‘Irene’ schreef een helder boekje over radicale strijd van vrouwen, dat dit jaar uitkwam bij de Franse uitgeverij Editions  Divergences en snel populair aan het worden is. De titel is La Terreur Feministe. Feministische Terreur dus, maar het is tegelijkertijd een aanklacht tegen structureel geweld tegen vrouwen en stelt de vraag waarom er juist zo weinig teruggeslagen wordt door vrouwen.

(Door globalinfo.nl, die best af en toe een donatie kan gebruiken)

Irene schrijft in de inleiding dat ze niet langer kan verkroppen dat er tegenwoordig allerlei praatprogramma’s zijn waarin gesteld wordt dat mannen tegenwoordig slachtoffer zouden zijn van ‘feminazies’. Denk aan de Proud Boys en dat soort ‘incel’-bewegingen die kennelijk ook aanslaan bij mannen op tv en radio.  Feministes verdedigen zich dan vaak – ze noemt wat voorbeelden – met de stelling dat feministes helemaal niet gewelddadig zijn en ‘nog nooit iemand vermoord hebben’. Irene vindt dat juist het probleem. Ten eerste klopt het niet, want er is een minderheid die wel degelijk met geweld heeft geantwoord. En ze wil in haar boek aftasten wat er zou gebeuren als vrouwen in grotere getallen wat minder terughoudend zouden zijn met hun reacties op het geweld en de vernedering die ze dagelijks te verduren hebben.

Irene beschrijft ‘feministische terreur’ in drie soorten: in de verbeelding, individuele acties en georganiseerd gewelddadig feminisme. Bij elke categorie schetst ze kort een paar portretten. In de beschrijving van elk geval wordt mede de dramatische maatschappelijke situatie belicht die de oorzaak is van de gewelddadige reactie. En het begint met het beeld dat er in mainstream media en politiek geschapen wordt van ‘gewelddadige vrouwen’: die sporen niet, als er al over bericht wordt. Feminisme, als het al goedkeurend beschreven wordt, dient keurig en ingetogen en volgens de regeltjes te zijn, anders wordt het genegeerd of neergesabeld. Dat is volgens de schrijfster een groot onderdeel van het probleem: ondanks het systematische geweld tegen hen wordt vrouwen wijsgemaakt dat ze poezelig volgzaam horen te zijn. Maar er zijn voorbeelden van vrouwen die zich daar – al dan niet gedwongen door de omstandigheden – niet aan houden, en daar gaat het boek over. “Tegenover een systeem dat vrouwen mishandelt en ze zelfs het leven kan kosten, is het antwoorden met geweld van levensbelang, het is legitiem en noodzakelijk.”

Kunst

GENTILESCHI Judith

(Foto Schilderij wikimedia commons)

De eerste categorie die Irene beschrijft is geweld van vrouwen in artistieke verbeelding. Dat gebeurt  maar in hoge uitzondering; ook omdat vrouwen zelf grotendeels  buiten de artistieke productie werden gehouden. Dus als ze in beeld komen, is dat door mannelijke schilders, componisten en beeldhouwers. Neem al die schilders in de Barok. Iedereen kent Carvaggio, Rembrandt, Rubens en Vermeer. Maar wie heeft er ooit gehoord van Artemisia Gentileschi? Ze kon als een van de zeer weinige vrouwen meedoen aan het schildersgilde van haar tijd, maar werd ook verkracht door haar leermeester en schilderde vervolgens, wat vast niet toevallig is, opvallend veel Bijbelse taferelen waarbij mannen gekeeld worden. Een ander voorbeeld is Lisbeth Sallander, in de boeken van Stieg larsson (en de verfilming daarvan). Dat is een bijzondere uitzondering omdat in de drie delen steeds teruggekomen wordt op het geweld dat Lisbeth in het verleden te verduren heeft gehad, en vervolgens haar wraak als geheel vanzelfsprekend wordt voorgesteld. Derde voorbeeld is Valerie Solanas en haar SCUM-manifest, dat ze publiceerde toen ze een poging deed om kunstenaar Andy Warhol in New York dood te schieten, met de boodschap dat het tijd wordt om alle mannen, die immers een biologisch wanproduct zijn, uit de weg te ruimen. Volgens Irene was het manifest van Solanas trouwens een stuk harder en helderder in zijn oordeel dan het boek dat momenteel op dat gebied actueel is in Frankrijk, Moi Les Hommes Je les Deteste (Mannen, Ik haat ze) van Pauline Harmange (*). Ze noemt dat eerder een liefdesverklaring.

Individueel tegengeweld

Irene beschrijft in het tweede hoofdstuk een paar individuele gevallen van vrouwen die in hun eigen leven het heft, letterlijk, in eigen handen hebben genomen en de man die hen stelselmatig mishandelde en vaak zelfs dreigde te doden, uit de weg hebben geruimd. Dat kost ze vervolgens de vrijheid. Wat de portretten gemeen hebben is dat ze eerst jarenlang geweld van hun respectievelijke mannen hebben moeten verduren en niet geholpen worden, ook niet als ze naar de politie stappen. Het begint met haar eigen grootmoeder, Ita. Die was er iets sneller bij. Toen haar man haar drie keer geslagen had, maakte ze hem duidelijk dat als hij het nog een keer zou proberen, ze hem in zijn slaap om het leven zou brengen. Dat hielp. Haar grootmoeder vertelde de schrijfster ook hoe ze in een bioscoop een man die seksistisch commentaar riep tijdens de film, een dreun gaf en dat het publiek haar vervolgens op applaus trakteerde. Geweld werkt dus. Maar het was ook de enige mogelijkheid die vrouwen hadden om zich te verdedigen.

Het andere voorbeeld is dat van Ana Orantes, die in 1997 op de Spaanse tv had verteld hoe ze veertig jaar lang door haar man was mishandeld. Enkele dagen later steekt die haar in brand en ze sterft. De moraal van dit geval is dat alleen aanklagen vaak niet genoeg is. Je moet je ook actief verdedigen. Maria del Carmen Garcia heeft in 2005 in Spanje de man vermoord die enkele jaren eerder haar dochter had verkracht. Hij is net vrijgelaten uit de gevangenis en vond het wel grappig om haar aan te spreken bij een bushalte en te vragen hoe het met haar dochter ging. Als antwoord heeft ze een fles met benzine gevuld bij het tankstation verderop, is de man op gaan zoeken in een kroeg en heeft hem in de hens gestoken. Ze werd tot jarenlange gevangenisstraf veroordeeld, maar werd ook gesteund door een feministische campagne die bereikte dat ze na enkele jaren voorwaardelijk vrij kon komen.

In Frankrijk was Jacqueline Sauvage de vrouw die een ommekeer wist te bereiken in de beeldvorming over vrouwen die terugslaan. Maar ook bij haar was de prijs hoog. Ze schoot in 2012 haar man dood – Irene noemt de ‘slachtoffers’ trouwens ook allemaal bij naam en toenaam –  met een jachtgeweer nadat die haar 27 jaar lang had mishandeld en verkracht. Ze werd tot tien jaar gevangenis veroordeeld. Maar ook in dat geval gaat het proces gepaard met flinke feministische mobilisatie en eind 2016 schenkt de toenmalige president Hollande haar gratie omdat ze niet in staat was geweest zich legitiem te verdedigen. Na de actie van Jacqueline Sauvage hebben meer vrouwen het aangedurfd om hun man ‘effectief te stoppen’. Irene beschrijft de gevallen van Fatiha Taouhi en Bernadette Dimet. Al die gevallen hadden, volgens Irene, niets met ‘voorbedachte rade’ te maken (het juridische begrip om hen te veroordelen) en alles met wanhoop.

Een specifiek dramatisch voorbeeld, waarmee dit hoofdstuk besluit, is dat van Noura Hussein in Sudan, die in 2018 op 16-jarige leeftijd het huis uitvlucht om te ontsnappen aan een gedwongen huwelijk met een neef die twee keer zo oud was. Ze keert drie jaar later terug als haar vader beweert dat alles vergeven is, maar dat blijkt een val te zijn. Ze wordt alsnog gedwongen te trouwen en samen te leven met een ouder man die haar verkracht. Ze steekt hem dood en wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld. De doodstraf is uiteindelijk, wederom na een grote internationale steuncampagne omgezet in vijf jaar gevangenisstraf. Maar het blijft natuurlijk een enorm drama en volgens Irene heeft Noura er alles aan gedaan om haar probleem op te lossen en had ze uiteindelijk geen keus. En het enige opzienbarende aan haar daad is dat ze zich verdedigd heeft. Er zijn ontelbare vrouwen in vergelijkbare situaties die dat niet doen, en dus buiten beeld blijven.

Georganiseerd militant feminisme

Het afsluitende hoofdstuk beschrijft een aantal georganiseerde feministische initiatieven die zich in de keuze van de gebruikte middelen niet lieten beperken. De bekende Sufragettes als eerste, die zich, in weerwil van de tegenwoordige framing door Extinction Rebellion, niet wensten te laten voorschrijven wat ze wel en niet mochten inzetten om een einde te maken aan hun onrecht.

in een inleiding verwijst Irene naar Peter Gelderloos en zijn boek over het probleem van dogmatische geweldloosheid, en het verband dat er bestaat met een geprivilegieerde positie van degenen die strikte geweldloosheid prediken. Ze verwijst ook naar een geruchtmakend artikel van de Spaanse journaliste Berta Gómez Santo in het tijdschrift La Fronde waarin ze stelt dat feminisme gewelddadig is omdat het een einde wil maken aan ongelijkwaardigheden en dus een einde moet maken aan privileges en aan institutionele structuren die die mogelijk maken. Maar tegelijkertijd moet er de aanval worden ingezet op “het imaginaire collectief dat mogelijk maakt dat mechanismes die vrouwen onderdrukken voor ‘normaal’ worden verklaard”.

Lichtend voorbeeld van een georganiseerde militante groep is volgens het boek de Duitse Rote Zora, de ondergrondse “Frauen und Lesben” actiegroep die tussen 1975 en 1996 directe actie tot een ware kunst verhief en de naam nam van een kinderboek (!) van Kurt Held. Hoogtepunt van hun acties was een serie aanslagen tegen een Duits elektronicabedrijf, Adler, in solidariteit met vrouwen in Zuid Korea die tegen de arbeidsomstandigheden bij het bedrijf in staking waren gegaan en hadden opgeroepen tot internationale solidariteit. En ze wonnen. De Rote Zora verklaarde in een van haar persverklaringen dat ze niet “voor de vrouwen in Zuid Korea ten strijde trokken, maar zij aan zij met hen”. Hoe is het mogelijk, vraagt Irene zich af, dat zo’n geschiedenis van een groep die meer dan 20 jaar actief is gewest, zo weinig bekend is?

Een ander voorbeeld is in Mexico Diana de Wreekster, die in Ciudad Juarez, aan de grens met de VS waar moord op vrouwen endemisch is, in 2013 wraak is gaan nemen op mannen, voornamelijk buschauffeurs die vrouwen hadden vermoord en/of verkracht. De moord op twee buschauffeurs werd met een verklaring opgeëist. Het was het begin van een georganiseerd antwoord op het geweld, waar onder ander in augustus duizenden vrouwen de straat op kwamen in allerlei steden in Mexico om aan te klagen dat ze massaal bedreigd en vermoord werden, en ze geen bescherming kregen van de politie die vaak juist tot de daders behoorde. De acties en demonstraties zijn vaak strijdbaar en politiebureaus en regeringsgebouwen worden er vaak bij belaagd. Diana is overigens nooit opgespoord.

Irene sluit af met een persoonlijke noot: liefst zou ze geen geweld gebruikt zien. Ze zou het heerlijk vinden als de revolutie met wat borden en flashmobs geklaard zou kunnen worden. Maar ze vreest dat dat niet zal gebeuren en dat het patriarchaat ook niet weg zal gaan als men er vriendelijk om vraagt. Een diversiteit van tactieken is de sleutel. “Of daarbij militante of gewelddadige middelen een probleem zijn, kan dan misschien gedebatteerd worden op het moment dat die even gewelddadig zijn als nu het patriarchaat”.

------------------------------

La Terreur Feministe, Irene, Editions Divergences 2021, 128 p.
14 euros ISBN : 9791097088385
https://www.editionsdivergences.com/livre/la-terreur-feministe

*) Het boek van Pauline Harmange (Moi les hommes, je les déteste) werd bekend in Frankrijk toen een ijverige ambtenaar het boek dreigde te verbieden omdat het tot haat aan zou zetten. Toen werd het een bestseller. Het is inmiddels ook in het Nederlands vertaald en door uitgeverij Atlas uitgegeven onder de titel Mannen, ik haat ze van Pauline Harmange. In dagblad Trouw verscheen een stuitend interview met de schrijfster door een kerel die hoofdzakelijk van haar wil horen dat ze tegen moslims is, wat ze tot zichtbare nijd van de journalist weigert te verklaren.