De Franse arts en geëngageerde psychiater Jean-François Le Goff heeft in een opmerkelijk boek, verschenen na zijn overlijden, twee heel verschillende persoonlijkheden met elkaar in contact gebracht. De een is de Engelse schrijver George Orwell (1903-1950), pseudoniem voor Eric Blair. De ander is de Engelse kinderpsychiater en psychoanalyticus Donald W. Winnicott (1896-1971). In werkelijkheid hebben deze twee elkaar nooit ontmoet. Wat mag dan wel de reden zijn van de exercitie van Le Goff?

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

Die houdt verband met zijn interesse in beiden omdat zij het per definitie over gewone mensen hebben, terwijl ze beiden zelf als outsider te typeren zijn. In zijn boek Des gens ordinaires. Avec George Orwell et Donald Woods Winnicott legt Le Goff uit wat hen waarom bezighoudt en hoe zij in elkaars verlengde werkten zonder daarvan op de hoogte te zijn. Hieronder vat ik de kern van hun zienswijzen samen, zoals Le Goff die uitschrijft. Ik denk dat er een leerzame verwantschap is met een libertaire visie op mens en maatschappij.

Outsiders

Orwell en Winnicott zijn analisten. De eerste als politico-analyticus, de tweede als psychoanalyticus. Orwell werd bij leven weinig erkend, had moeite om zijn werk gepubliceerd te krijgen en werd door linkse intellectuelen terzijde geschoven. Hij was door eigen keuze in de marge gekomen, mede omdat hij zich ophield met vooral outsiders: vagebonden, werkelozen, antikolonialisten, mijnwerkers, arbeiders, oud-leden van de communistische partij, militanten van de POUM (Arbeiderspartij van de Marxistische Eenheid, een Spaanse revolutionair-socialistische partij). Winnicott ontwikkelde een eigen opvatting over psychoanalyse waarvan delen botsten met verschillende bestaande tendensen in die kringen. Daarop werd wantrouwend en vijandig gereageerd, wat hem tot outsider maakte. De ideeën van Orwell en Winnicott waren non-conformistisch, en wat Winnicott aangaat lieten zijn ideeën zich moeilijk in de psychoanalytische theorie passen. Voor de ideeën van Orwell gold hetzelfde wat de inpassing betrof in de algemene opvattingen van intellectueel links.

Le Goff geeft dan weer dat zijn belangstelling voor Winnicott en Orwell eindjaren 1960 herleefde, waardoor hij hen opnieuw ging lezen. Aldus ontstond het idee bij Le Goff teksten van beide auteurs op elkaar te laten inspelen. En het is daar waar het ook voor anarchisten interessant wordt. In de anarchistische theorie en praktijk draait het steeds om mensen in sociale relaties, waarbij die mensen als autonome wezen worden begrepen. De basis voor sociale relaties wordt gevormd door vrijheid en materiële gelijkheid. Gemeenlijk heet het, dat dit te hoog gegrepen is en dat een gewone maatschappij daarop onmogelijk kan functioneren. Gelet op de uitgangspunten van wat Winnicott en Orwell aandragen lijkt mij dat betwistbaar.

D.W. Winnicott

Winnicott werkt met de notie ordinary devoted mother (de gewone toegewijde moeder; ook wel de ‘goed-genoeg moeder’, de good-enough mother). De vader kan ook ‘moeder’ zijn (‘père ordinaire’). Orwell houdt zich bezig met ordinary people (‘gens ordinaire’; gewone mensen). Voor Orwell is belangrijk dat zijn voornaamste hoop voor de toekomst is, ‘dat de gewone mensen nooit hun morele code opgeven’. Voor Winnicott, die in zijn loopbaan 70 000 kinderen in zijn praktijk heeft gezien, in de meeste gevallen vergezeld door hun moeder, vormen gewone mensen de basis van een democratisch leven, dat wil zeggen van een moreel en politiek ‘gepast’ leven (welvoeglijkheid). Beide auteurs houden de gewone mensen voor een krachtige bron van inspiratie voor hun denken en hun werk. Winnicott is niettemin ongerust over de mogelijke verandering van gewone mensen in ‘ongewone’. Het betreft mensen geformatteerd door vormen van ‘ontspanning’, door individualisme, door onvolwassenheid die gelaten het verlies aanvaarden van hun creativiteit. In zijn behandelingsverslagen vergat hij bijvoorbeeld nooit de talenten van de moeders te noteren (‘gewoon’ is dus niet gelijk aan ‘normaal’). De ‘ongewone’ mensen zouden een voorkeur kunnen geven aan de overheersing van een onvolwassen leider in plaats van aan onderlinge solidariteit. Op hetgeen Winnicott hier aandraagt sluit de kritiek van Orwell aan over de intellectueel.

De intellectueel is hij of zij die de moraal van het dagelijkse leven, die van gewone mensen, heeft verlaten. Hij of zij heeft dat gedaan om medeplichtige te worden van vormen van totalitarisme van ‘links’ of van ‘rechts’, waarbij betreffende zich rechtvaardigt met een beroep op ‘realisme’. Orwell grijpt hier terug op zijn ervaringen in Catalonië (Spaanse burgeroorlog, 1936-37). Terug uit Spanje was hij verbijsterd geen enkele steun te ontvangen voor de publicatie van zijn getuigenissen (Homage of Catalonia, 1938). De intellectuelen die dicht bij de USSR (voormalige Sovjetunie) stonden, rechtvaardigden de leugens en de politieke (stalinistische) repressie tegen de POUM en anarchisten.

Tegenwoordig, zo neemt Le Goff die kritiek over, is er de alliantie van intellectuelen en de media. De intellectuelen die vergeten zijn wat denken is of die dat nooit hebben geweten, bezetten posities waarbij zij hun gezichtspunt op gebeurtenissen geven of raad verschaffen. Het doel is te maken dat gewone mensen zich afkeren van het dagelijkse gebeuren om daarvoor in de plaats de ‘bevrijding’ via het consumentisme te zoeken. De interventies van de intellectuelen hebben als consequentie de introductie in de gewone wereld van ‘regelaars’, die leiden in de richting van de onderwerping aan handelswaar. De gewone mensen, hun algemene welvoeglijkheid, hun gevoel voor solidariteit zijn verdwenen. Iemand die dit soort verschijnselen al vanaf eindjaren 1950  in het perspectief van de ‘spektakelmaatschappij’ zette, is de Franse situationist Guy Debord (over wie elders op deze site; zie bijvoorbeeld diens ‘Het dagelijks leven is de maat van alles’).

Gewoon fatsoen

Als Orwell spreekt over gewone mensen en hun plaats in de maatschappij, hun revoltes, hun hoop, maar ook over hun passiviteit, dan is dat mede in antwoord op analyses van Marx en Engels. In verschil met hen ziet hij als elkaar aanvullend: het morele gezichtspunt en het economische gezichtspunt, met als noodzakelijk doel menselijke relaties en leven op een juiste en egalitaire manier te organiseren. Hij heeft namelijk in het dagelijkse leven van gewone mensen, in hun manier van reageren op onrechtvaardigheden de elementen onderkend, die gebruikt kunnen worden om te verzekeren dat een overgang naar een democratisch socialisme niet zal vervallen in een vorm van totalitaire beestachtigheid (zoals hij beschreef in zijn Animal farm, 1945).

G. Orwell

Gewone mensen zijn door intellectuelen van links en rechts, in het verleden en heden, omschreven als apathisch en onderworpen aan een ‘dominante ideologie’. Diezelfde intellectuelen beschrijven de gewone mensen ook als vergiftigd door de media en door de banaliteit van hun levenswijze. Onder deze ‘analyse’ gaat een sterke minachting schuil voor de armen. In volstrekte tegenstelling daarmee zie je Orwell juist onderstrepen dat, ondanks de risico’s van de uitbuiting en de ellende die hij beschrijft in Down and Out in Paris and London (1933) en The Road to Wigan Pier (1933), gewone mensen levensvormen blijven tonen van een ordinary decency waarvan solidariteit de stevige sokkel vormt. [De vier genoemde teksten van Orwell zijn in het Nederlands vertaald.]

De vertaling van ‘ordinary decency’, gewoon fatsoen, gewone welvoeglijkheid, zal door het gebruik van fatsoen of welvoeglijkheid bij menigeen de lachlust opwekken. Wat een ouderwetse woorden, net als waardigheid trouwens waar Bob Dylan in zijn song Dignity naar op zoek is. Terwijl het toch niet om iets anders gaat dan: ‘wat gepast is’. En ja, wat moet je als ongepastheid tot maatschappelijk norm is verheven. Verzet aantekenen! Er zijn meer van die ouderwetse woorden zoals loyaliteit (trouw), solidariteit (saamhorigheid), generositeit (edelmoedigheid), honnêteté (rechtschapenheid). Het zijn de samenstellende attitudes die Orwell in zijn uitdrukking ordinary decency toeschrijft aan de dagelijkse relaties van gewone mensen onder elkaar.

Le Goff wijst erop dat het niet gaat om idealisering van gewone mensen door Orwell. Want die erkent dat de situatie waarin zij verkeren het tegendeel van ordinary decency ten gevolge kan hebben. Het gaat Orwell niet om abstracties, maar om samenstellende delen van het dagelijkse leven en menselijke relaties, die een richting aan motivaties moeten geven. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen loyaliteiten het beste uit de mens halen, zoals solidariteit, invoelbaarheid en bezorgdheid, maar ook het slechtste zoals uitsluiting, haat en doodslag. Dit past bij een libertaire, contextuele kijk op ‘de mens’ als exclusief goed noch slecht (het gaat om potenties en het appel dat op die potenties wordt gedaan).

Loyaliteit is hier dan ook geen freudiaanse gedachte. Het betreft bijvoorbeeld wederkerige relaties binnen bezorgdheid. Ze is daarmee aldus Le Goff gebaseerd op wederkerigheid, erkenning en symmetrie. Dit is de lijn van de relaties tussen generaties (ouder/kind) die evenwicht-zoekend zijn door ‘geven en ontvangen’. Hiermee heeft Le Goff  weer een overgang naar Winnicott mogelijk gemaakt vanwege het feit dat loyaliteiten sterke relatiebepalende effecten kennen. In Ordinary Conversations werkt Winnicott bijvoorbeeld het thema ‘Het kind in het gezinsverband’ uit als een weefsel of netwerk van loyaliteiten en disloyaliteiten binnen een gezin. Een gezin vertegenwoordigt de omgeving van het kind om te groeien, zich te ontplooien, te evolueren en zich te separeren. Daarmee raakt het in staat om een persoon te worden die ‘ik’ kan zeggen.

In het gezin kan het kind experimenteren met loyaliteit en disloyaliteit. Het kan naar de vader gaan en zich van de moeder verwijderen en weer naar haar terugkeren, zonder evenwel hun vertrouwen en hun liefde te verliezen. Voor Winnicott is de ervaring met de gezinsloyaliteit een voorname factor in het volwassen worden van het kind. Er zit dus ambivalentie in de uitdrukking van loyaliteiten omdat het volwassen worden zich effectueert door separatie, differentiatie en op afstand zetten. Winnicott heeft daarbij gedachten aan sentimentaliteit en moraliteit willen voorkomen door het vermijden van het gebruik van een term als ‘verdiend’. Het gaat bij hem niet om een abstract systeem dat om acceptatie vraagt maar om een relationeel engagement.

Om dat te ‘leren’ aan het kind is een ordinary devoted mother voor Winnicott voldoende. Devoted, toegewijd, is een kwaliteit die alle moeders gegeven is (spontane interactie; intuïtief aangeboord). Hoe die in te zetten zonder zich zodanig veel met de zuigeling, het (jonge) kind, bezig te zijn dat het de ontwikkeling tot zelfstandigheid (volwassenheid) in de weg zit. In haar spontaniteit moet de moeder zich volgens Winnicott niet in de plaats stellen van de zuigeling: dat zou een manier zijn te voorkomen dat het ontdekkingen doet en dat zit dus de persoonlijke ontwikkeling wederkerig in de weg. Daarom heeft geen enkele zuigeling behoefte aan een perfecte moeder, zoals ook geen enkele vrouw een perfecte moeder hoeft te zijn: het is genoeg dat het gaat zoals het gaat. Daarmee heeft Winnicott het concept van de good-enough mother ontwikkeld.

Subversie

Er is tegen dat concept oppositie gevoerd. Daaruit spreekt een onbegrip over de ‘dialectiek van de omgeving’. De moeder is een omgeving voor de zuigeling en de zuigeling voor de moeder. De interiorisatie ervan voorkomt een stagnatie in de vorm van afhankelijkheid. De mogelijkheid is open tot het creëren van een gemeenschappelijke ruimte. Ik denk dat hier een kiem ligt voor wat in anarchistische kringen libertaire opvoeding en onderwijs heet. Dat niet alleen. Hier begint in feite ook waar anarchisten altijd op terug zullen vallen: de bevrijding moet zelfbevrijding zijn (ook al gaat het hier nog om ‘ontplooiing’).

De Engelse psychotherapeut Adam Phillips, die Winnicott’s ideeën bestudeerde en door Le Goff wordt aangehaald, meent dat hier het begin van de ontwikkeling van een rudimentair socialisme opduikt, een levensvorm gefundeerd op samenwerking en uitwisseling. In deze manier van kijken is subversie te ontdekken. Het is niet vreemd bij Winnicott de zorgen omtrent democratie te herkennen, dat wil zeggen de mogelijkheid voor eenieder om creatief en loyaal deel te nemen in de maatschappij. Daar stelde hij steeds de volwassenheid als een onontbeerlijk element voor, om de democratie in evenwicht te houden. In een maatschappij waar onvolwassen individuen overheersen, zij het in aantal of door macht en strafbare attitudes, daar zal het totalitarisme de vrije vereniging vervangen.

De keten solidariteit – bezorgdheid – socialisme maakt vervolgens dat Orwell vormen van socialisme afwijst die het terugbrengen tot staatskapitalisme waar de leiders los van het volk beslissen over de herverdeling van een deel van de bronnen. Hij neemt daarbij stelling tegen vormen van totalitarisme die zich als socialisme vermommen, zoals het stalinisme, wat later het maoïsme zal doen en andere dwalingen als de  Rode Khmers.

Bezorgdheid – solidariteit – socialisme kunnen tot uitdrukking komen rond relaties van ‘geven en ontvangen’, zonder daaraan trouwens de gedachte van teruggeven toe te voegen. Dat laatste zal onmiddellijk tot ‘uitruil’ leiden in termen van begroting, berekening en winst, oppert Le Goff. Participeren volstaat; geven volstaat. Breken met de verplichting van teruggeven als bron van sociale legitimiteit maakt het mogelijk een integrale relatie in te stellen van zorg voor de ander en beschikbaarheid voor wederkerigheid.

Paradox

Orwell vraagt zich op enig moment af waarom gewone mensen zo gemakkelijk een wereld aanvaarden, die los van hen is gebouwd, zelfs tegen hen is opgericht, en waarin zij de gemarginaliseerden blijven. Zijn antwoord is niet eenduidig: ‘Zij zullen in opstand komen als ze zich ervan bewust worden en zij zullen zich er slechts bewust van worden nadat zij in opstand zijn gekomen’. Het is wat Orwell noemt de paradox van de gewone mensen. Hun opstand zal hun zaak zijn – zoals zich dat vaker in de geschiedenis heeft voorgedaan…en zij zullen aan niemand toestemming vragen!

Wat ik mij al veel langer afvraag, maar het komt nu weer aan de oppervlakte is: waar faalt kennelijk het linkse activisme om een verbinding te leggen met het zojuist bedoelde, paradoxale, bewustwordingsproces van de gewone mensen…?

Thom Holterman

LE GOFF, Jean-François, Des gens ordinaires. Avec George Orwell et Donald Woods Winnicott, Éditions Gallimard, Paris, 2018, 148 blz., prijs 16,50 euro.