Op 27 augustus vindt een overleg plaats van EZ met de tweede kamer over de komende WTO-conferentie. Staatssecretars van Gennip van EZ heeft in de aanloop gejokt over de positie van armere landen ten aanzien van uitbreiding van de WTO met investeringen.

Tweede Kamer verkeerd voorgelicht over WTO-standpunt Minst Ontwikkelde Landen
Bijstelling WTO-instructie nodig tav. investeringsverdrag

persbericht WTO.ZIP, 03.08.21

De Tweede Kamer bespreekt op 27 augustus as. de Instructie voor de regeringsdelegatie die begin september afreist naar Cancún. In Cancún vindt de Vijfde Ministersconferentie van de WTO plaats in het kader van de Doha Ontwikkelings Ronde.

De Kamerleden Vendrik (GL) en Vergeer-Mudde (SP) brachten in juni jl. tijdens algemeen overleg en daaropvolgend Tweede Kamerdebat naar voren dat de Minst Ontwikkelde Landen gekant zijn tegen het beginnen van investeringsonderhandelingen in of aansluitend op de Cancún-top. In hun motie van 26 juni vragen ze de Nederlandse regering niet in te zetten op investeringen (*) tijdens de Cancún-top.

Staatsecretaris van Gennip van Economische Zaken beweert echter dat deze landen juist een groot belang hechten aan bevordering van buitenlandse investeringen (brief 24 juni, debat 26 juni). Ze suggereert dat ze geen onoverkomelijk bezwaren hebben tegen een WTO-investeringsverdrag. Haar bewering onderbouwt ze echter door citaten uit een verklaring van de Minst Ontwikkelde Landen (Dhaka Verklaring, 2 juni 2003) onvolledig en in een verkeerd verband weer te geven.

Inmiddels hebben de Minst Ontwikkelde Landen hun positie aangescherpt. Op 1 augustus jl. verklaarden de ministers van de 77 ACP-landen namelijk niet akkoord te gaan met het voorstel om in Cancún te beginnen met onderhandelingen over investeringen.

Dit vraagt om een herziening van de inhoud van de Instructie voor de regeringsdelegatie. Te meer omdat de staatssecretaris op 26 juni stelde: "De Singapore-issues hebben voor Nederland nooit een zeer hoge prioriteit gehad" (uit excerpt van Tweede Kamerdebat 26 juni). Daarbij is Nederland voor het onderwerp investeringen niet gebonden aan het Europese standpunt. Een vonnis van het door het Europese Gerechtshof (1995) bepaalt dat de Europese Commissie en de 15 Europese lidstaten een 'gemengde competentie' hebben op dit gebied.

Noot: 'Direkte Buitenlandse Investeringen' is een van vier zogenaamde Singapore-onderwerpen.


Rob Bleijerveld
WTO.ZIP NIeuwsbrief

-------------

Minst Ontwikkelde Landen wijzen investeringsverdrag in Cancún af
Nederland heeft vetorecht op gebied van investeringen!

Op 18 juni voerden minister Brinkhorst en staatssecretaris van Gennip van Economische Zaken overleg met de Tweede Kamer over de stand van zaken in de WTO-onderhandelingen. Bij deze gelegenheid gaf het kamerlid Vendrik (GL) aan dat de Minst Ontwikkelde Landen gekant zijn tegen het beginnen van onderhandelingen op het gebied van investeringen. Hij vroeg de Nederlandse regering daarom om niet in te zetten op direkte buitenlandse investeringen tijdens het topoverleg in Cancún van begin september.

Staatssecretaris van Gennip zei geen berichten te hebben ontvangen dat ontwikkelingslanden een dergelijk standpunt innemen en zei toe dit te zullen uitzoeken. In een brief aan de Tweede Kamer van 24 juni (1) schrijft ze dat de handelsministers van de Minst Ontwikkelde Landen juist groot belang hechten aan bevordering van buitenlandse investeringen in hun landen. Ze haalt een verklaring (2) aan die op 2 juni opsteld is in Dhaka (Bangladesh) door handelsministers van de Minst Ontwikkelde Landen.

Dhaka Verklaring

In deze verklaring gaan de ministers ondermeer in op het onderwerp van direkte buitenlandse investeringen. Het citaat (3) dat de staatssecretaris overneemt ter onderbouwing van haar stelling is echter uit zijn verband gerukt. Hierin geven de Minst Ontwikkelde Landen aan dat er door problemen van economische, wetgevende en politieke aard onvoldoende basis is voor het aantrekken van direkte buitenlandse investeringen. Om dat te veranderen is tenminste de steun nodig van de landen waar de investeerders gevestigd zijn en voortgang van de werkzaamheden van de Werkgroep voor Handel en Investeringen van de WTO.

Van Gennip laat bewust belangrijkere stukken weg uit de paragrafen 28 en 29 van deel Twee van de Dhaka Verklaring. (4) Daarin zeggen de ondertekenaars van de Dhaka-verklaring dat "Vooruitgang in het werk van de Werkgroep voor Handel en Investeringen duidelijk aangeeft dat er geen overeenkomst verwacht wordt tussen nu en Cancún over (elk van) de elementen die in de Doha Verklaring weergegeven worden. Daarom is het nog voorbarig om werkelijk substantiële zaken aan de orde te stellen" en "Minst Ontwikkelde Landen met beperkte mogelijkheden zijn niet in staat om de onderhandelingen te volgen en de implicaties/impact van onderhandelingen over de Singapore-onderwerpen op hun economieën te overzien."

Motie

Tijdens het Tweede Kamerdebat van 26 juni waarin de brief van van Gennip ter sprake komt wordt door de kamerleden Vendrik (GL) en Vergeer-Mudde (SP) een motie (5) ingediend waarin de regering gevraagd wordt om in de lopende WTO-Ronde geen prioriteit toe te kennen aan de Singapore-onderwerpen (waaronder investeringen). Ondanks het feit dat de Singapore-onderwerpen voor Nederland nooit een hoge prioriteit hebben gehad ontraadt de staatssecretaris toch de motie. Ze denkt dat ontwikkelingslanden steeds meer voor hun eigen belangen leren opkomen en dat het sleutelen aan de agenda van Cancún kan leiden tot verdere ontrafeling daarvan door andere landen en tenslotte tot onwerkbaarheid van de top in Cancún. De motie werd niet door de andere partijen gesteund.

De Instructie voor de Nederlandse Cancúndelegatie (6) van 18 augustus geeft een herhaling te zien van de stellingname van het kabinet over investeringen. De Nederlandse regering volgt de Europese Unie en wil dat er aansluitend op Cancún begonnen wordt met onderhandelingen over de Singapore-onderwerpen. Paragraaf 110 van de Instructie luidt: "De EU heeft daarmee het duidelijkst van alle partijen binnen de WTO aangegeven welke modaliteiten haar voor ogen staan. Andere partijen zijn hierover duidelijk minder uitgesproken. Voor de eerder genoemde ontwikkelingslanden speelt daarbij ongetwijfeld het tactische belang een rol om nog niet te ver mee te gaan in de discussie over de inhoud van de modaliteiten zolang men de mogelijkheid nog wil open houden om de onderhandelingen als zodanig te blokkeren."

Ofwel: de regering ontkent de vrij definitieve stellingname door de Minst Ontwikkelde Landen tegen investeringsonderhandelingen en doet veronderstellen dat een gunstig tegenbod hen alsnog over de streep zal halen.

Verklaring ACP-staten

Een verklaring van de ACP-staten van 1 augustus jl. (7) (8) maakt een en ander veel explicieter. De 77 staten uit Afrika, de Cariben en het Pacifische Gebied - bijna allemaal ook Minst Ontwikkelde Landen en voor het overgrote deel ook WTO-lid - gaan verder dan de ministers in Dhaka op 2 juni deden. Ze wijzen het beginnen van onderhandelingen over de Singapore onderwerpen in Cancún resoluut van de hand. (9)

Waarom het ministerie van Economische Zaken op een dergelijke manipulatieve manier met het onderwerp omgaat blijft onduidelijk. Het zou kunnen zijn dat de Nederlandse steun voor de Europese aanpak een of andere gunstige regeling oplevert voor Nederland. Het blijft echter gissen naar de werkelijke reden.

Vetorecht Nederland

Iets dat de Tweede Kamerleden zeer zeker in overweging moeten nemen als voorbereiding op de bespreking op 27 augustus as. van de Instructie voor de Cancúndelegatie is het feit, dat Nederland in Cancún een veto kan uitspreken over het thema investeringen! In 1995 is door het Europese Gerechtshof bepaald dat de Europese Commissie en de 15 Europese lidstaten een 'gemengde competentie' hebben op dit gebied. Handelsminister van de Europese Unie Lamy zal weliswaar als enige Europeaan aan de onderhandelingstafel zitten, toch moet hij de 15 lidstaten raadplegen alvorens enige beslissing te nemen over handel en investeringen. De uitspraak van het Hof betekent ook dat de start van investeringsonderhandelingen geblokkeerd kunnen worden door Nederland. Meer hierover in de factsheets over de WTO die maandag 25 augustus uitgebracht zullen worden door Corporate Europe Observatory.

Rob Bleijerveld
WTO.ZIP nieuwsbrief


noten:
1) Kenmerk: BEB/HIB/AHP 3023036
2) LDC-II/2003/L.1/Rev.1
3) Citaat zoals gebruikt door de staatssecretaris: "Most of the LDCs have not been able to attract Foreign Direct Investment through liberalizing investment regimes owing inter alia to very small size, remoteness andextreme vulnerability. Improvements of regulations or policies are unlikely to attract orthodox FDI into LDCs, without a supportive, targeted intervention of the governments of the sending countries. In particular, ODA should assist in creating the infrastructure required for attracting FDI. The Working Group (on the Relationship Between Trade and Investment) should continue work on issues referred to in paragraph 22 of the Doha Ministerial Declaration, including studies on whether and how any multilateral investment agreement would facilitate flows of FDI or improve its quality in LDCs."In de oorspronkelijke tekst betreft het 2 onderdelen a) en b) van paragraaf 29 (deel 2 van de Dhaka Verklaring).
4) [in paragraaf 29]: "Progress in the work of the Working Group on Trade and Investment clearly indicates that there would be no agreement between now and Cancun on any of the elements outlined in the Doha Declaration. Therefore, it is still premature to consider the real substantive issues."
[in paragraaf 28]: "LDCs with limited resources are not being able to follow negotiations and evaluate the implications/impact of negotiations on Singapore issues on their economies. "
5) 25 074, nr 65
6) website EZ
7) "Conclusions of the Sixth meeting of ACP Trade Ministers and ACP Declaration on the Fifth ministerial Conference of the WTO", Brussel, 1 augustus 2003 website ACP
'Singapore Issues', paragraaf 39: "We reaffirm that the discussion in the WTO on these issues thus far confirms that each has its own peculiar aspects and complexities and that WTO Members have not reached a common understanding on how any of these issues should be dealt with procedurally or substantively in a multilateral context. We welcome all technical assistance and capacity building measures in these areas, especially those targeted to facilitating the evaluation by ACP States of the implications of adopting multilateral frameworks in these areas on our development policies and objectives".
8) 'Singapore Issues', paragraaf 40: "We fully recognise that most ACP States do not have the capacity to meaningfully negotiate these issues, as we grapple with the implementation of existing WTO rules and, especially, taking into account, the expanded work programme after the Doha Ministerial. Furthermore, the benefits of negotiating a multilateral framework for all the Singapore issues are not evident and this, coupled with the fact of our scarce resources and limited capacity in this area, does not provide a basis for the commencement of negotiations in these areas".
9) In hun verklaring van 1 augustus uiten de ACP-landen ook kritiek op het proces van WTO-onderhandelingen tot nu toe. Ze geven aan dat in Cancún tenminste aan 4 basisregels moet worden voldoen om transparantie, democratie, inclusiviteit en een consultatief besluitvormingsproces te garanderen.
'Decision-Making Process', paragraaf 4:
"We reiterate the critical importance of creating a transparent, democratic, all-inclusive and consultative decision-making process in the WTO, as this is vital to enhancing the credibility of the WTO and the multilateral trading system. We reiterate the importance of taking decisions by consensus, in accordance with paragraph 1 of Article 9 of the WTO Agreement".
'Decision-Making Process', paragraaf 5: "We urge the WTO Members to ensure that the decision-making process at the upcoming Ministerial Conference in Cancun is transparent and inclusive, through the adoption of procedural rules. Those rules should ensure, among other things, that: (a) proposals of the various members or groups of members are reflected in draft texts that form the basis of negotiations, (b) appointment of the Chairpersons of working groups is made by a decision of all WTO members; (c) all WTO members are informed of all meetings and are entitled to participate in them, and (d) issues of importance, including consideration of a proposal to extend the length of the Conference, should be put before all WTO Members for a decision".


(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Rob Bleijerveld.)