: Wij bevinden ons in de situatie van de Duitser na 1933, die geen ander alternatief had dan nazi of jood te zijn.
(Was Genet een antisemiet? Didier Eribon: Dat er in Genets project om banden te smeden tussen alle vormen van onderdrukking zich een blinde vlek bevindt, dat een bepaalde categorie van parias uit deze solidariteit uitsluit, blijft verbazing wekken, en toont in elk geval aan dat een ethiek van minderheden nooit voltooid is maar onophoudelijk moet bewerkt worden om alles uit te schakelen wat zou kunnen voortbestaan van de overheersing in de geest van de gedomineerden, of om te verhinderen dat een ascese van een minderheid ertoe zou leiden op andere categorieën een logica en een gedrag van meerderheden te reproduceren (dat geldt uiteraard ook in omgekeerde richting, de figuur van de homofobe jood is even verbreid en even verwerpelijk als dat van de antisemitische homo).)

Tegen de Blanken
Genets laatste boek, Een verliefde gevangene, is in twee delen verdeeld: Herinneringen 1 en Herinneringen 2. Het is duidelijk dat als Genet de redactie van Een verliefde gevangene aanvat, een jaar nà de slachtpartij van Sabra en Chatila, zowel de Black Panthers als de Palestijnse revolutie tot het verleden behoren. Maar worden de grootste kunstwerken niet geschreven ter ere van een voorbij moment? (Henri Lefebvre, 1959: Was niet elke grote kunstperiode een feestelijke begrafenisplechtigheid ter ere van een voorbij moment?) Wat blijft zijn een aantal principes, een aantal verworvenheden waarmee je tegen de tegenwoordige tijd aankijkt: een houding in de tijd. De laatst mogelijke keuze, wanneer de belangen van de burgerij geïdentificeerd worden met die van de mensheid: de keuze voor de Ander.
In dit opzicht is het belangwekkend dat Jean Genet een onderscheid maakte tussen de lezers voor wie hij schreef en de lezers tegen wie hij schreef: de wereld die hem uitgesloten had en waartegen hij zich als mens en als individu moest affirmeren. In zijn literaire (en politieke) strategie stelde hij dus twee werelden tegenover elkaar, de wereld waartoe hij behoorde (de wereld van de uitgeslotenen) en de wereld van de normalen (van degenen door wie de parias uitgesloten worden).
De eerste zin van Onze Lieve Vrouw van de Bloemen is op deze tegenstelling gebaseerd: Weidmann verscheen aan jullie in de vijf uur editie, zijn hoofd omzwachteld met smalle witte banden (...). Zijn knap gezicht, door machines vermenigvuldigd, streek neer over Parijs en over heel Frankrijk, in de verste uithoeken van de meest afgelegen dorpen, in kastelen en hutjes en openbaarde de bekommerde burgers dat betoverende moordenaars hun dagelijks leven binnenkomen... (onderlijning door ons).
In een interview verhaalt Genet dat de corrector van de drukkerij dacht dat het een schrijffout was en wilde aan jullie vervangen door aan ons. (In de Nederlandse vertaling wordt deze term zelfs weggelaten!) Genet geeft daarbij het volgende commentaar: Ik stond erop dat de term aan jullie behouden bleef, want daarmee benadrukte ik reeds het verschil tussen degenen tot wie ik spreek en het ik dat tot jullie spreekt. Het interview gaat op de volgende manier verder:
- U neemt afstand?
- Ik nam afstand, maar door de regels te respecteren, jullie regels.
- Hebt u nooit zelf regels uitgevaardigd?
Ik meen dat uiteindelijk gans mijn leven tegen de witte regels geweest is.
- Wat bedoelt u met wit?
De Blanken.
Gans zijn leven was Genet opgekomen voor de vreemdelingen die in Frankrijk woonden, met vele van hen was hij persoonlijk bevriend. Hij kende hun leven en hun lijden. In een boekbespreking uit 1974 breekt hij een lans voor schrijvers die het lot van de immigranten in hun romans behandelen. Ahmed en Tahar Ben Jelloun schreeuwen de grote ellende van deze arme lui van hier en elders uit, hun fysieke ellende als arbeider, de miserie van alle arbeiders, hun materiële ellende als mens die men gebruikt en die men wegwerpt als hij opgebruikt is, hun intellectuele ellende als een mens die in verwarring gebracht is door de strengheid van de Franse taal waarin de hardvochtigheid van de heersers uitgedrukt wordt, en - dit is nieuw - hun seksuele ellende als man die verteerd wordt van binnenuit, en hun verscheurende stemmen worden verstikt door een zeer grote stilte. (...) Daarom moet ik spreken, en ik zal dat doen met des te meer ijver daar onze intellectuelen, degenen die men nog domweg onze meesterdenkers noemt, niets van zich laten horen, degenen waar men het meeste van verwachtte, zwijgen (...) door te weigeren mee te huilen met de onderdrukten, huilen ze mee met de wolven.

Jean Genet roept de Fransen dan ook op de boeken over het leven van de immigranten te lezen, want hun eenzaamheid en hun ellende zijn ook de onze.
Het is een visie die tegenwoordig nog maar zelden verwoord wordt.
Geraadpleegde werken:

* Jean Genet, Een verliefde gevangene, vertaling Ernst van Altena, Amsterdam: Bezige Bij, 1989;
* Jean Genet, Onze Lieve Vrouw van de Bloemen, Amsterdam: Bezige Bij, 1966;
* Jean Genet, LEnnemi Déclaré, Textes et entretiens, Paris: Gallimard, 1991;
* Jean Genet, LAtelier dAlberto Giacometti, Paris: Marc Barbezat LArbalète, 1958-1963;
* Jean Genet, Fragments... et autres textes, Paris: Gallimard, 1990;
* Edmund White, Jean Genet, Paris: Gallimard, 1993;
* Didier Eribon, Une morale du minoritaire. Variations sur un thème de Jean Genet, Paris: Fayard, 2001;
* Gilles Deleuze en Félix Guattari, Mille Plateaux, Paris: Minuit, 1980;
* Pier Paolo Pasolini, Lexpérience hérétique, Paris: Payot, 1976.



(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Johny Lenaerts.)