Op 14 april vindt op de alternatieve boekenbeurs in Gent de voorstelling plaats van ‘Sociale ecologie en politiek’ van Murray Bookchin. Naar aanleiding daarvan brengen we twee artikelen van de Britse politicoloog Andy Price.

De centrale stelling van Bookchins sociale ecologie schuilt in de overtuiging dat we enkel de wereld kunnen redden via een radicale maatschappelijke verandering. De vernietiging van de natuurlijke wereld door de mens, zo stelt hij, is een gevolg van de overheersing van de mens door de mens, en enkel door een eind te maken aan elke hiërarchische verhouding – man over vrouw, oudere over jongere, rijke over arme – kunnen we de globale ecologische crisis oplossen.

(Door Andy Price, vertaling Johny Lenaerts, eerder verschenen in Buiten de Orde)

Bookchin opteerde voor het model van directe democratie dat ooit in het oude Griekenland ontwikkeld werd. Hij meende dat door de herinvoering van dit systeem van directe democratie de mensheid tot een rationele en rechtvaardige maatschappij kan komen en dat enkel met dit systeem de diverse sociale bewegingen zouden kunnen vermijden dat ze dezelfde ongelijkheden reproduceren die ze aanvankelijk wilden bestrijden. (jl)

Het mogelijke

Kan Bookchins model van directe democratie en gemeentelijk zelfbeheer verhinderen dat er nieuwe vormen van hiërarchie en overheersing zouden kunnen onstaan?

Volgens Bookchin vormt de directe democratie van de wijkraden een school waarin een nieuwe manier uitgewerkt wordt om de wereld vorm te geven maar ook een nieuwe manier om te reageren op de sociale problemen van hiërarchie en overheersing. Bookchin kan niet garanderen dat dit project zal slagen, en op dit punt was hij duidelijk: communalisme is een project, en het proces is net zo belangrijk als het doel. Bookchin geeft toe dat elk voorbehoud tot zijn politiek programma juist kan zijn: elke maatschappelijke en economische verandering bergt een risico in zich. We zouden kunnen verliezen. Maar we zouden misschien ook wel eens kunnen winnen…

Het proces van het streven naar gemeentelijk confederalisme gaat daarom uitdrukkelijk over de ontwikkeling van de mogelijkheid van een nieuwe politiek van geïnstitutionaliseerde gemeenschapscontrole: er wordt niets anders beoogd dan het ideaal van een communalistische samenleving. Volgens Bookchin ontstaan de noodzakelijke veranderingen daartoe niet in een maatschappelijk vacuüm en als dusdanig kan het proces van het doorvoeren van deze veranderingen – d.w.z. het politieke programma van het communalisme – niet garanderen dat een gedecentraliseerde gemeente, zelfs indien ze democratisch gestructureerd zou zijn, noodzakelijkerwijs ook rationeel en ecologisch zal zijn. Maar wanneer, zo werpt Bookchin op, waren fundamentele maatschappelijke veranderingen ooit zonder risico? Bookchin argumenteert dat er in de poging om te evolueren naar een communalistische maatschappij vele fouten en mislukkingen mogelijk zijn, dat er vele stappen achterwaarts zullen nodig zijn, en dat er vele jaren zullen voorbij  gaan moest er geen positieve reactie op een communalistisch project komen.

Dat Bookchin nooit beweerde dat zijn visie van een toekomstige rationele maatschappij gegarandeerd was, dat hij er zelfs zelf aan twijfelde, was niet louter een kwestie van stijl: het reikt naar de kern van Bookchins processuele benadering. Bookchin bekritizeren voor mogelijke toekomstige problemen van zijn project en waarschuwen voor mogelijke valstrikken die erin schuilen, is uiteraard terecht. Dat zou een permanente bekommernis van de voorstanders van een communalistische benadering moeten zijn. Maar Bookchins programma in zijn geheel afwijzen omwille van mogelijke problemen, dat is ongepast.

Simpel uitgedrukt: de toekomstige rationele samenleving is voor Bookchin nooit een vaststaand feit. De visie van deze maatschappij, het maximum programma van het communalisme, wordt enkel opgevat als een potentialiteit. Terzelfder tijd echter – en dat is wat Bookchins programma uniek maakt en een bron van veel verwarring was – bestaat er een praktisch minimumprogramma dat bestaat uit reële veranderingen in de manier waarin gemeenschappen geleid worden, veranderingen die nu al kunnen doorgevoerd worden. De cruciale rol van deze activiteit – van de oprichting van communalistische leesgroepen tot de deelname aan lokale verkiezingen – bestaat erin dat zij de potentialiteit van het maximumprogramma openleggen: de volledige, direct democratische controle voor gemeenschappen die daar lange tijd het uitzicht op verloren hadden. Het is in het minimumprogramma dat de concepten van de nieuwe samenleving geïntroduceerd worden tot het politieke domein. Dit proces vormt de school voor de ‘nieuwe politiek’ waar Bookchin voor pleit. Het is een proces waarin de deelnemers ervaring opdoen in gemeenschapsbeheer, in politiek in de oorspronkelijke betekenis van het woord, in burgerschap en in het opnemen van verantwoordelijkheid. Kortom, ervaring waarin macht een nieuwe vorm en nieuwe instellingen verkrijgt als het uitgesproken domein van het volk.

Enkel in dit proces kunnen de nieuwe concepten van de toekomstige maatschappij op een vruchtbare manier geformuleerd worden. De direct democratische praktijken die ze voortbrengt vormen de bouwstenen van zo’n toekomstvisie. Het is tevens de enige realistische weg waarin macht kan ontfutseld worden van de staat. Wanneer men de staat zou opvatten als het legitieme doel dat moet veroverd worden, dan leidt dit volgens Bookchin tot nog meer staat. Wanneer men zich daarentegen van  de staat afkeert, dan zou dat totaal geen uitdaging vormen. Het is enkel in een directe, democratische confrontatie met de staat dat vrijheid een bevrijdende vorm in vrije instellingen kan krijgen. Gezien de staat over enorme middelen beschikt, kan hij volgens Bookchin enkel uitgedaagd worden via een rationele, morele eis die voortspruit uit een authentiek democratisch proces. Alhoewel Bookchin in zijn programma spreekt over burgermilities en gewapende burgerwachten, kan de confrontatie met de staatsmacht enkel aangegaan worden via de politieke weg, in de klassieke betekenis van het woord.

Al deze concepten en ideeën dienen geplaatst te worden bij de middelen van Bookchins minimumprogramma, dat hopelijk nieuwe wegen en ideeën, nieuwe mogelijkheden en inzichten oproept die een gemeenschapsopvatting over de doeleinden zal voortbrengen en versterken. Deze nieuwe wegen en inzichten zullen hopelijk een gemeenschap leren hoe ze moet omgaan met mogelijke valstrikken. Bookchin is van mening dat in een maatschappij die kiest voor een gedecentraliseerde, participatieve democratie, geleid door communalistische en ecologische principes, het getuigt van gezond verstand te veronderstellen dat de mensen niet voor onverantwoordelijke daden zullen kiezen. De veronderstelling is hier nogmaals belangrijk: de rationele samenleving van de toekomst is niet onontkoombaar noch gegarandeerd, maar de huidige praktische implicatie van middelen die overeenstemmen met de doeleinden maakt het een realistische mogelijkheid. Het is in deze strijd voor een gemeentelijk confederalisme dat volgens Bookchin de mogelijkheid schuilt voor het verwerven van een nieuwe ethiek van burgerschap en gemeenschap.

In dit opzicht kunnen we stellen dat Bookchins politiek programma uitdrukkelijk gebaseerd is op twee afzonderlijke pijlers. Ten eerste is het een uitdrukking van de idealen van een toekomstige ecologische en sociaal rationele maatschappij en van een daarmee gepaard gaand idee van de mogelijke institutionele vormen die deze aanneemt. Ten tweede is het, in het licht van de huidige irrationele maatschappij en de reusachtige obstakels waar een dergelijk project mee zal geconfronteerd worden, een uitdrukking van de eerste stappen die ondernomen worden, niet om de maatschappij van de toekomst als dusdanig te creëren maar veeleer om er de mogelijkheid toe te creëren, een bewustzijn ervan, een bewustzijn van alle concepten waarop het berust – de gemeente, de burger, de vrije institutionalisering van macht. Kortom, het komt erop aan te beginnen met een proces van het creëren van nieuwe regels tussen het volk en het kapitaal.

Samen genomen betekenen deze twee factoren voor Bookchin dat het niet mogelijk is een gedetailleerd institutioneel en economisch plan voor een dergelijke toekomstige maatschappij te leveren. Moesten we nu een oplossing willen uitwerken voor de problemen of mogelijkheden waar een toekomstige ecologische maatschappij mee kan geconfronteerd worden, en moesten we nu daar beslissingen over nemen, dan zou dit een ontkenning betekenen van het proces dat intrinsiek in Bookchins programma schuilt: ‘Het zou betekenen dat er een vooropgesteld raster van ideeën opgelegd wordt aan een toekomst die zichzelf moet uitvinden zonder belast te worden door blauwdrukken en schema’s die veeleer de persoonlijke voorkeur van hun auteurs weergeven dan een rationele toepassing van de lessen uit het verleden en het heden. Mochten we gedetailleerde recepten leveren – of verwachten – voor de oplossing van elk probleem waar elke gedecentraliseerde menselijke gemeenschap mee geconfronteerd zal worden, dan zou dit neerkomen op de ontkenning van de creativiteit van de toekomst.’ (From Urbanization to Cities, 1995)

Meerderheid en minderheid

Bookchin is van oordeel dat er na rijp beraad knopen moeten doorgehakt worden en beslissingen genomen. De minderheid dient zich neer te leggen bij de meerderheid. Maar leidt dit niet onvermijdelijk opnieuw naar hiërarchie en overheersing?

In een authentieke democratische gemeenschap zou volgens Bookchin de meerderheid niet moeten ‘heersen’ over een minderheid, of er een illegitieme autoriteit over uitoefenen. De uiteenlopende belangen in een maatschappij die gebaseerd is op directe democratie verschillen naargelang de verschillende thema’s die ter discussie gesteld worden en vloeien voort uit een proces dat niet enkel het grootst mogelijk meningsverschil en de openlijke uitdrukking van de meest uiteenlopende standpunten toestaat maar hen ook daartoe aanmoedigt. Eens dat er na rijp beraad beslissingen genomen werden, zou de minderheid die niet met de meerderheidsbeslissing akkoord is het recht op een eigen mening mogen behouden en ervoor mogen pleiten om die beslissing weer ongedaan te maken.

Mocht men in naam van consensus of van elke variant daarvan het ontstaan van meerderheden en minderheden willen ontkennen, dan betekent dit voor Bookchin dat men het meest vitale aspect van elke dialoog, het meningsverschil, onder de mat veegt. Bookchin: ‘Bij de meerderheidsbeslissing speelt het meningsverschil een creatieve rol, dat op zichzelf waardevol is als een zich ontwikkelend democratisch fenomeen. Zelfs indien een minderheid tijdelijk instemt met de meerderheidsbeslissing, kan de minderheid afwijken van de beslissing waarin ze het onderspit heeft moeten delven, en kan ze eraan werken om de beslissing weer ongedaan te maken. Ze is vrij om openlijk en hardnekkig redelijke en mogelijks overtuigende argumenten aan te dragen. Het meningsverschil kan zich ontwikkelen en er zou een passionele dialoog uit kunnen voortvloeien.’ (Anarchism, Marxism and the  Future of the Left, 1999)

Volgens Bookchin brengt elk ander kiessysteem gebaseerd op consensus of een gelijkaardig procedé geen eer aan de minderheid maar onderdrukt ze haar. Het verstikt de dialectiek van de ideeën die berust op tegenstand en confrontatie.

De gemeente

Bookchin stelt zijn hoop in de gemeente. Maar is de gemeente soms niets meer dan een opeenhoping van shopping malls, industriële complexen en kantoren vol ambtenaren?  Is de gemeente voor de meeste mensen soms niets meer dan een vage achtergrond, zonder enige radicale of creatieve inhoud? Baseert Bookchin zich niet op abstracte begrippen, die met de hedendaagse toestand weinig of niets te maken hebben?

Wanneer we deze kritieken lezen zijn we geneigd te antwoorden: precies! D.w.z., de huidige toestand van de gemeente en zijn burgers is precies de reden waarom Bookchin zijn politiek programma daarop baseert. Heel zijn politiek werk, net als zijn filosofisch werk, is gebaseerd op de tegenstelling tussen de huidige toestand van de politieke wereld en zijn bevrijdend potentieel. Eenvoudig uitgedrukt, het herstel van de concepten ‘gemeente’ en ‘burger’, de scholing die vereist wordt voor de ontwikkeling van een authentieke politiek die voortvloeit uit een levende realiteit, berusten allemaal expliciet op de beroofde, uitgeholde, uitgebuite toestand van de burger en de gemeente. Net zoals Bookchins ecologische principes gebaseerd zijn op het feit dat ze in de huidige anti-ecologische maatschappij met de voeten getreden worden, net zó worden zijn politieke principes in de huidige anti-sociale maatschappij met de voeten getreden.

Bookchin koesterde niet de minste illusies over de toestand van de ontwikkelde kapitalistische maatschappij waarin hij op het einde van de twintigste eeuw leefde en over wat het betekent daarin een burger te zijn. Net als elke andere denker was Bookchin zich bewust van de sociale crisis die in de huidige maatschappij heerst. Dat is uitdrukkelijk in al zijn politieke werken aanwezig. Slechts één voorbeeld. Bookchin schreef in 1986 over de toestand van de burger in relatie tot de natiestaat: ‘De natiestaat maakt ons minder humaan. Hij torent boven ons uit, hij palmt ons in, hij vernedert ons – en dikwijls doodt hij ons in zijn imperialistische avonturen. En burger zijn in de natiestaat is een abstractie die ons uit onze omgeving losrukt en ons plaatst in het domein van de mythe, gehuld in het bijgeloof van een “uitzonderlijkheid” dat ons als een nationale entiteit losscheurt van de rest van de mensheid – zelfs van de mens als soort. In feite zijn we niet de componenten maar de slachtoffers van de natiestaat – niet enkel fysiek en psychologisch maar ook ideologisch.’ (The Modern Crisis, 1986)

Het is net omdat de burger het slachtoffer van de natiestaat is, dat Bookchin zijn programma baseert op de gemeente: dat is het domein dat aan macht kan winnen om de reducering van de burger tot een abstractie in de natiestaat ongedaan te maken. Uiteraard beweert Bookchin niet dat de maatschappij zoals ze momenteel bestaat en dat steden zoals ze momenteel gestructureerd zijn van de ene dag op de andere in een direct democratische en rationele maatschappij kunnen veranderd worden. Maar er kunnen volgens hem wel minimale stappen gezet worden om de  lokale vrijheid tegenover die van de staatsmacht uit te breiden, bijvoorbeeld door middel van onderwijs en door actief te worden in de publieke sfeer, waar gewone burgers kunnen betrokken worden bij een levendige praktijk. Veeleer dan de gemeente en de burger te idealiseren, vertrekt Bookchin van de realiteit van diens bezoedeling door de staat.

Daarenboven is het zijn betrachting deze concepten in hun oorspronkelijke betekenis te herstellen. Maar zelfs in hun bezoedelde vorm bestaat er een zekere tendens. Daarom beroept Bookchin zich niet op abstracte concepten maar op een domein dat zich weliswaar momenteel op de achtergrond bevindt maar dat nog steeds, ondanks de invloed van de staat, effectief aanwezig is. De gemeente is nabij, zo stelt Bookchin. Alhoewel we hem momenteel misschien niet zien, is hij alomtegenwoordig in ons leven. De natiestaat staat ver van ons af, is voornamelijk het product van ideologie, en is haast ongrijpbaar. In ons dagelijks leven, of we ons daar van bewust zijn of niet, hebben we niet enkel met de persoonlijke wereld die we ons ‘thuis’ noemen te maken, maar ook met een dorp, een stad of een buurt, dat de reële kern van ons leven als sociaal en politiek wezen vormt. Het is in dit domein, waar we psychologisch ver van verwijderd zijn maar geografisch in verworteld, dat we volgens Bookchin de maatschappij dienen te veranderen, willen we een authentiek mens worden.

De maatschappij in dit domein veranderen, dat is Bookchins doelstelling in zijn maximumprogramma. En het is enkel wanneer dit proces tot ontwikkeling komt, dat de concepten ‘burger’ en ‘gemeente’ hun volle emancipatorische betekenis krijgen. Dit wil zeggen dat ze in hun huidige vorm geenszins bevrijdend werken. Dat worden ze pas door het proces van hun fysieke transformatie doorheen het project van het communalisme. Als illustratief voor de vereiste radicale transformatie, van de diepe kloof tussen gemeente en burger zoals die momenteel bestaan en de vorm die ze in de toekomst zouden moeten aannemen, legt Bookchin uit wat de scholing van de burger in een nieuwe politiek zou moeten inhouden: ‘De ontwikkeling van een burger dient méér te zijn dan een opvoedingsproces. Het moet een creatieve kunst zijn in een esthetische betekenis, die de diep in de mens schuilende behoefte aan zelfexpressie in een betekenisvolle spirituele gemeenschap aanspreekt. Het dient een op het individu georiënteerde kunst te zijn die hem of haar ervan overtuigt dat de gemeenschap gebaseerd is op zijn of haar morele oprechtheid en zin voor rede. De ideologische autoriteit van de staatsmacht en de staatsraison gaan er momenteel vanuit dat de “burger” een incompetent wezen is. De communalistische opvatting van burgerschap gaat net van het tegenovergestelde uit.’ (From Urbanization to Cities, 1995)

Moest men het meerderheidsbeginsel, waar we het eerder over hadden, aan de kant schuiven ten voordele van het consensusbeginsel, dan zou dit de politieke en esthetische scholing van de burger reduceren. Zoals Bookchin beklemtoond heeft, zijn meningsverschil en discussie van essentieel belang voor de scholing in democratische besluitvorming. Het is in dit besluitvormingsproces dat het individu en de gemeenschap gevormd worden in het leiden van hun eigen gemeenschap. Wanneer men bezwaar zou maken tegen het meerderheidsbeginsel als dusdanig, omdat het zou kunnen leiden naar ondemocratische of demagogische toekomstige praktijken, betekent dit dat men in feite de efficiëntie van het programma zelf betwist. Het zou inderdaad tot zulke praktijken kunnen leiden, maar Bookchins utopische visie over de ontwikkeling van burgerschap is gebaseerd op methodes die dit zo goed mogelijk trachten te verhinderen.

Het confederaal niveau

Bookchin opteert dus voor het meerderheidsbeginsel op het niveau van de directe, face-to-face besluitvorming. Maar hoe zit het op het confederaal niveau? Zou het niet kunnen dat beslissingen die op basisniveau in de wijkraden genomen werden, op het confederale niveau genegeerd worden?

Volgens Bookchin zou hetzelfde principe van burgerschap dat op basisniveau geldt ook op het confederale niveau dienen toegepast te worden. Het proces van besluitvorming, waarin er meerderheden- en minderhedenstandpunten voorkomen, en het bestaansrecht daarvan – eenvoudig uitgedrukt, het aanvaarden van en het respect voor het feit dat niet iedereen altijd kan verkrijgen wat men op om het even welk moment wil – is op zichzelf een democratische praktijk. In de langzame implementatie van deze praktijken kunnen er oplossingen aangedragen worden. Indien dit ertoe leidt dat minderheden zich moeten schikken naar de algemene belangen van de regio als geheel, dan betekent voor Bookchin dit algemeen belang, zoals het vertegenwoordigd wordt door de meerderheid van de confederatie, de beleidsbeslissing. Alhoewel dit door de confederatie dient bekrachtigd te worden, betekent dit reeds de implementatie en het beheer van een beleid dat uitgewerkt werd door de meerderheid van de bevolking van een regio op een direct democratische manier. Het meerderheidsbeginsel op het confederale niveau betekent voor Bookchin geen ontkenning van democratie: ‘Dit is geen ontkenning van democratie maar de bevestiging van aller instemming om de burgerrechten te erkennen en de ecologische integriteit van een regio te handhaven. Deze rechten en eisen worden niet zozeer tot gelding gebracht door een confederale raad als wel door de meerderheid van de volksvergaderingen, die kunnen worden gezien als een grote gemeenschap die haar wensen kenbaar maakt via haar confederale vergaderingen. Op die manier blijft de beleidsbepaling lokaal, maar is het bestuur gevestigd in het confederale netwerk als geheel.’ (From Urbanization to Cities, 1995)

Janet Biehl geeft in Libertarian Municipalism (1998) een goede verduidelijking van de manier waarop Bookchin de beleidsmacht van de volksvergadering op het confederale niveau doortrekt. Wat dient er te gebeuren indien een afzonderlijke gemeenschap of buurt (of een minderheidsgroep daaruit) ervoor kiest een eigen weg te gaan, waarbij het gevaar dreigt dat mensenrechten worden geschonden of ecologische vernietiging wordt toegelaten? In dat geval, zegt Bookchin, is de meerderheid in een plaatselijke of regionale confederatie volstrekt gerechtigd door middel van zijn confederale raad dergelijk beleid te voorkomen. Janet Biehl merkt hierbij aan dat de confederale ingreep louter van administratieve en coördinerende aard zal zijn, waarbij het beleid van de gemeentes zal uitgevoerd worden. Om aan te tonen hoe deze dwangmaatregel louter een kwestie van administratieve aard blijft, neemt Janet Biehl haar toevlucht tot het confederaal referendum. Moest het confederaal niveau willen optreden tegen een wijkraad, dan zou daar eerst over beslist moeten worden door de meerderheid in de volksvergaderingen in een confederale stemming over de vraag of de eigenzinnige wijkraad in haar verderfelijke praktijk mag volharden.

Deze stemming zou eerst in elke gemeente afzonderlijk gehouden worden; de resultaten van de stemming van elke gemeente zouden daarop door de afgevaardigden van elke gemeente naar het confederale niveau meegenomen worden en geteld worden als één geheel, om te bepalen welke mening in de confederatie heerst. Dus in kwesties van dwangmaatregelen van het confederale niveau dient de regio in zijn geheel, door middel van referenda, een meerderheid binnen de confederatie te vinden om de ecologische integriteit van de regio of de mensenrechten te handhaven. Op die manier blijft binnen de confederatie de beslissingsbevoegdheid bij de wijkraad, want het is niet de confederale raad die deze beslissing moet nemen, maar de cumulatieve meerderheid van alle burgers in alle wijkraden, die in het geheel opgevat worden als één grote gemeenschap dat haar wensen uitdrukt door middel van de confederatie.

De gevoelige kwestie van dwangmaatregelen tegenover eigenzinnige wijkraden om ze te onderwerpen aan de door de confederatie afgesproken sociale en ecologische principes, wordt dus geregeld door middel van referenda. Het confederale niveau zou dus opgevat en uitgebouwd dienen te worden als de collectieve uitdrukking van de beslssingen van de direct democratische wijkraden van de verschillende gemeenten. Het is volgens Bookchin eigen aan democratie dat iedereen op een bepaald moment zich wel eens in de minderheid kan bevinden. Het feit dat men zich de ene keer in een minderheid bevindt en een andere keer in een meerderheid, maakt deel uit van het proces waarin men er zich van bewust wordt wat het betekent een burger te zijn in een authentiek politiek domein.

Besluit

Enkel door een versterking van de politieke sfeer en door de empowerment van het volk kan volgens Bookchin gewerkt worden aan het perspectief van een rationele en rechtvaardige samenleving. Het is deze cruciale doelstelling dat een proces op gang zou moeten brengen waarin kleine stapjes gezet worden in de uitwerking van gemeentelijk zelfbeheer, die zouden moeten leiden naar de langzame maar diepgaande realisering van deze rationele samenleving. Want willen we de wereld redden, dan kan dit enkel via een radicale maatschappelijke verandering.

---------------

Uit:  Andy Price, ‘Recovering Bookchin. Social Ecology and the Crises of Our Time’, Porsgrunn/Norway: New Compass Press, 2012. Vertaling en bewerking: Johny Lenaerts.