Deze tekst heeft het over strategie, maar strategie kan niet los gezien worden van personen en hun achtergrond en activiteiten. SYRIZA is altijd een moeilijk samenwerkingsverband geweest van groepen met veel verschillende politieke overtuigingen, maar sinds het aan de macht kwam in januari 2015 tot aan de capitulatie zeven maanden later vond er een heftige strijd plaats tussen de twee belangrijkste fracties.

(Door Will Denayer (*) Verschenen op 24 mei 2016 op Flassbeck economics international Nederlandse vertaling en verklarende noten door Ander Europa, 23 augustus 2016, foto Marc Lozano CC/Flickr)

Enerzijds was er de heterogene linkerzijde die de verkiezingsbelofte (het Thessaloniki-programma) wilde realiseren: een punt achter het soberheidsbeleid, onderhandelingen over schuldkwijtschelding en het verlaten van de eurozone in het geval de Trojka het land naar de afgrond wou drijven. Anderzijds was er de leiding van SYRIZA, die ook een einde wou aan het soberheidsbeleid, maar onder geen beding de eurozone wou verlaten.

Volgens Lapavitsas (*1) overtuigde de leiding van SYRIZA er zichzelf van dat ze door de verwerping van een nieuwe noodlening (‘bailout’) de Europese leningverstrekkers aan het wankelen zou brengen bij het vooruitzicht op financiële en politieke onrust. Het brein achter deze strategie was Yanis Varoufakis. Hij onderhandelde met de leningverstrekkers gedurende meer dan zes maanden. Maar Griekenland kon niet doeltreffend onderhandelen zonder een alternatief plan, waar een uittrede uit de eurozone deel van zou uitmaken. Zelf liquide middelen creëren was de enige manier om aan de wurggreep van de Trojka te ontkomen. Dat zou natuurlijk niet eenvoudig geweest zijn, maar het zou tenminste de mogelijkheid geboden hebben om het hoofd te bieden aan de catastrofale bailout-strategieën. Maar de leiding van SYRIZA wou daar niets van weten (zie hier)

“SYRIZA faalde”, schrijft Lapavitsas, “niet omdat het soberheidsbeleid onoverwinnelijk is, en ook niet omdat radicale verandering onmogelijk is, maar omdat ze op rampzalige wijze niet van plan en niet voorbereid was om het gevecht aan te gaan met de euro. Radicale verandering en het verwerpen van het soberheidsbeleid in Europa vereist een directe confrontatie met de monetaire unie zelf. Voor kleinere landen betekent dit zich voorbereiden op een exit, voor kernlanden houdt het in dat men zich schaart achter doorslaggevende veranderingen in het disfunctioneel monetair systeem” (zie hier en hier voor Lapavitsas’ visie op een Grexit).

Vandaag is Varoufakis er terug als de initiatiefnemer vanDiEM25 (‘ Democratie in Europa’). De voormalige Griekse minister van financiën geniet een grote geloofwaardigheid bij de Europese linkerzijde. Veel van deze geloofwaardigheid steunt op de mythe dat de SYRIZA-regering een heroïsche strijd voerde met de ondemocratische machten in Europa, die geen enkele blijk van economisch inzicht gaven noch van bekommernis met het lot van het Griekse volk, alleen maar van een schaamteloze minachting voor de democratie.

Hetzelfde verhaal wordt nu hernomen. In 2015 was er uiteindelijk ‘geen andere keuze’ voor de Griekse regering dan de voorwaarden van de Trojka te aanvaarden. Vandaag wil DiEM25 de instellingen van de EU hervormen. Opnieuw is er ‘geen andere keuze’. Strijd op het nationaal niveau is onmogelijk, links moet de krachten bundelen in heel Europa, en frontaal het gevecht aangaan met de EU. De bedoeling van DiEM25 is “de EU te democratiseren in de wetenschap dat de Unie anders zou desintegreren, tegen een verschrikkelijke prijs voor iedereen” (zie hier). Er blijven maar twee andere ‘vreselijke opties’ over: zich terugtrekken in de bij onderstelling achterhaalde ‘cocon van de natiestaat’ of ‘zich overgeven’ aan de Europese oligarchie. Het is de bedoeling van DiEM25 een “constitutionele vergadering bijeen te roepen waar Europeanen overleggen hoe ze tegen 2025 een volgroeide Europese democratie kunnen tot stand brengen, met een soeverein Parlement dat de nationale zelfbeschikking respecteert en de macht deelt met nationale en regionale parlementen en gemeenteraden” (zie hier). Zoals Varoufakis zelf toegeeft in The Independent is dit inderdaad ‘utopisch’. Maar, voegt hij er aan toe, “het is veel realistischer dan te proberen het systeem te houden zoals het is”, of “proberen het te verlaten”. Of je nu Grieks of Brits bent, ‘ontsnappen’ is onmogelijk (zie hier en hier). Doet dit geen belletje rinkelen?

Welke hervormingen?

De ‘supranationale democratie’ van DiEM25 zou berusten op een ‘beduidend versterkt Europees Parlement, die als enige het wetgevend initiatief zou hebben’, geflankeerd door ‘een volledig hervormde uitvoerende macht, met daarbij een direct verkozen Europese president’. Dit systeem zou er borg voor staan dat de Commissie een beleid zou voeren dat gebaseerd is op de wil van het volk. Alles moet berusten op de verkiezingsresultaten van nieuwe en werkelijk transnationale Europese partijen (zie hier en hier).

Let hierbij op het volgende. Vooreerst gaat dit voorstel uit van de bizarre veronderstelling dat er een causaal verband bestaat tussen versterking van het Parlement en politieke en ideologische verandering. Maar waarom zou dit het geval zijn? Zullen de Europeanen een linkser parlement verkiezen als de macht van deze instelling vergroot? Hoe moet deze versterking van het Europees Parlement tot stand komen? Het Parlement kan dat zelf niet, er is dus veel meer nodig. En waarom moet er begonnen worden bij het Parlement? Een dergelijke verandering kan er alleen komen als de machtsverhoudingen binnen de Commissie en de twee Raden veranderen. Want het vereist inderdaad een haast volledige herziening in globo van de Europese politieke instellingen. En dat kan alleen ten gevolge van veranderingen op het nationaal vlak. Waarom zou men dan beginnen bij het supranationaal niveau?

DiEM25 heeft een strategie (zo je wil) om politieke verandering tot stand te brengen. De nieuwe Europese supranationale democratie moet hand in hand gaan met de creatie van een ‘post-nationaal of supranationaal electoraat’. Maar hoe zou dat functioneren? Zoals Thomas Fazi (2) terecht opmerkt is het duidelijk dat voor de grote meerderheid van de gewone Europese burgers taalbarrières en culturele verschillen een beletsel vormen voor politieke deelname op een supranationaal niveau (zie hier). Dit lijkt elementair, maar het is belangrijk genoeg. Waarom moeten er dergelijke partijen zijn? Wat kunnen ze bereiken dat andere niet kunnen bereiken? Het is helemaal niet duidelijk dat dit een vooruitgang zou betekenen.

Het tegendeel is waar. Verdere integratie, zelfs gekoppeld aan een versterking van het Parlement, is niet hetzelfde als meer controle door het volk. Varoufakis onderstelt naïef weg dat een versterkte versie van het Europees Parlement zou volstaan voor echte democratische controle op de beslissingen van de Unie. Zoals Fazi terecht stelt gaat dit volledig voorbij aan de kwestie van de greep van de oligarchie (zie hier). Onderzoek toont systematisch aan dat problemen die verband houden met lobbying verergeren op het supranationaal niveau. Transfer van soevereiniteit naar internationale instellingen draagt bij tot een verzwakking van de controle door het volk. Deze instellingen bevinden zich over het algemeen fysisch, cultureel en op taalvlak verder van het algemeen publiek dan nationale instellingen. En dat leidt tot een sterkere greep van de oligarchie op de macht (zie hier).

In de Europese Unie zijn er twee bronnen van democratische legitimiteit: het Europees Parlement, direct verkozen door het volk, en de Raad van de Europese Unie (de raad van ministers) samen met de Europese Raad (de staats-en regeringsleiders). De Europese Commissie wordt aangesteld door beide lichamen. Men kan veel negatiefs zeggen, en terecht, over het Europees Parlement, maar de waarheid is ook dat het nauwelijks verschilt van de nationale parlementen. In theorie hebben de leden van de nationale parlementen de macht om wetgeving voor te stellen. Dat is niet het geval in het Europees Parlement, dat alleen maar amendementen kan indienen die de Commissie vervolgens kan aanvaarden of verwerpen. Maar in de nationale parlementen wordt gemiddeld minder dan 15% van de wetsvoorstellen van individuele parlementsleden ook effectief wet (zie hier). Heel weinig of geen parlementsleden zullen ooit wetsvoorstellen doen die niet vooraf goedgekeurd werden door hun partij en/of het resultaat zijn van voorafgaande onderhandelingen met coalitiepartners. Het is juist dat het Europees Parlement niet functioneert als een echt parlement zou moeten functioneren, maar dat is ook niet het geval voor de meeste van de nationale parlementen. Dat betekent ook dat de strijd voor ‘democratie in Europa’ gestreden moet worden op het nationaal niveau. De ondemocratische ziekte zit niet alleen in de Europese instellingen, ze zit in heel Europa.

De instellingen van de EU zijn een lege doos als de nationale regeringen niet achter het Europees beleid staan. Stemmingen in de Raad gebeuren ofwel met gekwalificeerde meerderheid of met unanimiteit. Al deze beslissingen worden genomen door nationale politici of nationale vertegenwoordigers. Hetzelfde geldt voor de directie van de Europese Centrale Bank (ECB). Deze heeft een voorzitter, een vice-voorzitter en vier andere leden. Al deze leden worden aangeduid door de Europese Raad. De beslissingen van de ECB worden gemaakt door deze zes leden plus de gouverneurs van de nationale banken van de 19 landen van de eurozone. De band met het nationale niveau is altijd duidelijk aanwezig.

De toestand is erger voor wat de Commissie betreft. De Commissie heeft een voorzitter die verkozen wordt door het Europees Parlement. Dat betekent heel weinig, want de laatste (en eerste) keer dat dit gebeurde kon alleen voor Juncker gestemd worden. De andere 27 commissarissen zijn onverkozen, wat betekent dat ze hun positie danken aan onderhandelingen tussen de nationale regeringen. Over de jaren werd het de gewoonte om wetgeving aan te nemen bij de eerste lezing (*3). Cruciale nieuwe economische beleidspakketten (Begrotingsverdrag, sixpack, twopack en Europees Semester) werden op een fundamenteel ondemocratische manier goedgekeurd. Dat is inderdaad zeer slecht en moet zeker veranderen, maar hoe verschillend is dat met het ontstaan van de wetgeving in de meeste nationale parlementen in Europa? Het soberheidsbeleid en de hervormingen worden in de parlementen besproken tot een minderheid er tegen stemt en de meerderheid ze goedkeurt, eventueel met een eenzame tegenstemmer in hun rangen. Er viel nog geen enkele regering in Europa ten gevolge van het invoeren van soberheidmaatregelen. Dat toont aan dat het probleem niet enkel gesitueerd is op het Europees niveau. Inderdaad, zonder de macabere obsessie met het ordoliberalisme (*4) monetarisme, competitiviteit, mercantilisme (*5) en ‘structurele hervormingen’ op het nationaal vlak zou de EU machteloos zijn om een dergelijke agenda door te drukken.

Terzelfdertijd werden, zoals Wolfgang Kowalsky (*6) schrijft, de ambities qua sociaal beleid in grote mate verlaagd naar de standaardopties van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), die zoals bekend lager zijn dan de huidige Europese minimumnormen (zie hier). Opnieuw, dat is slecht nieuws. Maar kijk wat er gebeurt op het nationaal vlak, in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, België of veel landen waar conservatieve regeringen (wat ook hun kleur moge zijn) een resem anti sociale wetten aan het invoeren zijn (of dat proberen te doen).

In plaats van de ‘gevelpolitiek’ (façadisme zoals Kowalsky het noemt), zoals het organiseren van een ‘jaar van de burger’, zijn er een hele reeks van initiatieven die de EU zou kunnen promoten als ze werkelijk geïnteresseerd was in democratie. Ze zou bijvoorbeeld kunnen zorgen voor democratie op de arbeidsplaats en streven naar industriële democratie, maar dat zijn termen die je nooit zult vinden in documenten van het Europees beleid, die van het Europees Parlement incluis. In plaats daarvan proberen de instellingen, ook het Europees Parlement, binnen te dringen in het domein van de nationale collectieve arbeidsovereenkomsten, door grenzen te stellen op de loonevolutie, duidelijk een strategie om de autonomie van de sociale partners onderuit te halen (zie hier). Maar opnieuw, dat gebeurt ook op een of andere manier in de meeste Europese landen, en bijgevolg is het opnieuw een strijd die op nationaal vlak moet gestreden worden, niet door transnationale partijen maar door sociaal-democratische en democratische linkse partijen.

Het TINA (there is no alternative) van de linkerzijde

Het TINA van DiEM25 is veel erger dan alleen de verkeerde analyse van de Europese instellingen en het verwaarlozen van de nationale krachtsverhoudingen. Dat is geen toeval. Het is het logisch gevolg van hun onderliggende diagnose van wat er verkeerd is met de wereld: indien naties machteloos zijn geworden door het feit van de globalisering, dan zou het inderdaad nonsens zijn om een politieke strijd te voeren op het niveau van de natiestaat. Dat is de thesis van DiEM25. Maar de natiestaat is niet machteloos geworden tegenover de globalisering.

Het gedachtegoed dat door DiEM25 en vele anderen naar voor geschoven wordt, is dat het model van politiek gebaseerd op de natiestaat ‘voorbijgestreefd’ is (Varoufakis). In Europa zouden de natiestaten ‘verantwoordelijkheid zonder macht’ gekregen hebben, terwijl het supranationaal niveau ‘macht zonder verantwoordelijkheid’ kreeg. De soevereiniteit van nationale parlementen zou opgeheven zijn. Vandaag zouden nationale verkiezingsmandaten door hun aard zelf onmogelijk kunnen nagekomen worden. Bijgevolg is de hervorming van de Europese instellingen (of meer precies, van het Europees Parlement) de enig overblijvende optie. Varoufakis is helemaal niet de enige die het zo bekijkt. Volgens Slavo Žižek (*7) is de les die links moet trekken uit de ‘SYRIZA episode’ dat het onmogelijk is het wereldkapitalisme te bestrijden in één enkel land. Volgens Žižek is de ‘nieuwe neo-keynesiaanse sociaal-democratische verleiding’ die momenteel opgang maakt in bepaalde kringen en erop gericht is de strijd aan te gaan op het niveau van de natiestaat slechts een rookscherm van verwarde pseudo-linksen die bezwijken voor nationalisme en populisme, en de bevolking willen wijsmaken dat ze het verschil kunnen uitmaken (zie hier). Dat is mooi verwoord, maar niet juist.

Waarom denken deze mensen dat, en waarom zijn ze er zo zeker van? Een aantal jaren geleden stelde Dani Rodrik zijn ‘politiek trilemma van de wereldeconomie’ voor (zie hier). In een context van ‘echte internationale economische integratie’ worden democratie, nationale soevereiniteit en globale economische integratie wederzijds incompatibel. Twee van de drie genoemde toestanden kunnen met elkaar gecombineerd worden, maar nooit alle drie volledig en terzelfdertijd. Wie meer globalisatie wil moet wat democratie of nationale soevereiniteit opgeven. Als een natie er bijvoorbeeld voor kiest zijn wisselkoers te koppelen en kapitaal vrij in en uit te laten stromen, dan kan ze haar intrestvoet niet zelfstandig vastleggen. Onder die omstandigheden krimpt de politieke draagwijdte van de natiestaat.

Rodrik’s trilemma is natuurlijk beroemd. Zoals Bill Mitchell (*8) terecht stelt, werd het wereldwijd met veel talent verkocht door alle politieke krachten. Dit gedachtegoed is enorm handig. Zeg aan de bevolking dat de natiestaat ‘afgedaan’ heeft en niet meer in staat is de volledige tewerkstelling (of pogingen in die richting) te garanderen en je pleit jezelf vrij van de verantwoordelijkheid om het zelfs maar te proberen. Hetzelfde geldt voor het soberheidsbeleid en al de rest. Als de natiestaat ‘afgedaan’ heeft is het nutteloos om er zich tegen te verzetten. De vraag of dit allemaal wel waar is wordt natuurlijk haast nooit gesteld: ‘iedereen’ schijnt het antwoord te kennen. Maar dat is niet wat Rodrik bedoelde. De titel van zijn artikel, ‘How far will international economic integration go?‘, wijst al in die richting. Ingaande tegen de conventionele opvatting schreef Rodrik dat internationale economische integratie niet ‘waar’ is, dat ze merkwaardig beperkt blijft, zelfs in onze ondersteld geglobaliseerde wereld. Het klopt dat Rodrik’s artikel dateert van 2000, maar de wereld is ondertussen niet zo enorm veel veranderd. Zoals Mitchell opmerkt zijn er nog steeds nationale grenzen. Er is wisselkoersonzekerheid niettegenstaande de toegenomen deregulering. Er zijn grote culturele en linguïstische verschillen die een volledige mobiliteit van de economische hulpbronnen over de grenzen heen belemmeren. Er is voorkeur voor de eigen omgeving in investeringsportefeuilles. Er is een sterke correlatie tussen het nationaal investeringsniveau en de nationale spaarquote. Kapitaalstromen tussen rijke en arme regio’s wijken aanzienlijk af van wat de theoretische modellen voorspellen. Er zijn nog sterke beperkingen op de internationale mobiliteit van de arbeidskracht (zie hier). De waarheid is dat we niet leven in een volledig geglobaliseerde wereld, ver van. Bijgevolg kunnen natiestaten hun eigen beleid volgen. Tot een dergelijk besluit komt iedereen die de zaken bestudeert (zie bijvoorbeeld de studie van Godar, Paetz en Truger over herverdelings- en groeibeleid op het nationaal vlak in de EU; zie ook dit literatuuroverzicht).

Er is geen evidentie voor de correctheid van DiEM’s TINA. Hun stelling dat het kapitaal volledig supranationaal werd en dat ‘wij’ de strijd naar ditzelfde supranationale niveau moeten overbrengen om een kans te maken, deze stelling is fout. Het ‘ongebonden’ kapitaal zal op het nationaal niveau bestreden worden, wat op zijn beurt tot internationale samenwerking zal leiden, of het zal niet bestreden worden. Als het waar was dat het kapitaal volledig ongebonden is, en de natiestaat ‘afgedaan’ heeft, waarom betalen dan Goldman-Sachs en zovele anderen miljoenen dollars aan Hillary Clinton voor speeches die geheim moeten blijven? Waarom pompen bedrijfslobby’s miljarden in de regelgevende organen van landen, waarom bloeien overal de think tanks en marketingbureaus, die geen andere bedoeling hebben dan de mening van de kiezers te beïnvloeden? Waarom is de bedrijfswereld er zo tuk op om de media binnen te doen en deze ideologisch te controleren? Is dat omdat de natiestaat ‘afgedaan’ heeft?

Bill Mitchell schreef het op zijn blog een tijdje geleden: “In werkelijkheid hebben politici nog steeds de wetgevende bevoegdheid om grensoverschrijdende economische activiteiten te beperken. (…) De eigenlijke uitdaging is niet de nationale soevereiniteit over te dragen aan een mythisch niveau van internationale economische integratie, maar om weerstand te bieden aan de ondergraving van het nationaal beleidsmakend proces door overdracht ervan aan een technocratie, en om erover te waken dat het kiessysteem niet gecorrumpeerd wordt door lobbygroepen die werken in het belang van specifieke kapitalistische elites.” (zie hier)

Waarom gebeurt dat dan niet? Men kan de rechterzijde van veel dingen beschuldigen, maar niet dat ze rechts is. Ze is wat ze is. Maar dat geldt niet voor links. Zoals Bill Mitchell schrijft:

“Het probleem is dat de dwaasheid van linkse politici de mythe heeft kunnen aan de man brengen dat de internationale economische integratie zo ver doorgedreven en onvermijdelijk is dat ze de traditionele progressieve doelstellingen moesten opgeven, en in de plaats daarvan de belangen van het kapitaal verdedigen. Wat hen onderscheidt in hun discours is de onwaarschijnlijke claim dat ze met deze beleidsoptie zullen zorgen voor rechtvaardiger resultaten” (zie hier).

Dit is in een notendop wat gebeurde in de laatste dertig jaar of zo. Het is niet de financialisering die de ruggengraat gebroken heeft van de sociaal-democratie (zoals Varoufakis recent verklaarde op de Nederlandse televisie), maar de misleidende ideologie dat er niet veel kan aan gedaan worden, structurele veranderingen onmogelijk zijn, dat politieke strijd op het niveau van een natiestaat tot het verleden behoort en dat het enige dat overblijft het neoliberaal beheer is van de Staat, met enkele ‘sociale correcties’ hier en daar, correcties die totaal onvoldoende zijn. Tenminste voor zover de sociaal-democratie, zoals New Labour onder Blair in het Verenigd Koninkrijk, de neoliberale ideologie over ‘profiteurs van de welvaartstaat’ etcetera niet volledig aanvaardde, en voor de armen en werklozen alles nog erger maakte dan het reeds was.

Het feit blijft dat landen die zelf hun munt uitgeven nog steeds hun eigen economisch beleid kunnen voeren, waaronder een beleid dat de volledige tewerkstelling als doel heeft. Dat is de échte  inzet. Het gaat niet over de democratisering van instellingen, het gaat niet over de nood aan een transnationale Europese politiek. Het gaat niet over vage ideeën zoals een maatschappijmodel dat in Varoufakis’ woorden ‘terzelfdertijd libertair, marxistisch en keynesiaans is’ (zie hier en hier). Wat we nodig hebben zijn linkse partijen die in staat zijn nationale verkiezingen te winnen.

Waarom de voorkeur geven aan het nationaal niveau?

Als DiEM25 wil strijden voor ‘democratischere EU-instellingen’, dat ze dat dan maar doen. Maar het belangrijkere gevecht zal plaatshebben op het nationaal niveau. Niets kan de Europese oligarchie meer pijn doen dan landen die de Europese Monetaire Unie verlaten (of dreigen dit te doen), een andere weg inslaan, terug groei kennen en het beter doen dan de disfunctionele ultra-neoliberale eurozone. Overal in Europa is het kapitaal scheidingslijnen aan het opzetten volgens fictieve etnische en culturele breuklijnen om zo haar verdeel-en-heersstrategie te kunnen verderzetten tegenover de werkende klasse. Links moet dit gevecht aangaan op elke mogelijke schaal. Internationalisme heeft nooit betekend dat men de nationale strijd opgeeft. Het tegengestelde is waar. Dit heeft absoluut niets te maken met nationalisme. Het gaat er niet over wat Engelsen of Duitsers kunnen doen omdat ze Engelsen of Duitsers zijn, het gaat erover dat de meeste vooruitgang kan geboekt worden op het nationale niveau. De Ieren behaalden de overwinning tegen de privatisering van het drinkwater. Daar was geen Europese strijd mee gemoeid. Op dat niveau is de privatisering van water waarschijnlijk onmogelijk tegen te houden. Maar de Ieren slaagden er wel in in eigen land. Het gaat dus simpelweg over een strategie om vooruitgang te boeken waar dat het best mogelijk is. Dat sluit de internationale solidariteit niet uit. Integendeel het is een voorwaarde opdat dergelijke solidariteit zou kunnen bestaan. We hebben nood aan authentieke sociaal-democratische partijen die de overwinning behalen bij nationale verkiezingen, linkse vertegenwoordigers sturen naar het Europees Parlement, linkse vertegenwoordigers naar de Raad en de Commissie, en keynesianen naar de ECB. De strijd voor investeringen, herstel en tegen het soberheidsbeleid en bedrijfslobby’s moet binnen in deze instellingen ingebracht worden. Hoe zouden transnationale politieke partijen dat kunnen bereiken? Het is op het nationaal (en lokaal) niveau dat mensen aansluiting vinden bij de politiek. Daar ligt hun grootste sterkte.

Dat is niet zoals Varoufakis de dingen ziet. In de Independent legde hij uit dat bijna acht jaar na het uitbreken van de financiële crisis de werkloosheid in de EU nog het crisisniveau haalt, tweemaal zo hoog als in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar een niveau bereikt wordt dat economisten beschouwen als ‘volledige tewerkstelling’. Maar om te beginnen gelooft niemand deze statistieken. In deze landen zijn er miljoenen werklozen. “Als de werkloosheid nog 10 – 11% zou zijn in het VK of de VS zou de overheid al in mekaar gestuikt zijn”, zegt Varoufakis aan de Independent (zie  hier, zie ook hier en hier voor een kritiek). Hoe weet hij dat allemaal? Viel de Spaanse regering over de werkloosheid, die nog steeds 20% bedraagt? Stuikte de Ierse regering in mekaar? De belangrijkste Ierse soberheidspartij werd opnieuw verkozen en de gewezen eerste minister is terug op post. Geen enkele transnationale partij zal daar verandering in brengen. Maar behoorlijke, authentieke en beginselvaste sociaal-democratische partijen kunnen dat wel, als ze er tenminste voor opkomen.


(*) Dr. Will Denayer studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van Brussel, en opvoedkunde aan de Universiteit Gent. Hij behaalde zijn doctoraat aan de Rijksuniversiteit Leiden in 1993. Hij deed onderzoek aan de Katholieke Universiteit Leuven, Rijksuniversiteit Gent en Trinity College Dublin, en doceerde politieke wetenschappen en politieke economie aan de Universiteit van Cork (Ierland). Hij is nu een freelance onderzoeker en auteur.

Noten:

(*1)De Griek Costas Lapavitsas is een marxistische econoom, professor in Londen en voormalig parlementslid voor SYRIZA. Hij verdedigt sinds lang de uittrede van Griekenland uit de eurozone.[Noot van de vertaler]
(*2) Thomas Fazi is een Italiaanse activist, filmmaker en auteur (The Battle for Europe, 2014) [Nvdv]
(*3)De ‘medebeslissingsprocedure’ waarmee Parlement en Raad samen wetsvoorstellen van de Europese Commissie goedkeuren voorziet twee rondes (‘lezingen’). Het werd echter de gewoonte om mogelijke meningsverschillen tussen Parlement en Raad via achterkamerbesprekingen (‘triloog’) zoveel mogelijk te vermijden.[Nvdv]
(*4)Het ordoliberalisme is de Duitse variant van het neoliberalisme, en ligt aan de basis van het economisch beleid in het naoorlogse Duitsland. Het wordt gekenmerkt door een grote rol van de overheid om de samenleving te ‘ordenen’ volgens marktprincipes. [Nvdv]
(*5)Mercantilisme:het nastreven van handelsoverschotten.[Nvdv]
(*6) Een beleidsadviseur die werkt voor de vakbeweging in Brussel.[Nvdv]
(*7)Flamboyante Sloveense linkse socioloog en filosoof.[Nvdv]
(*8)Bill Mitchell, professor economie aan de universiteit van Newcastle, tegenstander van het neoliberalisme en sterk begaan met de strijd tegen werkloosheid. [Nvdv]