In het recente Kleintje Muurkrant (nr. 422) las ik net de Konfrontatie-opinie van Wendela de Vries terug over hét politieke thema in opkomst, de klimaatverandering. Op dezelfde pagina van Kleintje een kritiek op de professionalisering van de ontwikkelingshulp in de bespreking van het boek 'Weldoeners of de liefdadigheidsmaffia' van Els Groen. Deze combinatie deed me denken aan de manier waarop de Nederlandse ontwikkelingspolitiek klimaatverandering heeft opgepakt.

 

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft al tien jaar geleden het 'Netherlands Climate Assistance Programmme' opgezet om bepaalde ontwikkelingslanden te helpen hun verplichtingen uit het Kyoto klimaatverdrag (Framework Convention on Climate change) na te leven. Inmiddels wordt het door de internationale ontwikkelingshulporganisatie ETC beheerd en richt zich meer op de gevolgen van de aankomende klimaatverandering. Afgelopen maart verscheen het rapport 'Poverty Reduction at Risk - Managing the Impacts of Climate Change on Poverty Alleviation Activities'. Het bevestigt dat de klimaatveranderingen een serieuze bedreiging van de inspanningen voor het bereiken van de millenniumdoelen zijn en doet voorstellen voor het beleid van het Ministerie voor Internationale Samenwerking, voor NGO's in de ontwikkelingshulp en voor onderzoeksinstellingen. Het rapport benadrukt dat alle inspanningen om armoede terug te dringen systematisch rekening moeten houden met de dreigende klimaatverandering.

Dat lijkt me wel verstandig en voor de hand liggend en het zou me verbazen als Internationale Samenwerking en de NGO's hun werk al niet zodanig aanpakken. Was er niet nog een bestuurlijk addertje onder het gras van de aanbevelingen? Als projecten rekening houden met klimaatverandering om duurzamer te worden, worden ze meestal natuurlijk ook duurder. Deze aanvullende kosten zouden niet ten laste moeten komen van Internationale Samenwerking maar zouden betaald moeten worden uit een aan 't klimaat gerelateerde pot. Om uit deze pot te putten moeten de klimaatgerelateerde kosten nauwkeurig bepaald en geanalyseerd worden, bij voorkeur in een soort Stern-rapport (Economics of Climate Change).

Zulke klimaat prijskaartjes voor elk project zijn boekhoudkundig misschien nuttig, maar politiek funest. Want deze klimaat prijskaartjes voeren het principe van Carbon Trading in de ontwikkelingssamenwerking in. Bij Carbon Trading wordt nu steeds gekeken naar waar het beschikbare geld de grootste CO2 vermindering oplevert, om de schaarse middelen zo effectief mogelijk te kunnen besteden. Dezelfde logica in de armoedebestrijding toepassen betekent ontwikkelingsprojecten te prefereren, waar het klimaatprijskaartje relatief goedkoop is en veel waar voor je geld biedt. In Wendela's en Els' woorden is dat wellicht bedrijfskundig en meteorologisch professionaliserende ontwikkelingshulp.

Voor ontwikkelingslanden krijgt de aandacht voor het klimaat op deze manier er nog een vervelende werking bij. Nu al liggen succesvolle projecten voor ecologisch verantwoord toerisme en export van landbouwproducten -eerder opgebouwd met Europese hulp- sinds kort plotseling onder vuur van klimaatbeschermende anti-globalisten en politici uit Europa, die voor lokaal verbouwd voedsel en vakanties in eigen land pleiten om het vliegverkeer te verminderen. Met de smoes van klimaatverandering worden ondernemingen gericht op de koopkracht van Europese consumenten weer teruggedrongen, waardoor uiteindelijk de economie der ontwikkelingslanden moet betalen voor de Europese groene politiek. En dit terwijl de gesubsidieerde transcontinentale Europese voedselexport onverminderd doorgaat. In de toekomst komt er misschien nog bij, dat economische ontwikkeling slechts nog in klimaatveilige gebieden en CO2 neutraal wordt ondersteund, terwijl Europa zelf doorgroeit en haar Kyoto doelstellingen duidelijk mis loopt. Ook bij het klimaat blijft het meten met machtsafhankelijke maten.
Jochen Dindorf 2007-04-25