Het boek ‘Een Land van Kleine Buffers’ van Dirk Bezemer (*1) is het misschien wel belangrijkste boek dat dit jaar over de economie in Nederland is verschenen. De financialisering van de Nederlandse economie en haar negatieve gevolgen worden er integraal in geanalyseerd. Henry van Maasakker bespreekt het boek dan ook uitgebreid, in vier etappes. In drie artikelen wordt de inhoud van het boek beschreven. In een afsluitend vierde deel zal commentaar en kritiek gegeven worden. Maar nu eerst deel 1.

Kort na het begin van de coronacrisis begon Bezemer met het schrijven van ‘Een land van kleine buffers’. Hij is hoogleraar Economie van de Internationale Financiële Ontwikkeling te Groningen. Bij het grote publiek is hij vooral bekend door zijn kritische columns over de Nederlandse economie voor De Groene. In zijn nieuwe boek worden recente thema’s en artikelen verwerkt die hij voor De Groene schreef. Om zijn nieuwe boek goed te kunnen begrijpen, moeten we eerst een definitie geven van wat ‘financialisering’ wordt genoemd. Dat is het centrale thema van zijn nieuwe boek over de Nederlandse economie.

Financialisering is te definiëren als een nieuw stadium van het kapitalisme dat na 1983 opkwam in de Westerse wereld (eerst in de VS en Groot-Brittannië). Binnen dit nieuwe stadium krijgen de ‘ontwikkelingswetten’ van het neoliberale kapitalisme na 1990, na de ineenstorting van de Sovjet Unie, vrij spel. Deze ontwikkelingswetten worden belichaamd door transnationale ondernemingen, mega-banken en internationale beleggingsfondsen zoals hedge- en pensioenfondsen die de mondiale financiële markten domineren. Er is sprake van een toenemende rol van financiële motieven, financiële markten, financiële actoren en financiële instellingen in de werking van de binnenlandse en internationale economie (Epstein, 2005, p 3, Lapavitsas, 2013) (*2).

Bezemer is een volgeling van Hyman Minsky die dit nieuwe stadium aanduidt met ‘money manager capitalism’ dat hij vertaalt met ‘kleine bufferkapitalisme’. In dit stadium bepalen krediet- of schulden-cycli, de conjunctuurgolven. Het leidend motief is het accumuleren van financiële vermogens door de ‘vermogen managers’ ten dienste van de grote vermogensbezitters. Dit komt onder andere tot uitdrukking in een zeer omvangrijke financiële sector. Dit kader gebruikt hij om de financialisering van de Nederlandse economie en haar negatieve gevolgen uiteen te zetten. Zoals te kleine buffers voor bedrijven, huishoudens en de publieke sector. Verder noemt hij onderinvestering, geen innovatie, geen reële kapitaalvorming, lage lonen en middeninkomens en kapitaalexport. Hij werkt deze thema’s verder uit in 3 delen en diverse hoofdstukken die hij met veel feiten en cijfers onderbouwt.

Dit systeem is nu in crisis (snel stijgende schuldenlast, problemen in de gas- en oliesectoren, toerisme, landbouw, IT en op terreinen als waardenketens, mobiliteit enzovoorts). Er zijn ingrijpende, structurele veranderingen in de Nederlandse economie nodig om uit deze crisis te komen. Het beleid van de regeringen Rutte wordt gedomineerd door de neoliberale ideologie en haar belangengroepen (transnationale ondernemingen, megabanken en internationale beleggingsfondsen) die een zo snel als mogelijk willen dat de politiek zich weer richt op de aflossing van de snel in omvang gegroeide schuldenlast door huishoudens, bedrijven en de publieke sector die in handen is van de grote vermogens en de financiële sector ten koste van de reële sector.

Het boek van Bezemer heeft 319 pagina’s met een voorwoord en bestaat uit 3 delen. In deel 1 Tevreden maar bezorgd beschrijft de financialisering of kleine bufferkapitalisme van de Nederlandse economie van de laatste 10 jaar en beslaat hoofdstukken 1 t/m 7. Deel 2 heeft als titel Werken voor geld. In deel 2 legt hij uit hoe het kleine bufferkapitalisme als systeem in Nederland werkt in de hoofdstukken 8 t/m 10. In deel 3 Zo maar doen dan?  wordt uitgewerkt welke structurele veranderingen er nu en in toekomst in de Nederlandse economie nodig zijn om de negatieve gevolgen van het kleine bufferkapitalisme op te vangen dit wordt in de hoofdstukken 11 t/m 14 behandeld.

Maar we beginnnen bij hoofdstuk 1, getiteld ‘waar gaat dit over’ . In het voorwoord geeft hij al een korte omschrijving van dit centrale thema dat hij verder uitwerkt in een drietal delen.

Deel 1. Tevreden maar bezorgd.

In hoofdstuk 2 Rijk en Gelukkig zet Bezemer uiteen dat het model van het Nederlandse, financiële kapitalisme in de jaren ‘90 onder diverse Paarse kabinetten vorm heeft gekregen, jaren waarin er een geglobaliseerde wereldeconomie tot stand is gekomen. Deze wordt gedomineerd door de Triade, VS, EU en Azië waar India en China industrialiseren. Nederland heeft als onderdeel van de EU hiervan kunnen profiteren. Dit blijkt uit de groei van de grote, financiële vermogens gevoed door de overschotten op handel-, export- en betalingsbalans. Andere indicatoren zijn de sterk in omvang gegroeide pensioen- en andere beleggingsfondsen, de gemiddelde jaarlijkse economische groei van 2%, de lage gemiddelde werkloosheid en de lage staatsschuld en de recente overheidsoverschotten.

De financialisering heeft in het geval van de publieke sector geleid tot jarenlange structurele onderinvestering in maatschappelijke kapitaal. In sectoren als zorg, onderwijs, politie enzovoorts die nu voor iedereen zichtbaar worden. Het terugdringen van de staatsschuld, de overheidstekorten, kortom de publieke sector is het kernstuk van de neoliberale ideologie. Dit komt vooral de financiële sector en de opeenhoping van de grote, financiële vermogens ten goede. Het onderinvesteren zien we ook terug bij het productief bedrijfskapitaal, de infrastructuur, de investering in de natuur en de eerdergenoemde sectoren.

In de private sector heeft de financialisering geleid tot veel te kleine buffers bij de ondernemingen, hoge private schulden en jarenlange onderinvestering in de reële kapitaalvorming in private en publieke sectoren. Centraal element vormt de decennialange loonmatiging die gepaard ging met een fragmentering van de arbeidsmarkt, onderbetaling en geen bescherming tegen ontslag, ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid. Er wordt al decennialang niet geïnvesteerd in de vorming van menselijk kapitaal dit komt tot uitdrukking in de al decennialange daling van de loonquote (*3) in het Netto Nationaal Inkomen. De hoge winsten en winstquote die hiervan het gevolg zijn komen vooral ten goede aan de opeenhoping van de grote vermogens. Dit systeem komt de internationaal opererende mega-banken, grote transnationale ondernemingen en de diverse beleggingsfondsen ten goede zoals we dat kennen uit het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme.

In hoofdstuk 3 Veerkracht voor de kleintjes, steun voor de groten legt Bezemer uit dat er bij grote internationaal opererende concerns zoals Air France-KLM (en de NS) sprake is van onderinvestering in reëel kapitaal en van te kleine buffers. Dit leidt ertoe dat deze concerns voortdurend een beroep moeten doen op miljarden euro’s Nederlandse staatsteun. De financialisering is diep doorgedrongen in de dagelijkse praktijk van het concernmanagement. De uitkering van zeer hoge salarissen en bonussen is normaal daarvoor worden de winsten van de onderneming aangewend waarbij de aankoop van de eigen aandelen (beurspeculatie) een bijzondere plaats inneemt. Door deze aankoop stijgen zowel de prijs per aandeel als de dividenden. Deze managementpraktijk komt vooral de grote aandeelhouders ten goede waaronder het strategisch managementniveau zelf.

Dit soort van ondernemingen hoeft ook nauwelijks belasting te betalen. Om zaken als voortdurende staatsteun en belastingontheffing te kunnen verklaren is het belangrijk te weten dat er een nauwe vervlechting bestaat tussen de nationale staat (en de Europese supranationale instellingen) en internationaal opererende ondernemingen, megabanken en beleggingsfondsen die het nationale staatsapparaat in hun greep hebben. Dit blijkt vooral uit het groot aantal belastingafspraken dat de Nederlandse overheid met deze internationale spelers heeft gemaakt waardoor Nederland te boek staat als een ‘internationaal belastingparadijs’.

In hoofdstuk 4 Henk en Ingrid komt een ander centraal onderdeel van de financialisering namelijk de inkomensverdeling en de inkomensongelijkheid in Nederland aanbod. Dat is een belangrijke voedingsbodem voor het populisme. Er is in Nederland sprake van veel inkomensongelijkheid, zo zijn er vele gezinnen die financieel klem zitten door te hoge woonlasten, schulden en betalingsachterstanden waardoor er te weinig overblijft voor het dagelijkse levensonderhoud. De oorzaak ligt in de al decennialange stagnerende reële lonen en inkomens. De loongroei was de afgelopen 20 jaar armoedig en dit betreft zowel de lonen als de arbeidsinkomensquote in het Nationaal Inkomen. In deze periode groeiden de winsten en het winstaandeel in Nationaal Inkomen ondanks lage werkloosheidscijfers.

In het verleden betekende dit dat de positie van de werknemers en vakbonden sterk was om looneisen te stellen maar dat is niet meer zo. Er heeft zich een omvangrijke fragmentering van de Nederlandse arbeidsmarkt voorgedaan. Er is sprake is van een grote, permanent fluctuerende arbeidsreserve met flexibele arbeidscontracten. Zowel binnen de traditionele arbeidersklasse als de middenklasse. Deze precaire klasse heeft een dusdanig grote omvang dat de vakbonden nauwelijks een vuist kunnen maken waarvan de machtsbasis verder afkalft. De overheid heeft hierin een belangrijke rol gespeeld zowel als wetgever als werkgever, aldus Bezemer.

Groeiende bestaansonzekerheid en lastendruk hebben al decennialang nauwelijks geleid tot groei van het reëel besteedbaar inkomen voor zeer veel huishoudens. Hierin moeten we de belangrijke oorzaak zoeken van de groei van het populisme. In Nederland is sprake van een groeiende inkomenspolarisatie die diverse aspecten kent. Ze betreft de hogere versus de lagere inkomensklassen met daarbij een afkalvende middenklasse. Het betreft éénoudergezinnen met een vrouwelijke kostwinner en vele migrantenhuishoudens. Het wordt ook duidelijk in de grote beloningsverschillen tussen het management en de werkvloer in de vele ondernemingen.

De vermogensongelijkheid is in Nederland bijzonder groot. Het bezit van vermogen in de vorm van allerlei vermogenstitels groeit met de stijging van de prijs van obligaties, aandelen en allerlei anderefinanciële producten. Deze prijsstijging is een van de belangrijkste doelstellingen van de bezitters van grote vermogens. Een andere belangrijke bron van inkomens- en vermogensongelijkheid is de ongelijke belastingdruk. Zo worden stijgende winsten en inkomsten uit vermogen voor belasting vrijgesteld. Echter, de belastingdruk op lonen en middeninkomens is verder gestegen. Als laatste vorm van vermogensongelijkheid noemt Bezemer de enorme hypotheekschuld van de huishoudens uit de afkalvende middenklasse.

Hoofdstuk 5, publieke tekorten en private vermogens, heeft de ontwikkeling van de publieke sector in Nederland na 2008 als thema. Bezemer legt het accent op het bezuinigingsbeleid van Rutte II en Rutte III. Het terugdringen van de staatsschuld en de overheidstekorten is de centrale beleidsdoelstelling van deze kabinetten er is zelfs sprake van begrotingsoverschotten. Dit beleid pakt echter catastrofaal uit. Elementaire staatstaken als politie, justitie en de rechtspraak kunnen niet meer naar behoren worden uitgevoerd. Er is de afgelopen jaren enorm bezuinigd op het apparaat dat deze taken moet uitvoeren. Ook sectoren als de zorg, het onderwijs, de verpleeg- en verzorgingshuizen, de gemeenten, waterschappen en provincies die steeds meer taken naar zich toegeschoven krijgen, hebben de afgelopen jaren enorm moeten bezuinigen waardoor ook zij elementaire taken en voorzieningen niet meer kunnen uitvoeren. De kwaliteit van al deze diensten en voorzieningen heeft hier zichtbaar onder geleden.

Het terugdringen van de staatsschuld en de overheidstekorten komt de megabanken, transnationale ondernemingen en beleggingsfondsen ten goede door aflossingen plus rente door de nationale overheden waarvan de staatsobligaties in handen zijn van deze internationale spelers. Dit geldt helemaal op het moment van financiële crises wanneer deze zelfde spelers vragen om staatsteun en bail outs waardoor de staatsschuld en overheidstekorten snel oplopen. Voor de publieke kapitaalvorming is dit echter zeer schadelijk. Daarnaast is gebleken dat deze bezuinigingen belangrijk hebben bijgedragen aan de diepe, economische recessie die na de kredietcrisis van 2008 optrad. De neoliberale ideologie dat de publieke sector de private sector alleen maar schaadt is volledig onjuist en dat kan ook aangetoond worden voor andere terreinen. De bijdragen van de staat aan de handel, het financieren van onderzoek en onderwijs waarmee innovaties tot stand komen waarvan de private sector profiteert, tonen aan dat deze bewering onjuist is. Dit geldt ook in macro-economische zin. Zo leveren de uitgaven aan overheidsinvesteringen en bestedingen en hun groei, een belangrijke bijdrage aan de kapitaalvorming in de private sector en aan de groei van de Nederlandse economie. Bezemer vat zijn betoog dan ook samen in de conclusie dat bezuinigingen leiden tot crisis, stagnatie en krimp in de reële sector van de Nederlandse economie.

In Hoofdstuk 6, Ons geld in de wereld positioneert Bezemer het Nederlandse, kleine bufferkapitalisme in de wereldeconomie en Europa. Het speelt hierin vooral de rol van ‘belastingparadijs (*4). Vele multinationale ondernemingen waaronder de Amerikaanse ICT-reuzen als Apple, Microsoft, Google verschuiven hun winsten naar het Nederlandse belastingparadijs waarmee het een belangrijke rol speelt in de destabilisatie van het mondiale kapitalisme.

Het Nederlandse beleid is erop gericht het financiële vermogen van Nederlandse transnationale bedrijven, mega-banken en internationale beleggingsfondsen (pensioenfondsen en verzekeraars) in het buitenland te vergroten. Dit middels het behalen van handels- en betalingsbalansoverschotten. Daartoe worden Nederlandse goederen, diensten en kapitaal door hen naar het buitenland geëxporteerd naar de VS, Azië en Europa. Daartoe is Amsterdam (de Zuidas) verbonden met Londen, Frankfurt, New York, Tokio en andere financiële centra. Dit heeft tot gevolg dat ook Nederlandse banken en beleggingsfondsen betrokken waren bij de Aziëcrisis van de jaren 1990, de Amerikaanse kredietcrisis van 2008 en de Eurocrisis. In het laatste geval financierden ze de consumptie- en vastgoedbubbels in landen als Ierland, Griekenland, Spanje en Italië. De lage loonquote (*5) en de overgewaardeerde euro maken het voor Nederlandse en (Duitse) ondernemingen in industrie en dienstverlening mogelijk hun goederen en diensten goedkoop te exporteren naar de Zuideuropese landen wier goederen en diensten niet instaat zijn met die van Nederland en Duitsland te concurreren.

Dit resulteert in exportoverschotten voor Nederland en Duitsland en handelsbalans-, betalingsbalans- en overheidstekorten voor deze landen. Ter financiering van deze tekorten moeten deze landen een beroep doen op de internationale vermogensmarkten waarop de megabanken, pensioenfondsen, verzekeraars en transnationale ondernemingen uit de overschotlanden Nederland en Duitsland, de ‘internationale beleggers’ actief zijn die de vermogenstitels van deze overheden opkopen.

Tijdens de Eurocrisis waren deze tekorten dusdanig opgelopen dat de ‘internationale beleggers’ niet meer bereid waren de vermogenstitels van deze landen te financieren. Dat zou tot gevolg hebben dat deze landen failliet zouden gaan en de internationale beleggers hierin meeslepen. Dit zou tot het uiteenvallen van de EU en een crisis in de euro hebben geleid. Deze crisissituatie leidde ertoe dat de ECB in 2012 de vermogenstitels van deze landen en internationale beleggers ging opkopen om faillissementen te voorkomen. Deze toenemende uitstaande schulden op de internationale vermogensmarkten zijn dan weer een bron van verdere accumulatie van financiële vermogens voor de internationale beleggers uit onder andere Nederland en Duitsland.

Ook nu weer staan deze landen in het Zuiden van Europa onder druk ten gevolge van de coronacrisis waarbij weer het faillissement dreigt, waarbij de ECB opnieuw actief is om dit af te wenden. Alleen een Europese vorm van Marshallhulp (van giften en subsidies) in de vorm van overdrachten door de andere Europese landen kan deze landen nog uit hun problemen halen. Het Europees noodfonds zou hiervan het begin kunnen zijn, echter ook nu vormt Nederland hierbij een belangrijk obstakel. Niet alleen wil het alleen rentedragende leningen verstrekken, het dringt er bij deze landen ook op aan verder te bezuinigen op reële lonen, sociale zekerheid, sociale voorzieningen en andere overheidsuitgaven om via afname van de importen, een exportoverschot te scheppen die de financiering van de schulden inclusief stijgende rentelasten mogelijk moet maken. De negatieve gevolgen van deze financialisering voor deze Zuideuropese landen zoals we dat in eerdere hoofdstukken aan de hand van Nederland uiteen hebben gezet, gelden voor deze landen in nog veel grotere mate daar deze tekortlanden bij de invoering van de euro een veel slechtere uitgangspositie hadden dan Nederland en Duitsland.

De kapitaalexport speelt een centrale rol in het Nederlandse, financiële kapitalisme bij het accumuleren van financieel vermogen in het buitenland zoals de ‘winstverschuiving’ van de Nederlandse multinationals en de ‘institutionele beleggers’. Dat zijn hoofdzakelijk de 270 pensioenfondsen met een gezamenlijk vermogen van 1500 miljard waarvan een beperkt aantal zeer omvangrijke pensioenfondsen een zeer groot gedeelte belegd heeft in het buitenland. De decennialange verlaging in de reëel besteedbare lonen en salarissen heeft via de afdracht van pensioenpremies en de riante beleggingsrendementen tot aanzienlijke accumulatie van vermogens bij deze fondsen geleid. De pensioenfondsen, geleid door managers die zichzelf vorstelijke salarissen en bonussen toebedelen, illustreren hoe het Nederlandse, kleine bufferkapitalisme functioneert.

Bezemer meent dan ook dat het Nederlands financieel kapitalisme kwetsbaar is. De enorme kapitaalexport van de pensioenfondsen waarmee het de internationale vermogensmarkten voedt, maakt het kwetsbaar voor financiële crises in de internationale financiële markten. Zoals de Amerikaanse hypotheekcrisis van 2007 die leidde tot een pensioencrisis (en vermindering van de private bestedingen) en haar nasleep in de stagnatie die van 2009 tot 2012 duurde onder Rutte I en II die hiertoe met zijn bezuinigingsbeleid op de overheidsuitgaven een belangrijke bijdrage leverde. De kwetsbaarheid is tevens gelegen in het omvangrijke vastgoedvermogen, in het bijzonder de huizensector in Nederland die gepaard gaat met een enorme private hypotheekschuld waarvan de kwetsbaarheid in 2008 bleek toen vele huizen ‘onder water’ kwamen te staan. Ook de Nederlandse economie is kwetsbaar voor vastgoedbubbels die uit elkaar spatten.

In hoofdstuk 7 Wordt alles anders? staat de mondiale conjunctuurcyclus van de laatste 10 jaar centraal. Die heeft in verschillende delen van de wereld geleid tot relatief lage economische groei en die door de groeiende spanningen tussen de diverse economische blokken (VS, EU, China) al in 2019, met toenemende inkomensongelijkheid en groeiende schuldenlast in een nieuwe, mondiale depressie via negatieve aanbodschokken (*6) moet eindigen. De schok die dit veroorzaakte was corona die de Nederlandse economie in ernstige mate trof, aldus Bezemer.

Internationaal en nationaal hadden de economen na 2008 het gevoel dat het tijd werd voor een nieuw economisch model. Dat gevoel is in de huidige mondiale crisis weer helemaal terug, er is duidelijk sprake van een kantelpunt, zo Bezemer. De coronacrisis is de schok die diepgaande financiële en industriële structuurveranderingen in de mondiale en Nederlandse economie teweegbrengt en de zwakheden van het economische model van vóór corona, het kleine bufferkapitalisme, blootlegt. Deze crisis vraagt om het formuleren van een progressief crisisbeleid dat hierop antwoorden op geeft en waarbij dit economisch model fundamenteel veranderd wordt.

Noten:

(*1) Het begrip ‘financieel kapitalisme’ werd door Kalma (1998) gehanteerd om zo de mondiale, financiële crisis van 1998 (o.a. Azië, Rusland, Mexico) en haar management te kunnen uitleggen. In de wereldsysteem-theorie (Tromp, 1988, 1997) duidt het ‘financieel kapitalisme’ de periode aan van neergang sedert de jaren 70 tijdens de depressiefase van de 4e Kondratieff golf in de wereldeconomie, waarbij in het centrum (VS) financiële cycli overheersen en er door transnationale ondernemingen, megabanken en beleggingsfondsen kapitaal wordt geëxporteerd naar een nieuwe opkomende hegemoniale mogendheid in de wereldeconomie, Zuidoost Azië c.q. China. Er is sprake van een onderliggende, structurele verschuiving van West naar Oost.Kalma, Paul, 1998, De opmars van het financieel kapitalisme, Socialisme en Democratie, 11, pagina 498 t/m p 503.

(*2) Epstein (2005, p. 3) noemt hierbij nog diverse aspecten van financialisering zoals de toenemende politieke en economische kracht van de renteniersklasse; de explosie van financiële handel met een groot aantal nieuwe financiële instrumenten; een accumulatieregime waarin het maken van winst in toenemende mate plaatsvindt via financiële kanalen in plaats van via handel en de productie van goederen.Epstein, Gerald, 2005, 1. Introduction: Financialization and the World Economy, MassachusettsAmherst (pdf)

Lapavitsas: Lapavitsas, Costas, 2013, The financialization of capitalism: ‘Profiting without producing’, City, 17:6, 792-805

Tromp, Bart, 1988, De theorie van het wereldsysteem: een overzicht, Sociologische Gids, 1988/1 (jg XXXV), pagina 4 t/m pagina 23
Tromp, Bart, 1997, Wereld-systeemtheorie in een tijd van transitie, Een gesprek met Immanuel Wallerstein, pagina 349 t/m p 379, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, jrg. 24, nr. 3/4, december 1997

(*3) Onaran en Stockhammer (2016) tonen aan dat verlagen van het loonaandeel in het Nationaal Inkomen leidt tot deflatie, stagnatie en instabiele economische groeimodellen die afhankelijk zijn van schuldgroei en exportoverschotten. (link, pdf)

(*4) De studie van Oxfam/Novib (2016) in samenwerking met SOMO geeft veel inzicht hoe het Nederlandse belastingparadijs in de praktijk werkt en aan wie dit ten goede komt.

(*5) Alexander Beunder (2013) gaat in zijn artikel aan de hand van de Duitse economen Flassbeck en Spiecker en de Nederlandse econoom Reuten dieper in op de rol die de lonen en loonquote spelen in deze Europese problematiek.

(*6) Roubini noemt in Britse krant The Guardian van 29 april 2020, 10 riskante aanbodschokken (o.a. enorme schuldenlast van huishoudens, ondernemingen en overheden, deflatie door groeiende overcapaciteit en onderconsumptie door massawerkloosheid, prijsverval voor dalende grondstofprijzen leidend tot schulden en faillissementen enz..) die al voor de coronacrisis die mogelijk in nieuwe L-vormige depressie in 2020 kunnen eindigen.