Hoe kan het dat de globaliseringsbeweging in Nederland zo moeilijk van de grond komt in vergelijking met andere landen? Over deze vraag hebben talloze activisten en publicisten zich al het hoofd gebogen, zonder een bevredigende verklaring te hebben gevonden. In het vlugschrift 'Protestbewegingen' doet Dirk Kloosterboer een nieuwe poging.

Image(uit Ravage #2, 4 februari 2005.)

Kloosterboer vermoedt, zoals velen, dat de oorzaak van het ontbreken van een globaliseringsbeweging in Nederland grotendeels moet worden gezocht in het poldermodel. De vakbonden en grote NGO's hebben zich een plaats verworven aan de onderhandelingstafel en willen deze niet in gevaar brengen door zich te compromitteren aan de vaak confronterende acties van de globaliseringsbeweging. Pas sinds deze beweging in het Noorden haar confronterende karakter verloor n mede gedwongen door het gewelddadige optreden van autoriteiten - durven grotere organisaties als de vakbonden en de Novib zich met deze beweging te verbinden.
Zo namen zij samen met platform Keert het Tij en Milieudefensie het initiatief tot het Nederlands Sociaal Forum eind vorig jaar en ziet Novib zich voortaan graag als boegbeeld van de globaliseringsbeweging. Dit tot onvrede van de meer radicale groepen die al tien jaar actief strijden tegen de macht van multinationale ondernemingen en internationale instellingen als EU, WTO en IMF.
Tijdens hun vaak confronterende acties en campagnes kregen zij zelden de steun van vakbonden en NGO's als de Novib. Nu 'globalisering' op de politieke agenda staat hebben 'de grote clubs' opeens het hoogste woord, zo luidt de kritiek van radicale zijde, en niet onterecht. De vakbonden en NGO's daarentegen zullen aanvoeren dat zij achter de schermen al die jaren het nodige lobbywerk hebben verricht en aan de onderhandelingstafel veel hebben bereikt.

Acties werken
Uit een recent gepubliceerd onderzoek van de socioloog Jon Agnone blijkt echter dat je met confronterende acties veel meer bereikt. Hij onderzocht hoe de wetgeving op het gebied van milieubescherming tussen 1960 en 1994 in de VS tot stand kwam en concludeert dat acties als blokkades, boycots en manifestaties rond bepaalde thema's aantoonbaar hielpen om maatregelen er door gedrukt te krijgen. Uitgebreide lobbycampagnes hadden daarentegen geen enkel effect.
Kloosterboer komt ten dele tot dezelfde conclusie, maar is wat genuanceerder. De impact van protesten is het grootst als ze een 'ontwrichtende werking' hebben. De kraakbeweging bijvoorbeeld heeft in Nederland mede door haar confronterende aanpak veel bereikt. Toch vindt Kloosterboer niet dat de vakbeweging er verkeerd aan heeft gedaan om actief deel te nemen aan de overlegeconomie. In vergelijking met ons omringende landen zijn de inkomensverschillen in ons land relatief klein en de afgelopen jaren relatief minder gestegen. Ook de werkloosheid is hier relatief gering.
Maar, zo onderkent hij, onderhandelen heeft alleen zin als je een pressiemiddel in handen hebt. Zo wist de kraakbeweging, die ook niet vies was van incidentele onderhandelingen, in haar hoogtijdagen een goede rel te trappen als de overheid niet aan haar wensen voldeed. Bovendien beschikte ze door haar netwerk van panden, actiegroepen en sociaal-culturele ruimtes over de nodige eigen (financiële) middelen.
Ook de vakbeweging heeft altijd het stakingsmiddel achter de hand en kan daarom aan de onderhandelingstafel een vuist maken. Uiteraard kun je erover twisten of zij niet vaker naar dit stakingsmiddel had moeten grijpen, met name voor doelen die het loonzakje te boven gaan.
Kloosterboer, zelf beleidsmedewerker bij de FNV, vindt het dan ook niet zo heel erg dat het kabinet Balkenende de confrontatie zoekt met de vakbonden en andere sociale bewegingen. Hierdoor wordt de vakbeweging weer gedwongen actie te voeren en dan blijkt dat ze nog steeds een groot aantal mensen op de been weet te krijgen. Lastiger is de situatie voor bijvoorbeeld migrantenorganisaties. Die zijn grotendeels met subsidie van en door de overheid opgericht en zijn dientengevolge elke confrontatie tot nu toe uit de weg gegaan. Nu de overheid de subsidiekraan dichtdraait, hebben zij nauwelijks middelen om op terug te vallen.

Lessen
Verklaart dit waarom we in Nederland geen noemenswaardige globaliseringsbeweging hebben? Nee dat niet, maar uit Kloosterboers handzame en nuttige boekje zijn meer wijze lessen te trekken. Mensen doen mee aan protestacties als ze een situatie als onrechtvaardig beschouwen en het vertrouwen hebben dat het protest iets uithaalt.
Daarnaast zijn er netwerken nodig om mensen te mobiliseren, netwerken waar de radicalere groepen in Nederland niet (meer) over beschikken. Organisaties als de vakbonden daarentegen weer wel, maar die mobiliseren nu eenmaal niet voor protesten tegen de neo-liberale globalisering zodat er in Nederland weinig actie op dit gebied werd en wordt gevoerd.
Dit in tegenstelling tot de VS waar de vakcentrale AFL-CIO samen met de globaliseringsbeweging en migrantenorganisaties de straat op ging. Niet onder een gemeenschappelijke noemer, zoals platform Keer het Tij graag wil, maar allemaal met hun eigen verhaal en op hun eigen manier. De confronterende maar ook ludieke acties van de radicalere groepen en de massale demonstraties van de vakbonden vulden elkaar prima aan.
Een soortgelijke coalitie tussen radicale groepen, NGO's en vakbonden zorgde in de jaren tachtig in Nederland ook voor een vruchtbare strijd tegen kernwapens en, zei het in mindere mate, kernenergie. Misschien dat het er ooit weer van komt...

Dirk Kloosterboer, Vlugschrift 17: 'Protestbewegingen, Wie doet eraan mee en wanneer hebben ze effect'. Uitgeverij Papieren Tijger, Breda. 80 pagina's, ISBN 90 6728 177 8, Prijs e.10,-


(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Freek Kallenberg/Ravage.)