David Graeber schrijft hoe wat als “communisme” aangemerkt kan worden voor iedereen overal dagelijkse praktijk is. Gemeenschappelijk bezit, gemeenschappelijk handelen, het als vanzelfsprekend beschouwen dat de gemeenschap dingen ter hand neemt – geen zinnig mens die er anders over denkt. Graeber doet hiermee ook geen bijzondere eigen ontdekking, zo min als Kropotkin dit doet met zijn wederkerig hulpbetoon. Het is beschrijving, geen voorschrift. Wat voorschrift is, is het idee dat zorg voor anderen, de brandweer, de post en noem maar op geld moeten opleveren aan investeerders (die niets zullen investeren en dit ook nooit zullen doen).

(Door Ar

Het idee, in praktijk omgezet, dat algemene goederen en diensten (om de gangbare uitdrukking toch maar aan te houden) niet algemeen zijn en horen te zijn, en dat er iemand winst mee moet maken, dat idee dus mag een afwijking genoemd worden.

Concreter toegespitst op de vraag of trams nu socialistisch zijn of niet: openbaar-vervoerbedrijven zijn niet opgericht om winst te maken. Sterker nog, zoiets als de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen is opgericht met de bedoeling dat de staat als vertegenwoordiger van de gemeenschap die exploitatie ter hand zou nemen. De aanleg van het spoorwegnet was al een staatsaangelegenheid, omdat de investering in deze infrastructurele werken nooit “winstgevend” zou kunnen zijn voor “particuliere investeerders”. De saint-simonist Quack, schrijver van het onovertroffen naslagwerk De socialisten en directeur van de Maatschappij rond 1900, zag de toekomst echter ook in staatsexploitatie. Het heeft nog behoorlijk lang geduurd voordat het zo ver was.
En wat horen we nu van Bruin III? Ze laten “marktwerking” toe op het spoor. Niemand heeft er ooit op zitten wachten maar als passagiers die eigenlijk alleen maar een lastige kostenpost zijn en die in ieder geval niets in te brengen hebben, ook niet indirect blijkbaar, zullen we het ondergaan.

Nog even: de Nederlandse Spoorwegen zijn geen “concessiehouder”. Zij zijn een op gemene kosten ingestelde voorziening. Er moet ook altijd dat bepaald lidwoord voor die naam. Net als voor het Gemeentevervoerbedrijf, in Amsterdam bijvoorbeeld – de afgelopen jaren heeft men de truc uitgehaald deze voorziening te “verzelfstandigen”, wat betekent dat er een D’66-dame “bestuurder” is, dat de afkorting GVB niet meer gezien mag worden als Gemeentevervoerbedrijf en dat men er dus ook beslist geen bepaald lidwoord voor mag zeggen. Knutselen aan taal om de geesten rijp te maken. Leuk trouwens dat het GVB in Amsterdam in handen van D’66 is gevallen, de referendumpartij die hiermee, niet voor het eerst, een afwijzend referendum in de prullenmand heeft doen belanden.
Welnu, DE NS en HET GVB zijn geen “concessiehouders” – ze zijn op kosten van de belastingbetalers opgerichte en in stand gehouden uitvoerders van een taak: openbaar vervoer.

In Are trams socialist? lees ik, enigszins tot mijn verrassing, dat de tram bij de introductie toch vooral als armeluisvoorziening werd gezien. Natuurlijk waren er de nog-armeren die ook de rit met de tram niet konden betalen, maar in het algemeen waren voor mensen met eigen vervoer: de opkomende automobiel, de fiets – niet goedkoop aan te schaffen in de begintijd – om van koetsen niet te spreken, trampassagiers mensen op wie het goed neerkijken was.
Een echo hiervan was terug te vinden bij die Held van het Volk Pim Fortuijn, die inderdaad slechts verachting koesterde voor het plebs in tram of trein, met zijn auto met chauffeur. En het dédain waarmee de D’66-achtigen in Amsterdam volgend jaar enkele van de drukste tramlijnen zullen opheffen (hoezo, vraag en aanbod?) onder het motto: moet je maar wat vaker overstappen. Met je kinderwagen of rollator.
Een weldaad die automobilisten bespaard blijft.

In Zwitserland, schrijft Christian Wolmar in Are trams socialist? zijn de dienstregelingen van bus, tram en trein op elkaar afgestemd. Het beheer van het openbaar vervoer is gemeenschappelijk, maar niet per se op het centrale staatsniveau. Alles loopt goed, Zwitserland is een voorbeeldig openbaarvervoerland. Geen dorp is zo afgelegen of er komt wel een bus.
En is Zwitserland socialistisch? Wolmar overdrijft nogal als hij schrijft dat de laatste socialist in Zwitserland de balling Lenin was. Maar terugkomend op het begin: socialisme (“communisme”) is te belangrijk om het alleen aan socialisten over te laten, Jawel, trams (treinen, bussen) zijn socialistisch. Daarom hebben neoliberalen er ook eigenlijk zo’n hekel aan.