Het boek Opstand van het dagelijkese leven van de Belgische maatschappijcriticus Raoul Vaneigem is onlangs uitgekomen. Het is een bundel met teksten en vraaggesprekken. Zo is daarin opgenomen het interview met hem door Mariel Primois Bizot in We Demain nr 26, juni 2019, getiteld ‘De strijd van het hart tegen de geest van de geldla’. De bedoelde bundel kwam uit bij Éditions Grevis en heeft als titel L’insurrection de la vie quotidienne. Vaneigem trekt daarin van leer tegen de roofzuchtigen. Geert Carpels vertaalde het vraaggesprek. [ThH]

(Vertaling Geert Carpels, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

Het vraaggesprek met Raoul Vaneigem

Vraag: Een halve eeuw na mei 68 reikt geen enkele protestleus nog aan de enkels van wat jullie toen aan inspiratie boden. Kijken de poëten elders?

 Raoul Vaneigem: De geschreven poëzie is niet meer dan het schuim van de geleefde poëzie. De poëtische daad bij uitstek is vandaag het ontwaken van het menselijke bewustzijn, na vijftig jaar sluimeren, uit de afstomping van de media en de consumptie. De woorden “het ontwaken van de glimwormen” op het gele hesje van een betogende vrouw lijkt me even veelbelovend als het deuntje uit 1968 “we willen leven en niet overleven”. Is het mogelijk om beter uiting te geven aan een terugkeer naar het leven en aan de weigering van de vernietiging van de aarde door de grote hakselaar van het profijt?

Zie je de ZAD (Zones à défendre – Te verdedigen gebieden) als autonome gebieden die hun ontstaan vinden in het situationistische gedachtegoed en de zadisten als neo-situationisten? Zo ja, hoe beschrijf je het situationisme van de 21ste eeuw?

Er zijn geen neo-situationisten. Het situationisme is een alledaagse ideologie, net goed genoeg voor de universitaire sufferds die zich belachelijk maken door een mentale nulliteit waaraan het mondaine Parijs zich tegoed doet, een filosofie te noemen. Het gedachtegoed daarentegen, dat de radicaliteit van mei 1968 aanzwengelde, is nog steeds langzaam zijn weg aan het zoeken. Ter herinnering, het ging over niets meer of niets minder dan het stichten van een zelfbeheerde maatschappij waar de vergaderingen van directe democratie het einde zouden inluiden van de Staat, van het “koude monster”, verdediger van de uitbuiters en onderdrukker van de uitgebuiten. De alliantie van de communistische partij met de Franse regering heeft toen het revolutionaire elan gebroken, elan dat weliswaar reeds van binnenuit was besmet met het gangreen van het arrivisme van de kleine linkse korporaals. Dat de gele hesjes geen bazen hebben en dat alleen de goedkeuring van de vergaderingen een woordvoerder aanduidt, is een duidelijke vooruitgang tegenover de beweging van de bezettingen van 1968.

Je zegt dat “de geschiedenis geen tekort vertoont van momenten waarin de poëzie het haalt op de barbarij”. Die triomf was soms het werk van een redder in nood, een held, zoals Gandhi of Mandela. Is de voogdij van een dergelijk personage geen hinderpaal voor de evolutie naar een zelfbeheerde maatschappij?

De redder in nood is het product van een aardschok tussen het economische systeem op zoek naar een nieuwe vorm en het existentiële ongenoegen van een bevolking in haar wanhoop om een beter lot. Zelfs als Gandhi en Mandela de hoop op een sociale verbetering belichaamden, hadden ze geen enkele mogelijkheid de armoede van hun land uit te roeien, omdat ze de Staat waren, de Leviathan van de privé belangen, de macht die beschermt door te onderdrukken. Ze zijn niets anders geweest dan de herders van een barbarij op trektocht. Maar ze behielden ten minste een menselijk bewustzijn en gaven blijk van een hervormende vrijgevigheid, zonder de limieten ervan te miskennen.

We weten dat, van Bonaparte tot Pol Pot, de brutaliteit en de zwakte altijd de bevordering van een opperste gids aan het hoofd van een land hebben vergemakkelijkt. Maar welke voorzienigheid zal vandaag genoegen nemen met een rudimentair radertje dat als enige functie heeft te tikken tegen het ritme van een absurde machine, ontdaan van menselijkheid?

Je zegt van de poëzie dat ze “het antidotum is van het intellectualisme”, en ook dat ze “de hinder van het parasitaire kapitalisme kan uitroeien”. Kan dit aan kinderen worden aangeleerd? Door ze van school te halen? Wat moet er dan veranderen in het onderwijs?

Het zou het kind toebehoren ons de kunst van het menselijk zijn aan te leren als het onderwijs dat we opdringen het niet zou afleren te leven. Het kind toelaten de ervaring van het leven in gemeenschap, de conflicten die het oproept en hun mogelijke oplossing te ontdekken, dat is het project dat vandaag wordt verspreid door de wil om het concentratie onderwijs af te schaffen, de indoctrinatie van de civiele onderdanigheid, de initiatie in de praktijken van de roofzucht, van de concurrentie, van de competitie, de productie van die marktslaven waarvan de technocraten die beweren ons te regeren het meelijwekkend belachelijke illustreren.

De kracht van de subversieve beweging, waarvan de gele hesjes slechts een nevenverschijnsel zijn, ligt voornamelijk in de wil van een terugkeer naar de basis. Het ligt ook in de bezorgdheid om de problemen, die de Staat niet kan of niet wil beheren behalve dan ten voordele van de financiële machten, aan te pakken in het licht van de lokale – dorp, wijk, regio –  bezorgdheden. De tijd is aangebroken om van de school een zaak te maken die iedereen aanbelangt, ze aan te Staat en aan haar wetenschap zonder bewustzijn, te ontrukken.

Ken je gebieden in de wereld waar de poëzie, de creativiteit, de kunsten, meer kans hebben op bloeien dan elders?

Overal waar de vrouwen in de voorhoede van de strijd voor het soevereine leven staan, overal waar hun vastberadenheid de patriarchale macht doorbreekt en de tegenstelling overstijgt tussen feminisme en virilisme die te dikwijls de gemeenschappelijke verzuchting naar het simpelweg mens zijn belemmert en verdoezelt. Overal waar de solidariteit zonder grenzen het racisme afschaft, het antisemitisme (dat “socialisme van de idioten”), de xenofobie, het seksisme, de homofobie. Overal waar de hiërarchische structuur en de techniek van het “zwarte schaap” worden neergehaald, onontbeerlijk bij de kunst om zijn gelijken te onderwerpen.

Je zegt dat “er geen hart is dat niet die levenskracht herbergt die smacht om zich te versterken door zich te louteren in het licht van haar gevoelige intelligentie”. Is die “gevoelige intelligentie”, die al je geschriften doorkruist, niet de levende bron van je filosofie?

Ze is vooral de bron van het leven. Elke dag het bewustzijn van mijn wil tot leven aanscherpen, ontslaat me van het spelen van een rol. Ik ben noch filosoof, noch schrijver, noch agitator, noch leermeester. De oude wereld bestrijden helpt me om “in de winter voort te schrijden met de hulp van de lente”, zoals Charles de Ligne zegt. Dat we in een kritische periode komen, waar het minste bijzondere protest een aanleiding biedt aan een geheel van globale eisen, verheugt me, net zoals de strijd van het hart tegen de geest van de geldla me verheugt in deze beweging van opstanden op zoek naar een revolutie.

Je zegt dat “zelfs de opstandigheid gelaten is”. Denk je dat van de gele hesjes?

Teveel opstanden voor emancipatie waren in het begin aangevreten door de gedachte aan een onafwendbare nederlaag. Het “no pasaran” en andere opschepperijen van het triomfalisme waren niets meer dan een exorcisme van de panische angst inherent aan een militaire actie. De vrijwillige onderdanigheid trekt rondom ons klaagmuren op die onze berusting rechtvaardigen en onderhouden.

In tegenstelling tot de protestbewegingen uit het verleden, bekommert de grote golf van opstanden die Frankrijk door elkaar schudden, zich noch om de overwinning noch om de nederlaag, ze beperkt zich koppig tot het demonstreren van haar onwrikbare voornemen, haar wil om onophoudelijk te herbeginnen; zoals ook voortdurend de passie voor het leven opnieuw wordt geboren.

Zijn de gele hesjes voor jou slechts een Jacquerie (boerenopstand Noord Frankrijk 1358) die het systeem in stand houdt of gaat het om de opkomst van een radicaal protest?

De macht van de staat en de handel verkiest ongetwijfeld er slechts een afgesabbelde Jacquerie in te zien, een van die traditioneel in bloed gesmoorde volksopstanden. Spijtig voor hem, maar deze volksopstand doet eerder denken aan die van 14 juli 1789, toen een handvol vreemde snuiters, die noch Diderot, noch d’Holbach, noch Rousseau, noch Meslier hadden gelezen, aan het gedachtegoed van de Verlichting de vlam van een vrijheid schonken die de wereld blijft bijlichten, terwijl het woord zelf is weggerot. Men kan met recht spreken van een poëzie gemaakt door allen als het menselijke bewustzijn zich ontdoet van de leugen die de vrijheid gelijkstelt met de vrijheid van handel, met de vrijheid tot uitbuiting, tot doden, tot vergiftigen. Hoe zou de regering zich niet veroordeeld voelen tot een groeiende verbijstering? Hoe kan ze begrijpen dat de inzet niet een gevecht tegen de Staat is, maar een strijd voor het leven?

Je zegt dat “het oude potentieel van lichtgelovigheid geen enkele moeite heeft munt te slaan uit de wetenschappelijke voorspellingen die, van de nucleaire ramp tot de ecologische ramp over de gruwelijke wals van de pandemieën, een enorm succes kennen”. Schaar je de collapsologen bij die muntslagers?

Ik groet de klokkenluiders. Laat de alarmbellen overal rinkelen om te waarschuwen tegen de klimaatverloedering, de vergiftiging van de landbouw en voeding, de industriële verontreiniging en het cynisme van een regering die Total beschermt maar een belasting heft op de brandstof, het maakt deel uit van het ontwaken van het bewustzijn. Maar die demonstraties zullen met geen jota de politiek van de Staten veranderen, onverbeterlijk de laarzen likkend van de multinationals die van de planeet een woestijn maken.

In het spoor van de teleurstelling van de activisten ontwikkelt zich dan een ideologie van de onafwendbare catastrofe, een gevoel van fataliteit. De markt van de angst neemt de wanhoop op zich van diegenen die de indruk hebben te strijden voor niets. Een aanzienlijke hoeveelheid energie gaat verloren in de engelachtigheid van de goede bedoelingen, in de machteloze verontwaardiging van de straatprotesten. Zou die energie niet nuttiger kunnen worden besteed in de strijd die de ZAD leveren in hun gebieden tegen de hinder, de verontreinigende bedrijven, de vergiftiging van de gronden, van het water, van de voeding? Daar is het, op het lokale niveau, dat de ware eisen ten gunste van het klimaat en het milieu hun betekenis en hun doeltreffendheid krijgen.

Je herinnert ons eraan dat elke subversieve gedachte drager is van een nieuwe tirannie. Als we erin slagen zowel het planetaire kapitalisme, als de consumptiemaatschappij en die van het spektakel te ondermijnen, en zelfs het gebruik van geld, voor welke tirannie hebben we dan alle belang ons te hoeden?

Ongetwijfeld voor de reflex van de roofzucht, dat residu van de niet overstegen dierlijkheid, voor de ziekelijke fascinatie die de macht uitoefent. De oorlogen, het oplossen van conflicten door geweldpleging, het patriarchaat, de hiërarchie die de maatschappij verdeelt in meesters en slaven vinden allemaal hun oorsprong in het ontstaan van de Stadstaten. Hetgeen door een eeuwenoude leugen wordt toegeschreven aan de natuur van de Mens, is in werkelijkheid het gevolg van een ontaarding die de man en de vrouw treft, hen ontmenselijkt door een systeem van uitbuiting, hen een kunstmatige scheiding oplegt tussen een hoofd dat leiding geeft en voortkomt uit de intellectuele arbeid, en een lichaam dat wordt gedwongen tot manuele arbeid. Meer nog dan door morele vermaningen zal de invoering van een levensstijl een einde maken aan deze afwijking die sinds millennia in ons werd verankerd.

Je stelt voor om “verder te gaan naar een metamorfose zodat de mens een totale artiest van zijn eigen bestaan wordt, een menselijk wezen in een experimenteel proces dat het veld van alle mogelijkheden opent”. Is het niet net dat veld van alle mogelijkheden, die vrijheid die verkrampt? Is de angst niet het grootste obstakel voor de komst van de Homo ecologicus?

De opmerking van Scutenaire “arme vogeltjes die slechts eten met grote angst” is van toepassing op het dagelijkse bestaan van miljoenen mannen en vrouwen die door het systeem van economische en sociale uitbuiting worden behandeld als een vermenging van lastdier en roofdier. Zolang de wil tot leven de strijd voor het bestaan (struggle for survival) niet heeft afgeschaft en de arena’s van de concurrentiële armoede niet met de grond gelijk heeft gemaakt, zal de angst alomtegenwoordig blijven. Het enige dat er een eind aan kan maken (en aan haar tweelingzus, de schuld) is een levensvreugde die slechts behoefte heeft aan lef, en nog eens lef om haar absolute soevereiniteit op te eisen.

Welke lectuur zou je de toekomstige generaties aanraden?

Eerst het eigen bestaan leren ontcijferen, het bestaan dat hen wordt opgedrongen door een maatschappij van roofzuchtigen en het bestaan dat ze, diep in hun hart, hartstochtelijk begeren. En terloops, ter herinnering het boek doorbladeren dat het langst in de geschiedenis werd verboden en verhuld, het Vertoog over de vrijwillige onderdanigheid, geschreven door een jongeling van 17 jaar, Etienne de la Boétie.

Vraaggesprek Raoul Vaneigem met Mariel Primois Bizot   (in: Raoul Vaneigem, L’insurrection de la vie quotidienne, Éditions Grevis; vertaling door Geert Carpels; redactie en opmaak thh.).

[Beeldmateriaal met dank overgenomen van Brumlord.]