studentenjelleDit stuk werd tijdens het Basta! Debat van 3 februari “Lobby; Demonstreer; Bezet. Hoe nu verder met de studentenbeweging?” voorgedragen door Jelle Bruinsma. Hij schrijft over de studentenbeweging; over actievormen en strategieen; over de rol van studentenbonden en het belang en zelfgeorganiseerd en zelfstandig verzet van studenten.

 

(Het origineel verscheen op de website van KSU)

Ik denk dat we de discussie over de studentenbeweging moeten beginnen met de opmerking dat de beweging nog in zijn kinderschoenen staat. Want wat is een beweging? Een beweging bestaat volgens mij uit vele organisaties en groepen studenten die dingen organiseren. Hier en daar zijn groepen zich aan het organiseren, maar de beweging, als we daarover mogen spreken, heeft grotendeels een ander karakter. Het zijn voornamelijk de besturen van enkele grote organisaties die de strategie proberen te bepalen en een route uitstippelen voor acties: op de 21e organiseren we een grote manifestatie, en daarna gaan we weer lobbyen. Zij bepalen: dan is er actie, dan vragen wij de studenten langs te komen en mee te doen.

Tegelijkertijd is er wel veel potentie.

Want daaronder borrelt het. Er is steeds meer onvrede met de beperkingen van dit model. Er was zeer veel onvrede over de feest-achtige stemming die gecreëerd werd op 21 januari. Er komen steeds meer zelfstandige acties van studenten. Lokaal in steden, maar ook op de 21e, waar in totaal zo’n 1500 studenten besloten dat zij een actief protest wilden. Dat ze zelf wel bepaalden hoe ze hun woede uitten. En er worden steeds meer nieuwe clubjes opgezet. In Utrecht zijn de Kritische Studenten Utrecht (KSU) al een tijd actief, en in Amsterdam Comité SOS. In Utrecht is daar nu het Studenten Actie Comité Utrecht (SACU) bijgekomen. In Arnhem en Nijmegen de Kritische Studenten Nijmegen Arnhem (KSNA), in Twente de Kritische Studenten Twente (KST). Dit soort clubjes, samen met andere haardjes van verzet en organisaties, zijn bezig een echte oppositiebeweging te creëren.

Maar voordat we de toekomst van de studentenbeweging bespreken, denk ik dat het nuttig is de rol van één van de belangrijkste organisaties, de LSVB, te analyseren. Zowel voor studenten die niet bij de LSVB betrokken zijn, maar wel bij de studentenbeweging, als ook voor de LSVB zelf.

De rol die de LSVB mijns inziens tot nu toe heeft vervuld is het schipperen tussen verschillende strategieën en groepen. Aan de ene kant is er de lobby en media–strategie, aan de andere kant de actiestrategie. Deze laatste staat vooral in dienst van de eerste. De strategie is om voornamelijk door middel van overleg met de overheid de overheidsplannen te wijzigen. Om goed te kunnen onderhandelen heb je leverage, druk, nodig. Daarom wordt er geprobeerd in de media de druk op te voeren. Daarom worden er ook acties georganiseerd. Hier en daar ludiek, en zelfs een landelijke dag waarop studenten in Den Haag konden komen luisteren naar wat prominente sprekers. Maar op demonstraties wachten we nog altijd. En dat terwijl we met het meest rechtse kabinet in de parlementaire geschiedenis van Nederland te maken hebben.

Laten we wat verder ingaan op de actiestrategie van de LSVB. Zij probeert groepen studenten die normaal niet actief of georganiseerd zijn hier en daar mee te laten doen, in ieder geval naar het Malieveld te laten komen. Maar de andere kant van de medaille is dat zij (en dit geldt ook voor andere bonden) de studenten die zelf wat actievers willen organiseren sterk probeert te controleren. We merkten dit ook op de 21e.

Ten eerste was er de ordedienst. Uit het draaiboek van de 400-personen tellende ordedienst blijkt duidelijk wat hun rol was. Onder het kopje “Hoe te handelen bij ongewenst gedrag” staan de volgende instructies. Mochten de demonstranten dit gedrag (“gedrag” wordt niet verder gespecificeerd) vertonen en er niet mee willen stoppen, vraag ze dan “de manifestatie te verlaten om zelf iets te organiseren: het is ons feestje” (mijn cursivering). Als dat niet lukt moet men de politie inschakelen. Ook staat er specifiek: “Bij een grote exodus van demonstranten naar het centrum van Den Haag is het onze taak ze tegen te houden.”

In de praktijk merkten we wat dit betekende. Aan het begin kregen de leden van de ordedienst foto’s te zien van activistische studenten die ze in de gaten moesten houden. Verder stonden bij het Ministerie van Onderwijs honderden demonstranten leuzen te scanderen. Vervolgens werd er achter hun rug (en vanaf de kant waarvan nog een hele aanstroom van studenten kwam) een cordon van de ordedienst neergezet, zodat zich geen studenten bij hen aan konden sluiten. Hierdoor werden ze op een gegeven moment haast omsingeld door agenten in burger aan de ene kant en ME aan de andere kant. Waarom liet de organisatie de keuze niet aan studenten zelf over?

Vervolgens distantieerden de LSVB en de ISO zich volledig van de ongeregeldheden na afloop van de manifestatie, zoals het heette. In de praktijk kwam dit echter neer op het volgende: de LSVB veroordeelde hiermee de 1500 studenten die in elkaar geslagen werden door de politie. De 1500 studenten die niet vonden dat hun woede voldoende was geuit door het in de kou urenlang stilstaan op een drassig Malieveld, luisterend naar politici, waaronder zelfs politici van de partijen die ons dit door de neus willen boren. Studenten die hun woede op een logische manier wilden uiten, door actief zelf een statement te maken; door te lopen naar de plekken waar deze plannen worden gemaakt en daar hun woede te uiten. Als je je hiervan distantieert, wil je een makke kudde studenten hebben. Een kudde die op komt draven naar het Malieveld wanneer jij dat wilt en braaf het goede pad terug naar het station neemt, zoals de leiding dat netjes heeft bepaald.

Als dat de lijn is die wordt doorgetrokken heeft de LSVB haar rol en nut in de studentenbeweging verloren. We zagen de 1500 studenten die de touwtjes in eigen handen namen. En dat is nog niet eens representatief, want de meeste studenten wisten niet eens dat er groepen waren die nog meer gingen doen.

Hoe nu verder?

Ik denk dat een deel van de reden voor de rol van de LSVB, de ISO en Kenniscrisis, de nadruk op het lobbyen is. Als je vooral daar je resultaten denkt te behalen, en je plan uitstippelt, en naar je afspraak met de minister en deftige politici moet, dan wil je niet dat er ongecontroleerde dingen gebeuren. Ik denk dat dit principieel fout is, maar ik wil vooral uitleggen waarom ik denk dat we strategisch een andere kant op moeten.

Want de achterliggende gedachte bij dit lobbymodel is dat we in een democratie leven, waarin politici simpelweg mensen zijn die hun ideeën proberen te verwezenlijken en die het recht hebben over ons leven te beslissen. De achterliggende gedachte is verder dat we met hun in overleg kunnen gaan, en moeten gaan, want zij zijn de rechtmatig gekozen regering.

Maar ik denk dat Zijlstra niet onze bondgenoot of medeburger is die toevallig een andere mening heeft – en in het verlengde daarvan geldt dat ook voor universiteitsbesturen, wat we vorige week bevestigd zagen door het nieuws dat verschillende universiteiten hebben gelobbyd om de volledige boete voor een extra studiejaar bij studenten te leggen.

Hoge functionarissen en politici als Zijlstra dienen andere belangen. Ze zijn onderdeel van een proces dat zich al decennia afspeelt onder de naam neoliberalisering. Dit betekent weinig anders dan het afbreken van de sociale kant van de staat. Minder staat = meer lasten voor burgers = minder lasten voor bedrijven en rijken = meer invloed bedrijfsleven.

We moeten dit verder in het kader zien van een besluitvorming die vaak helemaal niet democratisch is. Zo is in dit geval de meerderheid van de bevolking tegen de bezuinigingsplannen op onderwijs. 83% was voor het blijven bestaan van de basisbeurs, bleek uit een peiling afgelopen mei van Maurice de Hond in opdracht van de SP. Deze cijfers zijn in nieuwe peilingen omlaag gegaan – niet verrassend na de maandenlange propagandacampagnes tegen studenten. Maar dit geeft wel het sentiment in de samenleving weer. Sterker nog, een meerderheid geeft aan voorstander te zijn van andere maatregelen die geld opleveren. Zo was 55% voor een hogere miljonairsbelasting: namelijk 65% belasting voor iedereen die meer verdient dan de minister-president. 70% was tegen het kopen van JSF-straaljagers, dat bespaart ook veel geld. 81% wilde dat de banken gaan bijdragen aan de kosten van de financieel-economische crisis. 70% is tegen de nieuwe missie in Afghanistan.

We moeten aansluiten bij dat sentiment in de samenleving. Zoals een bekende Amerikaanse professor, Noam Chomsky, in de jaren ´70 over de studentenbeweging schreef: “Part of the style of the student movement is to focus great attention on immediate concerns that are close at hand – what do you do tomorrow, how do you relate to the people near you, and so on. This is nice in some ways (…) but it can be politically quite destructive, I think, if it becomes the general framework within which the movement develops. Any serious movement for social change will have to involve many different strata of the population, people who certainly see their needs and goals quite differently, including many groups that are in no position even to articulate their goals and needs (…) I think that these may prove to be related and compatible goals but of course that has to be shown.”

Ik denk dat het aan ons is om te laten zien dat dit zo is. Om de overheid te verslaan moeten we de handen ineen proberen te slaan met andere groepen die getroffen worden. Een overheid die zo vastberaden is tegen dit soort sentimenten in de samenleving in te gaan, gaat niet in onderhandelingen deze maatregelen van tafel vegen. Zij moet hiertoe gedwongen worden. Ze moet geen andere keus meer hebben. We moeten blij zijn met alle acties die worden georganiseerd, en elkaar niet in de weg zitten. We moeten de acties doorzetten en intensiveren. We moeten bestuursgebouwen bezetten, wegen blokkeren, steden platleggen. Niet één keer, maar aanhoudend. In de jaren ’90 legden de Nederlandse studenten het spoor in Utrecht plat. In Italië blokkeerden ze maanden geleden hele steden. In Engeland zijn ze het hoofdkantoor van de barbaarse Tory Party binnengestormd. En verder kunnen we over het creëren van een beschaafdere wereld nu heel wat leren van de Arabische beschaving.

Ik wil afsluiten met nog een referentie naar Noam Chomsky. In zijn introductie op zijn eerste politieke boek, American Power and the New Mandarins (1969), schreef Chomsky iets over de beweging tegen de oorlog dat ook voor ons relevant is. Het komt erop neer dat we realistisch genoeg moeten zijn om aan de ene kant te beseffen dat zij die alleen op pragmatische gronden tegen de bezuinigingen zijn, of omdat het hun nu raakt, op een bepaald moment weg zullen vallen, bijvoorbeeld als de kabinetsplannen erdoor zijn. Aan de andere kant moeten de radicalere studenten ook beseffen in wat voor klimaat we leven.

Om Chomsky te citeren: “the cry for ‘revolution,’ at a time when not even the germs of new institutions exist, let alone the moral and political consciousness that could lead to a basic modification of social life” is “no less insidious” (verradelijk).

We moeten een radicale studentenbeweging opbouwen, maar we moeten geen oogkleppen op hebben. Als we niet uitkijken zullen vele studenten wegvallen door hun gebrek aan overtuiging dat demonstreren iets helpt. Het is onze taak netwerken te bouwen, mensen te overtuigen van het nut van acties, en zodoende een studentenbeweging op te bouwen die werkelijk iets kan veranderen. Voor toekomstige generaties studenten, maar ook voor de rest van de samenleving.