Dit essay heeft een bijzondere achtergrond. Het behandelt een in 2004 geschreven artikel van Andrej Grubacic en David Graeber: ‘Anarchisme, de revolutionaire beweging van de eenentwintigste eeuw.’ Ik wilde het aanvankelijk schrijven in de zomer van 2020. In september van dat jaar, stierf David Graeber. Dat nieuws kwam voor mij en vele anderen als een schok. Dit essay veranderde van een poging om een artikel van twee belangrijke anarchistische auteurs te behandelen, in een eerbetoon aan een van hen. Ik weet hoe fijn David Graeber het vond om kwesties die hem dierbaar waren te bespreken. We kwamen voor het eerst met elkaar in contact toen ik zijn veelgelezen essay ‘The New Anarchists’ in het Duits vertaalde.

(Door Gabriel Kuhn, in het Engels verschenen op counterpunch, Nederlandse vertaling Tijn van Beurden/globalinfo.nl, foto Amy Groark: muurschildering in Bristol, CC2.0/Flickr)

Het artikel  ‘Anarchisme, de revolutionaire beweging van de eenentwintigste eeuw’, dat door ZNet online werd gepubliceerd, drukte het anarchistische optimisme van die tijd heel goed uit. Samen met ‘The New Anarchists’ inspireerde het een hele activistische generatie. Grubacic en  Graeber sloten hun artikel af met de stelling dat ‘de anarchistische eeuw nog maar net was begonnen.’ Over die belofte heb ik sindsdien veel nagedacht. Nu we in de jaren twintig zijn aangekomen, kunnen we ons afvragen in hoeverre die stelling nog stand houdt.

De kern van Grubacic en Graeber’s betoog was dat ‘de mondiale revolutionaire beweging in de eenentwintigste eeuw minder gestoeld zal zijn op de Marxistische traditie, of zelfs de socialistische in engere zin, maar op de anarchistische.’  Marxistische methodieken om de wereld te verbeteren blijken in diskrediet geraakt, terwijl ‘anarchistische ideeën en principes nieuwe radicale dromen en visies genereren.’ Volgens Grubacic en Graeber ging de revolutionaire methode ‘niet om het grijpen van de staatsmacht, maar om het blootleggen, ter discussie stellen en ontmantelen van staatsmechanismes, en tegelijkertijd steeds grotere autonome ruimtes en participatieve structuren creëren.’

Om revolutie op te vatten als een proces dat de staat uitholt in plaats van aanvalt, is op zich niet kenmerkend voor de anarchistische beweging. De historische figuur die dit het sterkste vertegenwoordigde is Gustav Landauer. Die stelde voor om een anarchistische samenleving te bouwen op basis van autonome communes en coöperatieven. Om eenvoudigweg de staat aan te vallen was een verloren zaak. Landauer staat bekend om zijn citaat over de staat als een ‘sociale relatie’. Dit citaat is opgenomen in zijn volgende beschrijving: ‘Een tafel kunnen we omgooien, en ruiten ingooien. Maar, zij die geloven dat de staat ook een ding of fetisj is dat zich laat om- en ingooien, zijn sofisten en gelovigen in het Woord. De staat is een sociale relatie; een bepaalde manier waarop mensen met elkaar in verband staan. Die kan worden vernietigd door nieuwe sociale relaties te scheppen; doordat bijvoorbeeld mensen op een andere manier met elkaar omgaan.’

Dit is een mooi idee. Maar is het haalbaar? Autonome communes en coöperatieven kwamen en gingen minsten 150 jaar lang, zonder dat ze de staat substantieel bedreigden. Zodra ze te lastig werden, zijn ze op de een of andere manier geïntegreerd of eenvoudigweg weggevaagd. In 2004

leken Grubacic en Graeber te geloven dat de ‘beweging der bewegingen’ - waar ze voor hun gevoel als actieve participanten bijhoorden - sterk genoeg zou zijn om een revolutionaire politiek op een Landaueriaanse manier mogelijk te maken. De ‘basis principes’ die Grubacic en Graeber voor de beweging der bewegingen vaststelden waren ‘decentralisatie, vrijwillige samenwerking, wederzijdse hulp, het netwerkmodel, en vooral, de verwerping van het idee dat het doel de middelen heiligt, laat staan dat het de taak is van revolutionairen om de staatsmacht te grijpen om daarna te beginnen met het opleggen van hun visie via geweerlopen.’

Men zou kunnen stellen dat die basis principes springlevend zijn in sociale bewegingen. Ze kenmerkten niet alleen Occupy Wall Street (waarin David Graeber een invloedrijke figuur was, maar zeker geen ‘leider’) en ook de talrijke gelijksoortige opstanden in 2011, maar ze kwamen ook tot uiting in de huidige protest bewegingen zoals Fridays for Future and Black Lives Matter.

Veel van de huidige activisten zullen het wel eens zijn met wat David Graeber stelde in ‘The New York Anarchist’ over de betekenis van politiek engagement. Dat ging volgens hem om ‘het creëren van horizontale netwerken in plaats van top-down structuren zoals staten, partijen of ondernemingen; netwerken gebaseerd op de principes van gedecentraliseerde, niet-hiërarchische consensus democratie.’ Dogmatische linkse stromingen zijn allesbehalve verdwenen. De term ‘Stalinist’ wordt nog wel gehanteerd in sektarische conflicten, maar echte stalinisten zijn zeldzaam.

De vraag is natuurlijk, of die activisten-principes ons dichter bij een betere (anarchistische) samenleving hebben gebracht. Sociale bewegingen bleven bestaan en namen zelfs toe recentelijk. Er was vooruitgang in veel landen met betrekking tot de rechten van LGBTQ- personen, raciale en seksuele onderdrukking, en economische onrechtvaardigheid. Maar het algemene beeld is verre van bemoedigend. Neoliberalisme is oppermachtig;  monopoliekapitalisme verstevigt haar greep; de kloof tussen rijk en arm neemt toe; controle overtreft Orwelliaanse niveaus; fascisme steekt zijn lelijke kop op; en de wereld staat aan de rand van een ecologische ineenstorting. Sociale bewegingen die radicale veranderingen willen, worden vaak gebruikt door reactionairen in plaats van progressieven. Als links al vooruitgang zou hebben geboekt, dan is het in de vorm van socialistisch populisme, dat schermt met de mogelijkheid van een nieuwe sociale welvaartsstaat. Anarchie? Nauwelijks.

Wat men onder revolutie verstaat is daarbij belangrijk. In ‘Anarchisme, de revolutionaire beweging van de eenentwintigste eeuw’, verstaan Grubacic en Graeber onder revolutie niet iets als ‘een groot apocalyptisch moment, zoals de bestorming van een mondiaal equivalent van het Winterpaleis’, maar als ‘een heel lang proces dat al tijdens het grootste deel van de menselijke geschiedenis aan de gang is.’ Dat klinkt mooi, tot men zich afvraagt of het werkelijk zinvol is om van revolutie te spreken. Is het niet eerder een beschrijving van ‘evolutie’, waarvan reformisme de praktische politieke uiting is? Dit is op zichzelf geen kritiek. Als het inderdaad mogelijk is om vooruitgang te bereiken zonder apocalyptische gebeurtenissen, dan zouden we gek zijn om ze te veroorzaken. Het riskeren van onrust en bloedvergieten alleen maar voor het bevredigen van een radicaal eigenbeeld is een revolutionaire politiek op zijn slechtst.

Maar, boeken we vooruitgang? Sinds ‘Anarchisme, de revolutionaire beweging van de eenentwintigste eeuw’ werd gepubliceerd, kreeg de beweging der bewegingen, waarop Grubacic en Graeber hun revolutionaire hoop hadden gevestigd, stevige kritiek van voormalige aanhangers. De aanval die J. Moufawad-Paul op ‘movementism’ (*) lanceerde in zijn boek ‘De communistische noodzaak’ uit 2014, is daarvan een voorbeeld. Hij beschrijft ‘movementism’ als ‘de veronderstelling dat specifieke sociale bewegingen, die soms zijn verdeeld in identiteits- of belangengroepen, een kritische massa zouden kunnen bereiken en samen, zonder iets van al die Leninistische onzin, het kapitalisme beëindigen.’ In zijn ogen is het idee dat deze bewegingen ‘door enkele onverklaarbare mechanismes van combineren (…) op een gegeven moment in de verre toekomst, een revolutionaire kritische massa bereiken’, zinloos.

Ik ben het niet eens met de oplossingen die Moufawad-Paul, die is aangesloten bij de Maoïstische Revolutionaire Communistische Partij van Canada, voorstelt, zoals ik al in een bespreking van 'De communistische noodzaak’ getiteld ‘Zapatistas vs. the Shining Path’ aangaf. Maar zijn kritiek op ‘movementism’, dat hij associeert met ‘normatief anarchisme’ (in feite een onkritische acceptatie van de beginselen die Grubacic en Graeber opstelden) slaat de spijker op de kop.

Over het geheel genomen is de historische invloed van anarchisme veel groter dan dikwijls wordt aangenomen, zelfs door anarchisten zelf. Evolutionair gezien zelfs aanzienlijk. De achturige werkdag, vrije meningsuiting, antiautoritaire pedagogie, LGBTQ-vrijheid, antimilitarisme, veganisme -er was een tijd dat anarchisten in de voorhoede stonden van al die gevechten. Maar de veranderingen die ze mede teweegbrachten waren meestal hervormingen in het kapitalistische systeem. Er waren tijden dat anarchisme een grotere invloed had op de maatschappij, maar dat was allemaal in de context van oorlog, en geen daarvan duurde langer dan enkele jaren. De reformistische erfenis van anarchisme is sterk, maar de revolutionaire zwak.

Anarchisten wijten hun mislukkingen dikwijls aan de meedogenloze kapitalisten en hun vrienden, of aan achterbakse marxisten. Beide verklaringen bevatten een kern van waarheid, maar ze volstaan niet om de zwakke revolutionaire staat van  dienst van de anarchisten te verklaren. Een belangrijke factor is dat anarchisten, om goede redenen, weigeren een rol op zich te nemen die revolutionaire gebeurtenissen dikwijls eisen. In een artikel van 1872 schreef Friedrich Engels over zijn anarchistische tijdgenoten: ‘Hebben deze gentlemen ooit een revolutie gezien? Een revolutie is zeker de meest autoritaire zaak die bestaat; het is een daad waarbij een deel van de bevolking haar wil oplegt aan een ander deel met geweren, bajonetten en kanonnen, allemaal uiterst autoritaire middelen.’ Een anarchist kan zulke opvattingen van revolutie niet onderschrijven zonder op te houden een anarchist te zijn. Maar een anarchist kan het concept van revolutie ook weer niet ontdoen van alle revolutionaire inhoud, zonder op te houden een revolutionair te zijn. Als anarchisten revolutionair willen zijn, moeten ze modellen presenteren die verschillen van de Leninistische, maar substantiëler zijn dan de hoop op een of andere vorm van historische magie. (In mijn essay ‘Revolutie is meer dan een Woord: 23 stellingen over anarchisme’, behandel ik dit uitgebreid). Ik denk niet dat revoluties ‘apocalyptische momenten’ hoeven te zijn. Ook vind ik dat er een radicale transformatie van de samenleving kan komen zonder belangrijke breuken. Die zullen ons niet onmiddellijk gerechtigheid en vrijheid brengen, maar ze kunnen de politieke arena drastisch wijzigen en vensters openen voor mogelijkheden.

Het is merkwaardig dat anarchisten, inclusief velen van de beweging der bewegingen generatie, in het afgelopen decennium de ontwikkelingen in Koerdistan met groot enthousiasme volgde. De Koerdische vrijheidsbeweging vecht niet langer voor een onafhankelijke natie, maar voor ‘democratisch confederalisme’. Er is veel ophef geweest over de invloed van Murray Bookchin op Abdullah Öcalan, het raden systeem en de kritiek op het patriarchaat. Toch blijft de Koerdische bevrijdingsbeweging zich houden aan concepten die de ‘movementist’ anarchisten dachten niet nodig te hebben: partijen, kader, strategie, en grote theorieën. Ik denk niet dat dit toevallig is.

Leven we echt in de anarchistische eeuw? Daar ben ik niet zo zeker van. De impact die  antiautoritaire ideeën hebben gehad op sociale bewegingen is allesbehalve negatief. Daardoor zijn de sociale bewegingen diverser en creatiever geworden, het faciliteerde het aanvechten van interne machtsstructuren, en het benadrukte het belang van zelfbeschikking. Maar er zijn redenen waarom veel politici die deze elementen omarmen, geen aanhanger van het anarchisme zijn. Die kunnen van culturele of ideologische aard zijn. Ik ben er zeker van dat er genoeg academische argumenten zijn voor de stelling dat de politiek van die actoren toch anarchistisch genoemd zou kunnen worden, maar dat is een zinloze oefening. Analytische categorisering zou kunnen, maar die is politiek irrelevant. De politieke kracht van een term komt van zijn toepassing. Geen gebruikers, geen sterkte.

De zelfverklaarde anarchisten en anarchistische organisaties blijven belangrijk. Anarchistische ideeën moeten worden onderhouden, gevoed, en aangescherpt. Revolutionaire bewegingen en gemeenschappen buiten de staat en kapitaal zullen ervan profiteren. Anarchisten zullen naar alle waarschijnlijkheid in de nabije toekomst en ook daarna geen revolutie leiden, gelet op de impliciete paradox in het idee zelf. Maar als betrouwbare en toegewijde metgezellen van andere progressieve revolutionairen, kunnen ze een cruciale rol spelen. De eenentwintigste eeuw biedt ons nog tachtig jaar. Dat is genoeg tijd om zaken te verbeteren, anarchist of niet.

----------------

De van oorsprong Oostenrijkse Gabriel Kuhn is schrijver en vertaler en woont in Zweden. Zijn laatste boek is Liberating Sápmi: Indigenous Resistance in Europe’s Far North (2020).  
Andrej Grubacic heeft een kort antwoord geschreven op het stuk van Kuhn

*) 'Movementism' laat zich moeilijk vertalen; bedoeld wordt een strategie gevestigd op het opbouwen van horizontale bewegingen, in plaats van autoritaire partijen.