Ferdi De Ville is professor politieke wetenschappen aan het Centrum voor EU-studies aan de Rijksuniversiteit Gent; hij is ook actief in de denktank Minerva. Twee jaar geleden was hij co-auteur van een kritische studie over TTIP, het (voorlopig gesjeesde) vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS (*1).

(Door Herman Michiel, oorpsronkelijk verschenen op Ander Europa)

Zijn nieuwe boek,Winnaars en verliezers – De politieke economie van Europese integratie (*2) is veelomvattender; het gaat  “op zoek naar verklaringen voor de huidige onvrede” bij de Europese integratie, en bekijkt daarvoor zowel de geschiedenis van de Europese integratie (Deel I, Geschiedenis), het gevoerde beleid (Deel II, Asymmetrische integratie, met hoofdstukken over de interne markt, competitiebeleid, landbouwbeleid, monetair beleid, fiscaal beleid en sociaal beleid) en de grote sociaal-economische verscheidenheid van de lidstaten (Deel III, Verscheidenheid). In het afsluitend Deel IV wordt de eurocrisis beschreven als een illustratie én gevolg van het soort Europese integratie gevolgd door de Europese Unie, en worden een aantal ideeën gelanceerd om de tekorten te remediëren.

Plussen

Ik wil onmiddellijk vermelden dat ik het boek lezenswaard vind, dat het geen onleesbaar product is vol jargon, dat het de lezer niet verveelt met een zoveelste voorstelling van de instellingen en verdragen van de EU en dat het geen platvloers Europa hoera boekje is (zoals De Villes academische collega Prof. Hendrik Vos pleegt te produceren (*3). De Ville weerlegt of nuanceert een aantal van de standaardmythes van het EU-epos, en komt vaak kritisch uit de hoek. Ook al zijn deze kritieken meestal niet nieuw, het feit dat ze uit een academische pen komen en dat de auteur van sociaaldemocratische signatuur is, verleent ze een interessante zeggingskracht en een bepaald politiek gewicht.

Laat me kort enkele interessante punten van De Villes analyse belichten.

  • Zoals reeds vermeld weerlegt of nuanceert De Ville een aantal van de Europese mythes. Zo toont hij in Hoofdstuk 3 aan dat de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS, 1951) – traditioneel voorgesteld als een geniaal idee van de Vaders van Europa om oorlog ten allen tijde onmogelijk te maken – op een meer prozaïsche wijze paste in de industriële noden van onder andere België, Luxemburg en Frankrijk. Ook over de voorstelling van de oprichting van de interne markt als een troostprijs voor het mislukken van de pogingen tot politieke integratie (met  o.a. de Europese Defensiegemeenschap) zegt De Ville dat het niet klopt; de interne markt was wel degelijk van meet af aan vervat in de Europese blauwdruk.
  • Hoofdstuk 16, “De eurocrisis: alles komt samen” toont op een paar bladzijden helder aan dat de Europese eenheidsmunt een ingebouwde splijtzwam is die, in plaats van de economische integratie en convergentie te vergemakkelijken, ze onmogelijk maakt. Ook de mythe dat, met uitzondering van Griekenland, onverantwoorde overheidsuitgaven aan de basis van de crisis zouden liggen, wordt terecht van de hand gewezen. Jammer dat de auteur ook niet de behandeling van Griekenland door de Europese leiders vanaf 2015 aangreep als het ‘alles samen komen’ van wat de Europese Unie in petto heeft op politiek vlak.
  • Waarom de roep naar een ‘sociaal Europa’ een roep in de woestijn zal blijven wordt kernachtig geformuleerd (pag. 89): “De combinatie van een taakverdeling waarbij het Europese niveau zich bezighoudt met het vestigen van een eenheidsmarkt via liberalisering en het nationale niveau sociale bescherming verzorgt, en het principe van ‘suprematie’ van Europese wetten zoals gestipuleerd door het Hof van Justitie van de EU, betekent dat sociale bescherming juridisch ondergeschikt is geworden aan vrije competitie.” 
  • De rol van de informele maar zeer machtige patronale lobbygroep ERT (European Round Table of Industrialists) bij het totstandkomen van de interne markt (pag. 47) en van de bij de ERT aanleunende AMUE (Association for the Monetary Union of Europe) bij het totstandkomen van de eenheidsmunt (pag. 73) wordt meestal maar vermeld door linkse eurokritische auteurs, maar krijgt ook hier de aandacht die dat verdient. De Ville citeert gewezen eurocommissaris Peter Sutherland (1985-89, onder commissievoorzitter Delors): “Men kan stellen dat de hele voltooiing van het interne marktproject niet geïnitieerd is door overheden maar door de ERT.”

 

Minnen

Anderzijds stelt het boek mij nogal teleur door het gebrek aan diepgang in de politieke analyse en de zwakte van de remedieringsvoorstellen die in de conclusies aan bod komen. Vooral door de ondertitel van het boek, politieke economie van de Europese integratie, zijn de verwachtingen nogal hooggespannen. Maar de analytische ‘toolbox’ van de auteur bevat weinig scherpe werktuigen. Hij heeft het over ‘groepen’ in de samenleving, terwijl Max Weber het al over sociale klassen had; er is geen sprake van een tegenstelling kapitaal/arbeid, of bezittende klasse/werkende klasse maar van “mobiele en minder mobiele actoren”. Ook de termen ‘winnaars’ en ‘verliezers’ waar het boek zo’n beetje rond geconstrueerd is komen over als een soort geslachtloze wezens. Hetzelfde kan gezegd worden over de schematiseringen van ‘types markteconomieën’ (liberale, gecoördineerde, staatsgeleide, mediterrane, afhankelijke) die hoogstens een beperkte beschrijvende waarde hebben.

De karakterisatie van de Europese Unie zelf blijft eigenlijk volledig buiten het bestek van het boek. Terwijl men het met de auteur kan eens zijn dat “de Europese Unie die we vandaag kennen niet de uitkomst is van een complot van neoliberale krachten uit de jaren 1950” (pag. 165) zoekt men in een ‘politieke economie van Europese integratie’ toch naar een minimale indicatie van wat die EU-machine eigenlijk is. Een neutrale constructie die de kleur aanneemt van de toevallige politieke meerderheid? Een poging tot samenwerking tussen staten van het naoorlogse Europa, later gekaapt door neoliberale krachten? De toevallige resultante van politieke actoren en lobbygroepen? Misschien was het niet de ambitie van het boek om hier enige aandacht aan te besteden, maar dan kan men ook moeilijk spreken van ‘politieke economie’.

Ook de politiek tout court ontbreekt bijna volledig in het boek: hoe verloopt het politieke spel, hoe verhouden zich de grote politieke families in de EU, wat is de rol van de sociaaldemocratie  in de neoliberalisering van de EU (volgens veel analisten toch een belangrijk element in de huidige onvrede over de EU, zelfs in het oprukken van extreemrechts). Dit is verwonderlijk, want zoals ik verderop nog zal aantonen ontbreekt het de auteur niet aan kritische inzichten hierover, en heeft hij vroeger al diepgaandere analyses gemaakt van de aard van de EU en het politiek gebeuren daarin.

Welk bilan?

Ondanks bepaalde hiaten ontbreekt het in het boek niet aan scherpe observaties, en men is dan ook benieuwd wat de auteur in zijn concluderend hoofdstuk zal naar voor schuiven. Maar dat valt tegen. De Ville baseert zijn bilan op een analyse in termen van ‘output-legitimiteit’ en ‘input-legitimiteit’. Het eerste berust op de vraag of de EU leidt tot een meer efficiënte productie; dat de crisis in Europa veel langer duurde dan elders (en ik zou eraan toevoegen: dat de landen van de eurozone het er slechter vanaf brachten dan de lidstaten zonder euro) bewijst voor De Ville dat het argument van de output-legitimiteit niet langer kan ingeroepen worden. Hervormingen zijn daarvoor nodig. De Ville verwijst daarbij instemmend naar niemand minder dan … de vleesgeworden Europese christendemocratische hypocrisie, Herman Van Rompuy, en citeert een van diens wollige uitspraken: “Het is van essentieel belang dat de Unie zich ook van haar beschermende kant laat zien. Het is hoog tijd dat duidelijk wordt gemaakt dat de Unie er niet alleen is voor de ondernemingen, maar ook voor de werknemers”, enzovoort (pag. 167). Bijna even wollig zijn De Villes voorstellen, om “afspraken te maken over fiscaal en sociaal beleid, bijvoorbeeld om de vennootschapsbelasting, het minimumloon of de werkloosheidsuitkering in elk van de landen niet onder een bepaald niveau te laten zakken”. Als succesvolle sociale politiek bedrijven kon herleid worden tot het ‘maken van afspraken’ vraagt men zich af waarom de sociaaldemocratie daar tot nog toe niet in geslaagd is.

En als het niet lukt met die afspraken ziet De Ville nog een andere mogelijkheid: “de economische vrijheden en de begrotingsregels wat terugschroeven om ruimte te laten aan nationale overheden om opnieuw meer naar eigen goedvinden kunnen nationale fiscale en sociale keuzes te maken“, waarbij zelfs “vormen van kapitaalcontrole” kunnen ingevoerd worden. De Ville weet nochtans zeer goed – en legt dat in het boek ook uit – dat er in de EU niet gespot wordt met de economische vrijheden. Als het echt de bedoeling is om linkse, of zelfs maar consequent-reformistische politiek te bedrijven en tegen de neoliberale EU in te gaan, is de les die we in Griekenland geleerd hebben dat men niet onbeslagen op het ijs kan komen. De badinerende toon waarop de auteur zijn voorstellen doet lijkt er echter niet op  te wijzen op dat deze  les geleerd werd.

Wat de ‘input-legitimiteit’ betreft, die ervoor zou moeten zorgen dat burgers een echte keuze hebben tussen duidelijke beleidsalternatieven, wordt eveneens op luchthartige toon een en ander voorgesteld.”De besluitvorming op Europees niveau kan aangepast worden, zodat fundamentele bijsturingen gemakkelijker (bij meerderheid) kunnen worden genomen.”  Er wordt ook een tweede mogelijkheid geopperd, een optie “om de cirkel te doorbreken” waarmee Herman Van Rompuy het zeker niet zou eens zijn, en die we nogal in extenso willen citeren:

“dat landen er unilateraal voor kiezen om Europese regels te overtreden. Dat zou het resultaat kunnen zijn van een verkiezingsoverwinning van radicale partijen, zoals in Griekenland of Italië. Een dergelijke regering zou bijvoorbeeld kunnen beslissen om de begrotingsregels naast zich neer te leggen, of kapitaalcontroles invoeren om hoge belastingen op mobiele factoren te heffen. Op die manier zouden ze op korte termijn beleidsautonomie herwinnen. Wanneer dat dreigt een nieuwe crisis uit te lokken, omdat financiële markten nieuwe twijfels zouden krijgen bij het voortbestaan van de eurozone, zou het de huidige status opschudden en meer ingrijpende bijsturingen wel mogelijk kunnen maken. Momenteel hebben sommige lidstaten er weinig belang bij om van koers te veranderen. Maar als het alternatief een nieuwe crisis is, waarbij zij ook grote verliezen dreigen te lijden, bijvoorbeeld omdat een land zijn leningen niet zou terugbetalen, dan kan dat de onderhandelingsmacht en dynamiek veranderen in het voordeel van zij die verandering willen.”

Nu wordt het interessant, hier wordt een strategische aanzet gegeven, maar hier precies eindigt het boek… Beste Ferdi, misschien moet uw volgend boek hier beginnen?

Ambities gemilderd?

Zelfs als ze het over “de feiten” eens zijn trekken mensen daaruit meestal uiteenlopende politieke conclusies. Ik vind De Villes voorstellen om tot een ander beleid te komen in Europa niet erg geloofwaardig (*4), maar dat zou omgekeerd ongetwijfeld ook zo zijn. Eigenaardiger is dat hij drie jaar geleden, wat mij betreft, een scherpere analyse maakte en politiek relevantere suggesties deed, die niet in het boek terug te vinden zijn. Ik heb het over zijn essay “Sociaaldemocratie moet zich uit Europese dwangbuis wringen”(*5) geschreven in het ‘Griekenlandjaar’ 2015.  Hier is er wél sprake van de in het kader van een politieke economie hoogst relevante feiten als het ‘socialisme van de Derde Weg’, de onbenutte meerderheid van sociaaldemocraten in de EU eind jaren 90, de  “schade toegebracht aan de sociaaldemocratie in Europa door het mercantilistisch beleid van de Duitse sociaaldemocraten”, “de strategie van telkens compromissen te zoeken met de conservatieven van de Europese Volkspartij”,  enzovoort. Er wordt ook gesproken over kapitaal versus arbeid, eerder dan groepen van winners  en verliezers. Het belangrijkste lijkt me nog  De Villes  opmerking over het belang van strategie:

“Helaas hebben sociaaldemocraten hun hoop voor een sociaaldemocratische wederopstanding op het Europese niveau geprojecteerd zonder een duidelijk plan hoe de Europese Unie dan wel sociaal en democratisch moest gemaakt worden. Door dit gebrek aan strategisch inzicht en de gebeurtenissen van eind jaren 80 (de val van de Berlijnse muur en de overhaaste invoering van de euro en uitbreiding van de Unie in reactie daarop) is de Europese Unie uiteindelijk een constructie geworden, die de natte droom van neoliberalen als Friedrich Hayek benadert.”

Jammer dat er in De Villes nieuwe boek zo weinig terug te vinden is van strategisch denken op het Europese politieke vlak. Ook het herhaald wijzen naar vakbonden die zich onvoldoende ingespannen hebben om loonmatiging  op te leggen om aldus het concurrentievermogen op te tillen (*6) lijkt een terugvallen te zijn op formules die hun ondeugdelijkheid bewezen hebben.

Noten:

(*1) Ferdi De Ville en Gabriel Siles-Brügge, TTIP, het Transatlantisch Handels- en Investeringsverdrag – een nuchtere analyse van beloftes en kritieken, Academia Press, 2016, 156 blz.,  20 €.  

(*2) Ferdi De Ville,  Winnaars en verliezers – De politieke economie van Europese integratie, verschenen eind september 2018 bij Pelckmans Pro, 179 blz., 25€. Een randbemerking over deze uitgave: in de eerste hoofdstukken vindt men systematisch en misschien wel twintig maal de woordcombinatie trentes glorieuses, waarmee de ‘golden sixties’ bedoeld worden. Het is vreemd dat ook de uitgever deze spelfout van het Frans (het moet natuurlijk zijn: trente glorieuses) niet opmerkte. In de hoge prijs van dit niet al te volumineuze boek zou men dan toch mogen onderstellen dat de diensten van een corrector of correctrice inbegrepen zijn?

(*3) Zie de onverbloemde commentaar van Piet Lambrechts in Als een Vos de Europese passie preekt.

(*4) De Ville verwijst in voetnoot 105 ook naar enkele “concrete, uitgewerkte voorstellen die passen bij mijn dubbele bijsturing”. Het is hier niet de plaats om deze documenten te becommentariëren, maar men is toch verbaasd dat de auteurs grotendeels uit de gangbare Europese machtscentra komen: beleidsmedewerkers  van de Europese Centrale Bank, politici uit PASOK of  Ciudadanos, verre van linkse denktanks als Bruegel, Fondation Robert Schuman, Peterson Institute … Ook dat draagt niet onmiddellijk bij  tot de geloofwaardigheid.

(*5) Ferdi De Ville,  Sociaaldemocratie moet zich uit Europese dwangbuis wringen, Res Publica n° 3, 2015, pag. 353-368, beschikbaar op https://biblio.ugent.be/publication/6956198/file/6956203 .  

(*6) Enkele voorbeelden. Over de Belgische socialistische vakbond: “een militante vleugel die minder bereid was tot constructieve opstelling” (pag. 124); “sociale partners slaagden er niet in om loonmatiging af te spreken, en de concurrentiepositie van de Belgische economie verslechterde (pag. 125); “In Zuid-Europa zorgden de verdeelde vakbonden, die vooral in de afgeschermde sectoren sterk staan, ervoor dat de rest van de economie competitiviteitverlies leed, en de industrie versneld teloor ging. ” (pag. 157). Over Duitsland wordt gezegd dat het land opnieuw competitief werd door de medewerking van de vakbonden bij het matigen van de lonen, onder meer door de Hartzhervormingen (pag. 156), maar anderzijds (pag. 163) wordt vermeld wat ook andere waarnemers genoteerd hebben: de loonmatiging leidde niet systematisch tot een daling van de prijzen van producten waar toch voldoende vraag naar was, met alleen een hogere winstmarge als resultaat.