Voor van de aanvaarding van de staat zijn er in de loop van vele eeuwen allerlei legitimerende verhalen ontwikkeld en opgediend. Ooit zouden ‘we’ (ja, wie?) bijvoorbeeld hebben afgesproken dat we ‘ons’ zouden onderwerpen aan de wil van een soeverein (sociale contractstheorie, Hobbes). Wel, van dat verhaal blijft geen spaan heel. Dat werd honderd jaar geleden al duidelijk gemaakt door een Duitse geleerde, Franz Oppenheimer (1864-1943) in zijn boek Der Staat (1907).

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

De staat is ontstaan als roofstaat en heeft zich via zijn dwangapparaat weten te handhaven. Zo’n honderd jaar later heeft de Amerikaanse antropoloog James C. Scott opnieuw studie verricht naar het ontstaan van de staat. Op grond van recent (afgelopen decennia) archeologisch, demografisch en prehistorisch onderzoek is het betoog van Oppenheimer steviger komen te staan. Scott publiceerde namelijk zijn bevindingen waaruit blijkt dat het ontstaan van de staat samenhangt met roofzucht. Dat speelde een primaire rol waarbij voor het vervolg, te weten het overleven van de staat, onderdrukking, oorlogvoering en diefstal op het programma stond. Het wordt door James Scott uit de doeken gedaan in zijn Against the Grain. A Deep History of the Earliest States (Yale University Press, 2017). Ik maak gebruik van de twee jaar later verschenen Franse vertaling getiteld Homo Domesticus. Une Histoire profonde des premiers États, ingeleid door de Franse prehistoricus Jean-Paul Demoule. Hieronder ga ik in op het boek.

Opzet van het boek

De antropoloog James C. Scott, docent aan de Yale University en al jaren (amateur) schapenhouder, houdt zich al decennia bezig met wat hij noemt de logica van de macht van de moderne staat. Dit zette hem aan een boek te schrijven onder de titel Seeing Like a State (1998) waarna tien jaar later een boek volgde over de praktijken van volken zonder staat in Zuidoost Azië, getiteld The Art of not being governed (2009). Weer tien jaar later valt met Against the Grain (2017) alles op zijn plaats. Zo blijkt van allerlei verhalen over de ontwikkeling van de mens en zijn ‘natuurlijke’ staat in relatie tot de oorsprong van politieke instituties niets te kloppen. Toch laat men tot op heden geloven dat er een evolutionistisch schema heeft gewerkt van jagers-verzamelaars, nomadenvolken en dan landbouwers. Ook de serie: primitieve hordes, dorpen en dan steden wordt als evolutionistisch gedacht. Dat schema was, blijkens Scott, Julius Cesar al dierbaar: eerst het gezin, dan de grote familie, vervolgens de stam, de volken en uiteindelijk de staat. Zo’n verhaal doet het als je de staat als het hoogste goed aan wil prijzen, dus hebben dit soort verhalen een (politiek-ideologische) legitimatiefunctie. Hoe heeft James Scott zijn betoog over de samenhang tussen dit soort verschijnselen en visies erop in elkaar gestoken?

Zijn boek bestaat uit zeven hoofdstuk, waaraan het instructieve voorwoord van de prehistoricus Jean-Paul Demoule en de uitgebreide inleiding van Scott zelf voorafgaan. Het eerste hoofdstuk heeft als titel ‘Het domesticeren van het vuur, de planten, de dieren en…van onszelf’. Domesticeren verwijst naar verschillende activiteiten zoals onderwerpen, benutten, dienstbaar maken. Het zijn activiteiten die in de verre oudheid worden ondernomen en (ook) leiden tot het verblijven op een en dezelfde plek, het zich (semi-)permanent vestigen door mensen (sedentair leven). Dit wordt uitgewerkt in het tweede hoofdstuk ‘Het complex van de domus en het herinrichten van de natuurlijke wereld’. We zitten dan in het stenentijdperk (neolithicum; prehistorisch tijd ongeveer 11 000 jaar voor onze jaartelling). De term domus verwijst naar de omgeving en de bewoning van de landbouwer. Het domesticeren richt zich steeds op een toegevoegd object (planten, dieren). Deze zienswijze verduistert volgens Scott de actieve rol van de doelen van het domesticeren. Zijn wij het die de hond hebben gedomesticeerd of heeft de hond ons gedomesticeerd, stelt hij retorisch. In het derde hoofdstuk worden de zoönoses (overdraagbare ziektes en infecties van gewervelde dieren op mensen) behandeld die als perfecte epidemiologische storm optreden. Wat blijkt namelijk?

De ontwikkeling van de ruimte van de domus vormt een demografische druk: voor het agrarische werk zijn relatief veel mensen nodig. Dat levert een direct epidemiologische effect op door concentratie, niet alleen van personen, maar ook van vee, van gewassen en de omvangrijke hoeveelheid parasieten die de omgeving van de domus aantrekt en zich ontwikkelt. Ziektes waarmee wij vertrouwd zijn (roodvonk, difterie en andere infecties) – zijn voor het eerst verschenen in de archaïsche staten. Overigens is er nog een plaag van een ander type: de belastingen in nature door de staat opgeëist in de vorm van graan, van handarbeid, van militaire dienstplicht. Dit leidt bij Scott tot de vraag hoe het de antieke staat gelukt is zich te vormen, in stand te houden en zijn bevolking te laten groeien? De beantwoording van die vragen komen in hoofdstuk vier aan de orde. Daarvoor gaat hij zijn graan-hypothese behandelen.

De titel van het vierde hoofdstuk loopt daarop al vooruit ‘De agro-ecologie van de archaïsche staat’. De graan-hypothese leert dat alleen het voortbrengen van granen zich echt leent tot (a) concentratie van de productie, (b) vaststellen en opleggen van fiscale verplichtingen, (c) in beslagname (toe-eigening), (d) kadastrale registratie, (e) opslag en (f) verdeling. Deze kernelementen corresponderen met het feit dat alle ‘agrarische’ staten belang hadden bij de productie van graanoverschot voor het voeden van het niet-productieve deel van de bevolking zoals daar zijn: ambtenaren, soldaten, priesters, aristocraten. Het is daar waar de staat zich kan ontwikkelen en zich meester kan maken van het geproduceerde overschot. Dit vond plaats in de laatste eeuwen van het vierde millennium voor onze jaartelling in Mesopotamië, het tijdperk en gebied waarop Scott zich voornamelijk richt.

Hij spreekt van ‘staat’ in de situatie als er sprake is van een soeverein, van een actief, gespecialiseerd ambtenarencorps, alsmede van een sociale hiërarchie en er een monumentaal centrum bestaat, als er muren zijn die een stad omsluiten en een schema van heffingen en inhoudingen (fiscaliteit) wordt gehanteerd. De staten ontwikkelden zich dan wel in ecologisch rijke gebieden, maar er moest aan nog een voorwaarde voldaan zijn. Er moet daar overwegend graan verbouwd worden, dat wil zeggen een product dat meetbaar is en in beslag is te nemen. Daar hangt onmiddellijk mee samen dat het om een overwegend sedentaire bevolking van landbouwers gaat, mensen dus die een permanente vestiging kennen. Zo zijn er zeker ook andere rijke ecologische gebieden te vinden, maar met een mobiele bevolking – wat weinig geschikt is voor de ontwikkeling van de staat vanwege hun ongrijpbaarheid en verspreiding van activiteiten.

Het is in de rijke gebieden met een honkvaste bevolking waar een serie kleine groepen priesters, militaire en lokale leiders zich aandienden om machtsstructuren uit te rollen en af te dwingen. Wat zij voor het eerst instelden, aldus Scott, lijkt sprekend op wat wij een staat zouden noemen, hoewel zij dat zonder twijfel niet in die termen zouden hebben gevat. Fundamenteel voor die staatsvorming is de link tussen staatsadministratie en  het bestaan van schrift. Dat was zich in die periode op die plek (Mesopotamië) met het spijkerschrift aan het ontwikkelen, zo leren archeologisch onderzoek en de gevonden ‘kleitafels’.

Een aantal elementen die aan de orde geweest zijn, gebruikt Scott in het vijfde hoofdstuk om de rol van de dwang bij het ontstaan van de staat nader uit te werken. De titel ervan luidt ‘Controle over bevolkingen, dienstverlening en oorlog’. De rol van dwang is aanzienlijk geweest, in de eerste plaats bij het afdwingen van de machtsstructuur en vervolgens bij het halen van het kerndoel van de staat: het toe-eigenen van het afgeperste geproduceerde graanoverschot en dit ter beschikking stellen aan niet-producerende elites (‘surplus-accumulatie’). Het is belangrijk dit laatste te onderkennen omdat de plaatselijk aanwezige agrarische bevolking slechts bezig was met het bevredigen van zijn fundamentele behoeftes. Meer doen dan dat vond ze gewoon niet nodig. Uit zichzelf was zij dus niet bezig met overschotproductie. Dat moest die bevolkingen worden afgedwongen (voor toe-eigening door elites). Dat afdwingen ging niet slechts via de omweg van de een of andere vorm van gedwongen arbeid (corvee, dienstverlening ter leniging van schulden, slavernij, in beslagname van graan of andere producten, etc.). Bovenop deze dwanguitoefening stapelde zich nog het volgende.

De eerste staten konden moeilijk aan voldoende bevolkingsleden komen vanwege onder meer de kwetsbaarheid op het vlak van de epidemiologie (besmettelijke ziekten waaraan veel mensen overleden). Het ontbrak dan ook vaak aan voldoende mensen ten behoeve van het verrichten van handarbeid (zoals voor constructie van muren en wegen, graven van kanalen). Om mensen te werven werden oorlogen door die staten niet zo zeer gevoerd ten behoeve van gebiedsuitbreiding, maar vooral voor het binnen halen van buit, zoals in de vorm van het maken van krijgsgevangenen. Die konden worden ingezet voor handarbeid (slavenwerk) dan wel worden verhandeld als slaven. De eerste staten hebben niet zo zeer de slavernij uitgevonden, maar deze wel wettelijk geregeld en georganiseerd als statelijke activiteit, geeft Scott aan.

Hier gaat dus het concept van de staat onderuit als gebaseerd op een ‘sociale contract’, zoals als bijvoorbeeld door Hobbes en Locke verkondigd  en met graagte tot in het heden doorgeven op scholen en universiteiten. Het zal, gelet op wat Scott ons voorhoudt, heronderzocht moeten worden. Het zal niet eenvoudig zijn want het raakt precies de kern van de onweerstaanbare aantrekkingskracht van die theorie, omdat die berust op de burgerlijke vrede, de (bestaande) sociale orde en de persoonlijke veiligheid. En daar schort het heden nogal aan. Kortom, het legitimatieverhaal van het sociale contract gaat geheel onderuit.

Het zesde hoofdstuk besteedt aandacht aan de breekbaarheid van de antieke staat en het in elkaar storten van het ‘systeem’. Het liep er veelal op uit, dat confederale gemeenschappen uit elkaar vielen vanwege uiteenlopende oorzaken. Het zevende en tevens laatste hoofdstuk, getiteld ‘De gouden eeuw van de barbaren’, gaat in op het bestaan van het zogeheten barbarendom. Scott gebruikt de term ‘barbaren’ om aan te geven dat er in de tijd die zijn studie bestrijkt (de periode van de eerste staten, zo’n 4000 jaren voor onze jaartelling) grote bevolkingsgroepen waren die niet onderworpen waren aan de controle van de staat. Scott blijft de term ‘barbaar’ gebruiken met een vleugje ironie: het was goed om in die tijd barbaar te zijn – reden waarom hij ook spreekt over de ‘gouden eeuw’ van de barbaren. Want ondanks militaire overmacht van de staten, wisten zij zich vrij te houden van hun overheersing. Het gebied van de barbaren weerspiegelde op een bepaalde manier het tegenbeeld van het agro-ecologische regime van de archaïsche staat.

Het was een gebied voor de jacht, voor de teelt van allerlei groenten en fruit over een groot gebied verspreid en te oogsten gedurende een groot deel van het jaar, voor het binnenhalen van schaal- en schelpdieren. Het was een gebied van fysieke mobiliteit met een ‘onleesbare’ manier van produceren. Als het domein van de barbaren wordt gekarakteriseerd naar zijn diversiteit en complexiteit, dan is het domein van de staat, agro-economisch bekeken, simpel te noemen. De notie ‘barbaar’ is hier dus geen culturele categorie, zegt Scott, maar een politieke categorie. Ze markeerde de bevolkingen die (nog?) niet bestuurd werden door de staat. Hier is te spreken van ‘volken zonder staat’ *, waar wordt geleefd in wat Scott noemt ‘zones mosaïques’ (shatter zones) of ‘zones sans souveraineté’ – maar wel geordend in afwezigheid van de staat.

Veroveringsstaat

Het is ruim honderd jaar geleden dat de Duitse geleerde Franz Oppenheimer zijn boek getiteld Der Staat (1907) schreef. Oppenheimer werkte na zijn medische studie een aantal jaren als huisarts in de armste wijken van Berlijn. Wat hij daar aan medische ellende aantrof, zo overwoog hij, ging verder dan alleen maar tegenkomen van zieke individuen. Het bestaan van ziektes was meer het effect van het sociaaleconomische systeem dat in de maatschappij heerste. Om dat te doorgronden ging hij zich op de studie economie toeleggen (waarin hij promoveerde). Ook dat vond hij uiteindelijk niet voldoende antwoorden geven, waarop hij filosofie ging studeren; tegelijk ging hij zich met sociologie bezighouden (dat eigenlijk nog niet bestond). Zijn boek over de staat is dan ook niet een juridische maar een sociologisch-historische studie. Ik zal hier enkele van zijn bevindingen samenvatten. Het zijn bevindingen die nu door de onderzoeksresultaten van Scott ondersteund en bevestigd worden.

De staat is volgens Oppenheimer, gelet op zijn ontstaan, een maatschappelijke instelling die door een overwinnende mensengroep aan een overwonnen mensengroep is opgelegd en afgedwongen. Het doel van de staat is de heerschappij regelen van de eerste groep over de tweede en daarbij zeker te stellen dat er tegen binnenlandse opstanden en van buitenaf komende invallen kan worden opgetreden (beveiligingsmaatregelen). De heerschappij had geen ander doel dan de economische uitbuiting door de overwinnaars.

Oppenheimer weet ook wel dat staatsfilosofen veelal uit gaan van de gedachte, dat de kern van de staat wordt uitgemaakt door het zijn van beschermingsinstituut. Daarvoor wordt dan opgegeven, dat het gaat om bewaken van de grens naar buiten en rechtsbescherming bieden naar binnen. Dit lijkt juist maar is onvolledig. Een belangrijke algemene karaktertrek wordt volgens Oppenheimer over het hoofd gezien: iedere staat is vooral (..) klassenstaat, dat wil zeggen een hiërarchie van boven- en ondergeschikte lagen of klassen met verschillende rechten beschikkend over verschillende inkomstenbronnen. Dit is bij Oppenheimer ‘de primaire karaktertrek van de staat, waaruit alleen zijn ontstaan en zijn kern gekend kan worden’.

Dit betekent ook dat de beschermingsfunctie van de staat naar binnen en naar buiten, begrepen moet worden als secundair, als bijkomstig. Het betreft namelijk de door de bovenklasse op zich genomen plicht in het belang van de bescherming van hun heerschappij- en inkomstenrechten. Het effect zien wij in onze tijd terug: alles en iedereen die onder de bovenklasse zit kan verrekken (verdoemd tot precariaat) en het is precies het springende punt voor de opkomst van de beweging van Franse gele hesjes. Anno 2019 zijn we nog geen stap verder dan toen de eerste staten van zich lieten spreken. Kort door de bocht? Zie evenwel wat Siné Mensuel (nr. 86, mei 2019) in beeld brengt: “Macron vindt een nieuwe vorm van democratie uit”. Met dank van de Gele Hesjes: “Merci”.

De staat ontstaat dus niet in het belang van de beschermingsfunctie, maar hij ontstaat omgekeerd: de beschermingsfunctie is in het belang van de reeds ingestelde staat. Ook hier gaat de theorie van sociale contractsdenkers onderuit en rest alleen een legitimatietheorie van onderdrukking en uitbuiting. Oppenheimer formuleert dat zo: ‘De staat heeft de vorm van heerschappij en de inhoud van economische uitbuiting van menselijke arbeidskracht’. Het is niet vreemd om bij hem dezelfde elementen van ‘oorlogszuchtige roof’ van de vroege staten aan te treffen als die Scott beschreef. Zelfs het belang van het graan verschijnt. Hij merkt daarbij nog op dat wat de agrarische bevolking niet nuttigde, in bier werd omgezet om niet alles te verliezen (bier als bewaarvorm van graan; hij heeft het dan over de Centraal-Afrikaanse boer). Ook de sedentaire boer komen we (natuurlijk) bij hem tegen over wie hij schrijft, dat deze ‘bodembestendig’ is en gewend is aan regelmatig werken. ‘Hij blijft’, schrijft Oppenheimer, ‘en hij laat zich onderwerpen en betaalt belasting aan zijn overwinnaar: dat is het ontstaan van de landstaat in de Oude wereld’. Ook de jagers-verzamelaars verschijnen bij hem die staatloos leven, gemeenlijk in ‘praktische anarchie’, zoals hij opmerkt. Scott heeft dit alles onderbouwd met de kennis die nu uit archeologisch en demografisch onderzoek tot ons is gekomen.

Ongelijkheid

Deze kennisverwerving zegt veel over het ontstaan van de staat. Het zal de Nederlandse juridische faculteiten, in het bijzonder de kennisgroep ‘Staatsrecht’, niet bereiken. Staatsrecht was al in stilstaand water veranderd toen ik rond 2000 als docent het juridisch onderwijs verliet. Van het vak staatsrecht was toen overgebleven wat nodig was om door te geven over hoe zo pijnloos mogelijk te overheersen en hoe zo bekwaam mogelijk uit te buiten. Dat er ongelijkheid bestond wisten we, maar hoe legitimeer je dat? Daarover is voldoende te vinden bij de ‘klassieken’. Ik verwees al naar enkele van hen door Scott genoemd (Hobbes en Locke). Voor het tegenbeeld moest je het dus niet hebben van juristen. Voor het merendeel zijn die gevormd om te kunnen verschijnen als de bovenlaag van de onderwereld. Het tegenbeeld vind je vooral bij antropologen en prehistorici.

Naar aanleiding van het verschijnen van het boek van James Scott hield het Franse weekblad Marianne van 8-14 maart 2019 een vraaggesprek met de Amerikaanse antropoloog David Graeber en zijn collega de Engelse antropoloog David Wengrow. Samen publiceerden zij een Engelstalig artikel onder de titel ‘Hoe de loop van de menselijke geschiedenis veranderen’ (gepubliceerd op de site Eurozine). Waar komt toch die passie vandaan te zoeken naar de bron van beschaving, vroeg Marianne zich af? Het antwoord van de beide David’s luidt: ‘Graven naar de bronnen kan leiden tot het ontdekken van vergeten alternatieven. Zo is ongelijkheid géén ontoegankelijke fataliteit verbonden met ontwikkeling’. Een dergelijk reactie vonden we al bij Scott, die liet zien dat de ontwikkeling anders loopt dan altijd maar wordt verteld.

De ontwikkeling wordt ter legitimatie ‘verkocht’ als lineair, terwijl veel zaken betreffende de ontwikkeling door elkaar lopen. Zo hield men zich al vele eeuwen met landbouw bezig, toen de eerste staten agrarische bevolkingsgroepen aan zich onderwierpen. Ook is bekend dat de jagers-verzamelaars gereedschappen hadden ontwikkeld om land te bewerken, lang voordat staten hun machtsstructuur uitrolden. Het zijn zaken die in detail bij Scott aan de orde komen. Maar neoliberale meelopers, waarvan de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama een bekende vertegenwoordiger is, blijven vasthouden aan de bekende legitimatieverhalen, die fout blijken te zijn. Graeber legt in Marianne uit hoe een en ander in elkaar steekt. Het foute verhaal is: (a) mensen zouden eerst in kleine egalitaire groepen geleefd hebben, (b) de uitvinding van de landbouw zou de eigendomskwestie hebben meegebracht en (c) daarmee onverbiddelijk ongelijkheid hebben geïntroduceerd.

Deze drie stellingen hebben ingrijpende politieke consequenties. Ze leiden tot de conclusie dat beschaving tegelijk ongelijkheid voort zal brengen en dat elke maatschappij bestaande uit grote groepen mensen behoefte zal hebben aan een aristocratie, een leider. De conclusie is: we zullen moeten berusten in ongelijkheid. Kortom, de drie stellingen leveren ingrediënten voor het legitimatieverhaal van de Fukuyama’s. Echter geen van de drie stellingen correspondeert met de archeologische ontdekkingen. In de eerste plaats hebben mensen van toen naar organisatievormen geleefd die wisselden met de seizoenen (zomer/winter). Ten tweede, zoals nadrukkelijk door Scott behandeld, heeft de landbouw geen fundamentele politieke breuk gevormd. En in de derde plaats waren de eerste steden zeer egalitair ingericht.

Aan het eind van hun hierboven genoemde artikel ‘Hoe de loop van de menselijke geschiedenis veranderen’ schrijven Graeber en Wengrow: ‘De puzzelstukjes zijn er allemaal om een heel andere wereldgeschiedenis te creëren. Voor het grootste deel zijn we gewoon te verblind door onze vooroordelen om de implicaties ervan te zien. Zo beweert bijna iedereen tegenwoordig dat participatieve democratie, of sociale gelijkheid, kan werken in een kleine gemeenschap of activistische groep. Het zou echter onmogelijk ‘op te schalen’ zijn naar een stad, een regio of een natiestaat. Maar het bewijs voor onze ogen, als we ervoor kiezen er naar te kijken, suggereert het tegendeel’. Ik kan niet voor Scott spreken, maar ik denk dat hij hiermee zou kunnen instemmen.

Thom Holterman

Scott, James C., Homo Domesticus. Une histoire profonde des premiers États, Éditions La Découverte, Paris, 2019, met voorwoord van Jean-Paul Demoule, 301 blz., prijs 23 euro.

Sternotitie:

* Zie over dit onderwerp: Thom Holterman, Volken zonder staat, Antropologie en libertaire leerstukken, Kelderuitgeverij, Utrecht, geïllustreerd, 75 blz., prijs 9,50.

[Voor bestellen van het boek, zie de site van Kelderuitgeverij: http://kelderuitgeverij.nl/?p=f ]