In 2021 is het vierhonderd jaar geleden dat de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) onder leiding van Jan Pieterszoon Coen een genocide pleegde op de Banda-eilanden, die deel uitmaken van de Molukken in het huidige Indonesië. In haar onlangs verschenen boek “Banda” ontrafelt Marjolein van Pagee de massamoord op de Bandanezen, de massamoordenaar Coen en vooral ook de schandalige eeuwenlange verheerlijking in Nederland van deze “slachter van Banda”.

(Overgenomen van de website van Doorbraak)

Ze levert daarbij fundamentele kritiek op de hypocrisie van veel witte Nederlanders, die aan de ene kant Coens bewind misschien wel te gewelddadig achten, maar aan de andere kant doodleuk bijdragen aan zijn verering als grondlegger van een koloniaal rijk en steevast weigeren om het Nederlandse kolonialisme in de kern te veroordelen.

Voor de komst van de Europeanen vormde Banda het centrum van een goed functionerend handelsnetwerk in nootmuskaat en foelie. Daaraan kwam abrupt een einde toen Nederlandse schepen in 1599 de kleine archipel bereikten. De Nederlanders dwongen de Bandanezen de handel met anderen te staken en uitsluitend aan de VOC te leveren. Met alle mogelijke middelen probeerden de Nederlanders een monopoliepositie te verkrijgen en zo de Europese koloniale concurrenten, met name Portugal, voorbij te streven in de jacht op de hegemonie binnen het opkomende kapitalisme. Natuurlijk verzetten de eilandbewoners zich tegen de absurde eis van dat alleenrecht, waarop het VOC-bestuur besloot om hen met geweld van hun land te verdrijven en er een plantagekolonie te stichten. Coens brute optreden uit 1621 was het sluitstuk van een reeks geweldsdaden waarbij de Bandanese bevolking werd verjaagd, vermoord en tot slaaf gemaakt. Van Pagee laat in haar boek zien dat het bij die geweldsdaden niet ging om incidenten en uitglijders, maar om structurele bestanddelen in het beleid en de praktijk van de VOC als bezettingsmacht. Daaruit kwam een koloniaal onderdrukkingssysteem voort dat pas eindigde in 1949, na een mislukte poging van de Nederlandse staat om het inmiddels onafhankelijk geworden Indonesië via een oorlog te rekoloniseren.

Slager keurt eigen vlees

Van Pagee is historicus, fotograaf en schrijft artikelen in onder andere de Jakarta Post. Ze is oprichter van stichting Histori Bersama en een van de critici van een vierjarig, nog steeds voortgaand en door de overheid aangestuurd onderzoek naar de koloniale oorlog tegen Indonesië, samen met onder meer Francisca Pattipilohy, die een voorwoord heeft geschreven in “Banda”. Pattipilohy nam samen met Jeffry Pondaag het initiatief tot een eerste en tweede open brief met een groot aantal bezwaren tegen dat onderzoek. Pondaag voert met zijn Stichting Comite Nederlandse Ereschulden (K.U.K.B.) al meer dan tien jaar rechtszaken tegen de Nederlandse staat in verband met de koloniale oorlog. Daarbij komt hij op voor de belangen van nabestaanden van Indonesiërs die werden vermoord door Nederlandse militairen. In haar boek haalt Van Pagee de indringende kernvraag van Pondaag aan waarop de Nederlandse staat nog steeds geen antwoord heeft gegeven: “Wie gaf Nederland het recht om een gebied dat 18.000 kilometer verderop ligt als koloniaal bezit te beschouwen?” Een dergelijke vraag is ook terug te vinden in een flyer die Doorbraak uitdeelde tijdens een bijeenkomst over het vierjarige onderzoek. Over de opzet van dat onderzoek merkte Pondaag op: “De slager keurt zijn eigen vlees”.

In haar voorwoord bij het boek schrijft Pattipilohy: “In de geschiedenis van het westerse kapitalisme staat de VOC nog steeds bekend als het grootste bedrijf dat ooit heeft bestaan.” In 1637 was de VOC 78 miljoen gulden waard. Omgerekend in geld van nu is dat 7,5 biljoen euro (biljoen, dus geen miljard!). “Sterker nog”, aldus Paul le Clercq bij RTL, “voor de beurswaarde van de hele VOC in 1637 zou je nu twintig van de allergrootste bedrijven ter wereld die aan de beurs staan kunnen kopen. Dat zijn: Apple, Google-moeder Alphabet, Microsoft, Amazon, Facebook en Berkshire Hathaway (het investeringsvehikel van Warren Buffett, een van de drie rijkste personen te wereld). En daar krijg je dan ook nog Tencent, Alibaba, Wells Fargo, Johnson & Johnson, Samsung, ExxonMobil, Bank of America, Walmart, Visa, Chevron, AT&T, McDonalds, Netflix en Tesla bij.”

Pattipilohy is al op zeer hoge leeftijd en kan putten uit eigen ervaringen met koloniale overheersing. De Banda-eilanden en de koloniale nederzetting Batavia (nu: Jakarta) “zijn onlosmakelijk met mijn familiegeschiedenis verbonden: mijn ouders zijn geboren en getogen op Banda, Batavia is waar ik mijn jeugd doorbracht. Mijn familie viel onder het handjevol feodale heersers met wie het Nederlandse regime samenwerkte. Dit hield in dat wij als Molukse familie dan wel enige welstand genoten, maar tegelijkertijd bij de laagste categorie van het drielaagse apartheidssysteem werden ingedeeld. Hoe rijk we ook waren, we bleven ‘inlanders’, niet gelijk aan Europeanen, ‘Inlander’ gold algemeen als een denigrerende term en ik schrok dan ook toen ik in mijn schoolrapport las dat ik een ‘inlands leerling’ bleek. Hoe succesvol mijn vader ook was met zijn carrière als architect, in de tram of bus moest hij in een andere coupe plaatsnemen. Toen ik eens samen met mijn Indo-Europese schoolvriendinnen wilde zwemmen, werd ik als ‘inlander’ geweigerd bij de poort. Daarom, als Jan Pieterszoon Coen genoemd wordt als grondlegger van het Nederlands imperium overzee, dan is de raciale segregatie waar zijn ‘volksplanting’ toe leidde, evenzeer een gevolg.”

Geen bezetting zonder oorlog

Pattipilohy gaat ook in op een structureel koloniaal mechanisme waar Van Pagee verderop in het boek nog meer aandacht aan geeft: “Los van het fysieke geweld waarmee kolonialisme altijd gepaard gaat, maakten kolonialen ook altijd gebruik van ‘divide et impera’, verdeel en heers. Ik beschouw deze tactiek als een van de ergste misdaden tegen de menselijkheid. Het gaat om het tegen elkaar uitspelen van etnische groepen om op die manier als kleine minderheid een miljoenenbevolking te kunnen overheersen. Ook Jan Pieterszoon Coen maakte hier gebruik van door Bandanezen tegen elkaar uit te spelen, Pas toen dat niet lukte, besloot hij dat alle groepen moesten worden geëlimineerd.”

In haar boek zet Van Pagee een van de beruchtste uitspraken van Coen, “geen handel zonder oorlog”, om naar “geen bezetting zonder oorlog”. Ze ergert zich eraan dat in Nederland koloniale bezettingen veelal worden aangeduid als “handel”, terwijl het in feite ging om roof en onteigening met het mes op de keel. Ook neemt ze stelling tegen het vaak verkondigde standpunt dat de massamoord onder leiding van Coen als iets extreems moet worden beschouwd, waarbij hij “te ver” ging. Wie dat vindt, die negeert de kern van wat kolonialisme is: ”het zich toe-eigenen van andermans land en spullen. Want ook al zou hij zich de Banda-eilanden iets minder gewelddadig hebben toegeëigend, dan nog was er steeds sprake van een onrechtmatige daad. De claim op een gebied dat aan de andere kant van de wereld ligt valt niet te verdedigen. De veroordeling van Coens daad enerzijds, en het verdedigen van zijn persoon anderzijds, is een tijdloos, steeds terugkerend ritueel in de Nederlandse geschiedenis. Dat neemt niet weg dat er ook verschillen zijn tussen de kritiek uit de negentiende eeuw en de ideeën die leven in de eenentwintigste eeuw. De visie op kolonialisme ondergaat onmiskenbaar verandering.”

Protest tegen koloniale verering

In het laatste hoofdstuk van het boek, “Koloniale discussies door de tijd heen”, komt de Nederlandse herdenkingscultuur aan de orde. “Naast de openlijke verering of normalisering van kolonialisme komt het idee van een balans steeds terug. Aan de hand van plussen en minnen wordt een afgewogen oordeel geveld. Echter, als een systeem zo geworteld is in grove mensenrechtenschendingen, en zonder die schendingen geen enkele macht zou hebben gehad, dan voldoet het idee van weegschaal niet. Dan is het zaak om het systeem als verdorven en onmenselijk te bestempelen en de verheerlijking ervan met wortel en tak uit te roeien. De vraag is: wat gebeurt er met de fundamentele kritische stemmen die wel op de kern hameren? Hoe vaak worden zij genegeerd of zelfs het zwijgen opgelegd? En als er sprake is van buitensluiting van critici, hoe vaak gaat het dan om niet-witte mensen van Indonesische, Indische of Molukse afkomst?”

Van Pagee zet op een rijtje hoeveel vormen van verering er in de loop der tijd, en zeker vanaf eind negentiende eeuw, zijn geweest van de VOC in het algemeen en Coen in het bijzonder. Ook gaat ze dieper in op het vierhonderd jaar VOC-feest in 2002, op de “witte onschuld” van ex-premier Jan Peter Balkenende, op de autoriteiten in Middelburg die Molukse critici muilkorfden, op het Westfries Museum met zijn glossy “Coen!” en op het standbeeld van Coen in Hoorn en het protest daartegen, in vroeger tijden en zeker sinds 2011. “Banda” is een leerzaam en indrukwekkend boek dat voortkomt uit de steeds breder geworden dekoloniale beweging. Een aanrader voor iedereen die zich met een kritische blik verder wil oriënteren op de geschiedenis van het Nederlandse kolonialisme en de doorwerking daarvan in het heden.

Harry Westerink

Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen”, Marjolein van Pagee. Uitgeverij: Omniboek, € 20,99. ISBN: 9789401917537.