Op 24 april kwam de antroploog Andrej Grubačić (*), die een lange staat van dienst heeft in het onderzoek doen naar anarchistische geschiedenissen in de hele wereld, een avond vertellen en vragen beantwoorden in de Amsterdamse boekhandel Het Fort van Sjakoo. Dat was een leerzaam en vermakelijk evenement. Een snelle samenvatting, die de spreker tekort doet omdat we de meeste details die hij opvoerde hier moeten weglaten.

(Een subjectief verslag door globalinfo.nl, elke donatie keeps de deurwaarder away. Foto cc/wikipedia)

Andrej Grubačić is opgegroeid in Macedonië in voormalig Joegoslavië, waar zijn familieleden volgens eigen zeggen ‘allemaal radicale revolutionairen waren’. Hij is daarom ook opgegroeid met een Marxistische bagage waar hij als anarchist geen hekel aan heeft gekregen, “in tegendeel”. Maar wat er vervolgens in de Reëel Bestaande zin is uitgespookt in naam van die theorie en leer, dat is natuurlijk verschrikkelijk geweest, “they have brutalised Marx” en hebben allerlei dogma’s ingestelde die de ouwe Baas nooit zo gepland zou hebben. Maar we zouden het dus gaan hebben over die andere loot aan de stam, het anarchisme.

Andrej praat in het Engels en waarschuwt in het begin dat het tamelijk informeel zal worden. Hij wil het vooral hebben over de ‘grote dagen’ van het anarchisme en waarom die eigenlijk geheel uit het collectieve geheugen en de linkse geschiedschrijving is verdwenen. We hebben het dan over de periode van ruwweg 1870 tot 1917, of sommigen trekken de periode door tot 1936 en de Spaanse Burgeroorlog. Het was het tijdperk van het ontstaan van de eerste grote revolutionaire arbeidersbewegingen en andere vormen van georganiseerd politiek verzet. Als je goed bekijkt wat er in die tijd gaande was, dan zie je meteen dat de anarchistische ideeën en praktijken toonaangevend waren, en veel groter en populairder dan marxistische of reformistische groepen. Anarchisme sloeg min of meer ‘vanzelf’ aan en niet alleen in het mondiale Westen maar op veel plekken op aarde (Latijns Amerika, China en Japan bijvoorbeeld).

Grubačić probeert in zijn verhaal zowel een verklaring te geven voor de toenmalige populariteit van het anarchisme, als voor het buiten beeld vallen hiervan in de geschiedschrijving.

Dat laatste is redelijk snel te verklaren. De geschiedschrijving volgt grotendeels een vast patroon dat ontwikkelingen vooral registreert aan de hand van belangrijke personen en grote gebeurtenissen. En hoewel die er ook wel waren bij ‘de anarchisten’ is dat nu bij uitstek een beweging geweest zonder guru’s en met veel en brede basis-groepen. Daarnaast ontbrak bij de anarchisten natuurlijk de centrale leer. Die maakt het voor historici en andere (be)schrijvers makkelijk om een ontwikkeling te beschrijven, vooral als je lineair te werk gaat. Traditionele geschiedschrijving is altijd gefocused op de (reacties op) de industriële revolutie. “Dan begint het meestal bij Saint Simon, dan komt Marx en de oprichting van de Internationale Arbeiders Associatie, dan de splitsing Marx/Bakunin, misschien nog de Parijse Commune en dan zitten we al snel bij de 1e Wereldoorlog en de Russische Revolutie. Dan heb je nog Mao en dat was het”. “Maar die enorme brede bewegingen, bewegingen van onderop, en de verspreiding over de hele wereld, die in die periode gebeurde, daar lees je nergens over”. Terwijl ze toch echt dominant waren, met name de anarchosyndicalisten, maar ook andere stromingen waren veel sterker dan de Marxisten.

Dat leek een tijd helemaal uit het geheugen verdwenen. Pas onlangs zijn er weer wat boeken verschenen die een poging doen om dat te beschrijven. Andrej noemt er een paar, met name het boek No Gods No Masters no Peripheries (PM Press 2015). Ook zijn er meer academici geweest de laatste tijd, die zichzelf als anarchisten hebben ‘geout’. James Scott, Benedict Anderson (Under Three Flags) en andere namen die te snel langsvlogen. En historici als Bert Altena hebben baanbrekend werk verricht.

Waarom het anarchisme zo sterk was eind jaren 1800 en begin van de 20e eeuw, is volgens Grubacik ook niet zo moeilijk te verklaren. Het was een beweging zonder centrale ‘leer’. Dat betekende dat het open stond voor allerlei invloeden en makkelijk aansluiting vond bij andere, met name anti-koloniale bewegingen. Dat was bij marxistische groepen heel anders, die vonden dat mensen zich aan de leer moesten aanpassen, en die wezen ook allerlei potentiële bondgenoten de deur omdat hun strijd niet paste in de centrale leer. Een ander aantrekkelijk aspect was die van het rondreizen, van personen maar ook van vertaalde teksten. Grubacik illustreert dat met allerlei voorbeelden zoals de werken van Malatesta die in de meest uiteenlopende vertalingen te vinden waren. Malatesta zelf heeft meegevochten in Bosnië, en samen met Stepniak in Egypte. Elysee Reclus deed mee aan een commune in Colombia. Toen Francisco Ferrer werd vermoord, werd er als herdenking een toneelstuk over zijn leven gespeeld in Beiroet. In India had je anarchistische bewegingen die gevoed werden via de Ghadar Movement en er was een speciale stroming van ‘Benghali Kroptokinism’

Anarchisten bouwden een soort organische ‘networks of trust’ op die gebaseerd waren op loyaliteit en vriendschap, veel minder op ideologie. In zeker zin waren ze zelfs anti-ideologisch, en zeker tegen het opleggen van een ‘vastgelegde leer’. Zo zag je dan ook allerlei banden met strijd in Servië, of Peru, ook omdat er geen of veel minder last was van Eurocentrisme, of van het fixeren van het subject in een patroon van de mannelijke industriële arbeider. Anarchisme was een manier om ‘verschillende werelden te verbinden’. Dat deden ze onder andere door te stimuleren dat er gelezen werd, en dat er dus boeken en tijdschriften verschenen. Zo bijvoorbeeld Francisco Ferrer die een moderne school oprichtte, maar ook de Revista Blanca voor mensen die moeite hadden met lezen. En die voorbeelden gingen vervolgens de wereld rond.

Het was allemaal geen eenrichtingsproces. Dat zie je nu weer bij zoiets als Rojava. iedereen heeft natuurlijk gehoord dat daar het werk van Bookchin een rol speelt, omdat de grote leider dat heeft geïntroduceerd. Maar er is natuurlijk geen denken aan dat zoiets daar als blauwdruk zou worden ingesteld. Het is een dialoog, die net zo goed weer andersom werkt: de ervaringen van Rojava worden teruggebracht om te kijken wat er van Bookchin’s theorieën in de praktijk klopt en wat niet. Zo ging dat vroeger ook en Grubacik noemt dat een soort ‘libertarian cosmopolitanism’ die uitging van steun aan anti-coloniale strijd, maar dan weer zonder hang naar nationalisme. Het concept van ‘people without a state’ begint nu ook weer op te komen.

Hobsbawm (een belangrijk Marxistisch historicus) noemde die anarchistische bewegingen ‘primitive rebels’. Maar als je ze goed bekijkt, zeker met de kennis van nu, is er niets primitiefs aan. Ze waren juist heel modern, ook in de zin dat veel zaken die nu belangrijk gevonden worden daar al te vinden waren (en vaak minder bij andere linkse stromingen).

Grubacik ziet ook overeenkomsten tussen de tijds’analyse’ van inheemse groepen in Bolivia, Aymara, en hoe ze zich plaatsen ten opzichte van toekomst en verleden, en Malatesta’s ‘new future’ die ook een continuïteit met het verleden inhoudt. Het revolutionaire concept van veel anarchisten was veel eerdere een constante ontwikkeling, dan een van breuken (‘ruptures’). We zouden volgens Grubacik veel meer bezig moeten zijn met het ontwikkelen van dergelijke ideeën, en teksten daarover.

We hadden het nog even over hoe er een einde kwam aan de “beautifull century of struggle” , met de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, waar ook veel anarchisten aanvankelijk wel enthousiasme voor op konden brengen. Het was immers voor het eerste dat een hele staat in handen van de revolutionairen was gekomen. Maar we weten hoezeer Marx daar vervolgens “gebrutaliseerd” is en misbruikt is om wat bloederige dogma’s in te stellen

Pas met Mei 68 kwam er weer een breuk, en vielen veel mensen definitief van hun ‘geloof’ en kwam er weer ruimte voor anarchistisch-achtige stromingen. Uit de ‘movement of collective doubt’ ontstond de New Left, dat oa goed beschreven is in Paul Goodman’s Black Flag of Anarchism).

Maar er zijn nu nauwelijks nog anarchistische organisaties of bewegingen van enig belang. We zitten in een situatie van ‘anarchism without anarchists’. Opvallend is volgens Grubacik dat de paar gebieden/bewegingen die wel een deuk in een pak boter slaan, zich tegenwoordig nooit expliciet anarchistisch noemen. Bijvoorbeeld de Zapatistas of Rojava. Een en ander heeft ook te maken met het extreme sektarisme en puritanisme in anarchistische kringen, waardoor er voornamelijk negatief gereageerd wordt op iets als de Zapatistas. Vroeger gebeurde dat ook in anarchistische kringen (sektarisme) maar toen was de beweging groot en divers genoeg om daar mee om te kunnen gaan. Nu is het veel schadelijker omdat je inhakt op het kleine beetje dat er is.

Grubacik noemt een paar voorbeelden van hoe sectarisch gestook de anarchistische boekenmarkten in de VS hebben afgebroken. Ze bestaan bijna niet meer. De enige boekenmarkt op het continent die van betekenis is, is die van Montreal in Quebec. En dan heb je nog het probleem van de ‘interne bureaucraten’ die bij elk glimpje hoop altijd het licht uit komen draaien.

Samen met het - niet al te veeltallige - publiek van de avond hebben we nog wat gedachtes uitgewisseld over mogelijke oplossingen. Andrej Grubacik roept om te investeren in opbouwen van anarchistische organisaties. En (mede op aanvulling van anderen) ook in theorie en boeken en zo: niet teveel focus op vorm, doe eens wat meer inhoud. We moeten ook weer duidelijk plannen maken voor alternatieve maatschappijvormen, zoals de oude anarchistische beweging sterk deed. En het is tijd voor ‘anarchist presence’. In deze tijd waarin veel mensen vraagtekens zetten bij de natiestaat en de kapitalistische economie is er in principe veel ruimte voor anarchistische verhalen, maar dan moet je die wel ontwikkelen en verspreiden.

Er werd nog veel meer interessante zaken afgekaart die avond, maar dan had je er maar bij moeten zijn.

------------------

*) Andrej Grubačić ging na de val van de muur en de instorting van Joegoslavië in De VS sociologie studeren en werd daar professor aan de University of San Francisco. Hij schreef onder meer het boek Wobblies and Zapatistas (PM Press) samen met Staughton Lynd en recenter Living at the Edges of Capitalism (UCPress)