Het referendum van 1 juni is het sluitstuk van een kwart eeuw gekonkelfoes van de politieke elite in Nederland inzake de Europese eenwording. Wat ooit begon als een lofwaardige actie om nieuwe oorlogen in Europa te voorkomen, is nu ontaard in een nauwelijks verhulde campagne voor meer marktwerking en internationale expansie van het bedrijfsleven.

Aanvankelijk deden de protagonisten van het grondwettelijk verdrag nog hun best om de burger wijs te maken dat het om zijn belang ging, maar sinds die burger zich niet zo maar liet paaien werd het oogkleppen op en volle kracht vooruit. Het beeld van de geachte staatssecretaris voor Europese zaken, op 27 april kronkelend onder het spervuur van vragen van Barend, Mulder en Van Dorp, zal vele kijkers nog lang heugen.

Het zwaartepunt van genoemd verdrag, doorgaans Grondwet voor Europa genoemd, ligt ontegenzeggelijk in deel III, onder de titel Beleid en werking van de Unie. Daarin wordt het financieel-economische beleid van de afgelopen jaren geëtaleerd, tot in de kleinste details. De protocollen alleen al beslaan 200 bladzijden. Gezien de oorsprong van de Unie, het streven naar een gemeenschappelijke markt, is dat niet zo vreemd. Wel verwonderlijk is dat dit alles nu de status van grondwet krijgt. Nota bene de oud-voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors merkte al ruim een jaar geleden, in een vraaggesprek met Thierry Guerrier, op dat een beleid dat van dag tot dag wordt uitgevoerd niet in een grondwet thuishoort.
Je kunt van mening verschillen over wat een grondwet is, maar de minimale eis is toch wel dat ze een aantal uitgangspunten en beginselen onder woorden brengt waarover in de loop van een langere tijd brede maatschappelijke overeenstemming is ontstaan. Je hoeft onze eigen, Nederlandse, grondwet er maar op na te slaan om je daarvan te vergewissen. Een tweede, internationaal gezien niet ongebruikelijke, eis is dat een grondwet de opeenvolgende overheden van een land contractueel verplicht bepaalde rechten en wensen van hun onderdanen te onderschrijven en daarnaar te handelen. Ten aanzien van beide eisen schiet dit verdrag ernstig tekort.

Kun je anno 2005, slechts vijftien jaar na het einde van de Koude Oorlog, zo maar zeggen dat de dogmas van het marktfundamentalisme algemeen gedragen worden door de bevolking van 25 landen in Europa? Vrije en volledige concurrentie tussen landen, mensen en groepen, ongehinderd internationaal kapitaalverkeer, privatisering, groeidwang en ga zo maar door. Willen we onszelf voor onbepaalde tijd daarop vastpinnen, nu de grenzen van ons uiterst verkwistende en vaak ronduit destructieve ontwikkelingsmodel steeds scherper zichtbaar worden? Wat dat betreft lijkt deze zogenaamde grondwet eerder op een geloofsbelijdenis, waarin de Markt wordt verheven tot medicijn voor alle kwalen en noodzakelijke voorwaarde voor alle mogelijke doelen. Alsof de wereld sinds de dagen van Adam Smith en David Ricardo stil is blijven staan.

Als verklaring van de rechten van de rechten van de burger voegt het verdrag nauwelijks iets toe aan wat al is vastgelegd in de grondwetten van de afzonderlijke lidstaten en de bestaande internationale verdragen over mensenrechten. Integendeel. Het geeft op zich al te denken dat, in de Preambule, de (grotendeels niet gekozen) staatshoofden van de lidstaten ons deze grondwet aanbieden als een geschenk, waarover zij het in hun goedertierenheid eens geworden zijn. Verder is de rechtshandhaving uiterst dubieus gezien de nu al structurele ondercapaciteit en overbelasting van het Europese Hof en nog bedenkelijker zijn de heimelijke weglatingen en toevoegingen in de tekst.

Het bekendste, herhaaldelijk terugkerende, voorbeeld van dit laatste zijn de woorden recht op toegang tot, waarmee de Unie de verplichting zelf bepaalde grondrechten te realiseren uit de weg gaat. Het is niet toevallig dat deze afzwakking vooral betrekking heeft op sociaal-economische grondrechten. Respect voor het dogma van de vrije en onvervalste mededinging (art. I-3) brengt natuurlijk met zich mee dat je de dure welvaartsstaat op de helling zet. De dienstenrichtlijn, waaraan de naam Bolkestein verbonden is en waarover de afgelopen maanden ook in Nederland de nodige opschudding is ontstaan, is slechts een voorproefje van wat ons nog te wachten staat.

Een wetsvoorstel dat zoveel onduidelijkheid en onzekerheid oproept, zou door elke zichzelf respecterende regering allang zijn ingetrokken. Als je nagaat wat er op nationaal niveau allemaal aan te pas moet komen om een grondwet in te voeren of te wijzigen, dan wekt de manier waarop dit verdrag geregeld wordt op zich al argwaan. Nu de politieke elite, in Nederland en elders, zichzelf - tegen alle argumenten in - alsmaar herhaalt en dit verdrag blijft verdedigen, begint het erop te lijken dat het eigenlijk gaat om een krachtmeting tussen haar en het electoraat. In het typisch masculiene politieke wereldje is gezichtsverlies natuurlijk pijnlijk, maar als de dames en heren werkelijk Europa zo lief hebben of als ze zich oprecht druk maken over het democratisch tekort, zouden ze dat er toch voor over moeten hebben.

Theo Ruyter
(bestuurslid van Attac-Nederland)

25-5-2005

(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door
Theo Ruyter.)