Libanon kreunt andermaal onder een golf van protesten die de straten doen vollopen met boze werknemers, wanhopig door de lockdown van de COVID-19-pandemie. Zij lijden tevens onder de onbekwaamheid van de contrarevolutionaire regering om oplossingen te vinden voor de economische catastrofe. Hun eisen voor waardige levensomstandigheden en voor een einde aan de niet aflatende besparingsmaatregelen die het land teisteren sinds de revolutie van 17 oktober 2019 zijn nog geen moment afgenomen.

(Een interview uit tijdschrift Bidayat, de vertaling is door DeWereldMorgen foto website dewereldmorgen/maker onbekend)

De economische crisis van Libanon komt niet als een verrassing, maar is het onvermijdelijke resultaat van het diepgewortelde neoliberale beleid van hyperfinancialisering, privatisering en deregulering. De Centrale Bank poogt al jaren om de Libanese pond vastgeklonken te houden aan de dollar met een vaste wisselkoers, door middel van twijfelachtige financiële mechanismen, ten koste van de werkende klasse. De commerciële banken zijn de grootste winnaars van deze financiële maatregelen omdat ze aan de Centrale Bank mogen lenen aan zeer hoge intrestvoeten aan wat in feite woekerprijzen zijn.

Het is dan ook geen toeval dat de privé-banken het grootste deel van de enorme schuld van hun land in handen hebben of dat hun belangrijkste aandeelhouders terug te voeren zijn op de heersende klasse die op dit ogenblik aan de macht is. Het onvermogen van de staat om zijn schuldeisers terug te betalen, belemmert dan elke poging om een productieve economie te heropbouwen.

In plaats daarvan wordt het land sterk afhankelijk van de invoer van levensnoodzakelijke goederen, waaronder essentiële medische benodigdheden en voedingswaren. De dollarcrisis heeft deze invoer veel duurder gemaakt, omdat leveranciers meestal in dollars worden betaald, wat de moeizame overlevingsstrijd nog meer bemoeilijkt voor de inwoners van Libanon, vooral die van niet-Libanese nationaliteit, die al geen mensenrechten en sociale rechten genieten.

Bovendien hebben de banken, om hun deposito’s in vreemde valuta te behouden, een reeks ongerechtvaardigde beperkingen opgelegd aan kleine rekeninghouders om hun eigen geld op te nemen en/of naar het buitenland te sturen naar familieleden in Libanons grote diaspora. Bovendien konden stortingen waar de bevolking voor haar levensonderhoud van afhankelijk is, niet meer in dollars worden afgehaald.

Het coronavirus kwam op een moment dat arbeidersgezinnen al aan het verstikken waren. De lockdownmaatregelen zorgden alleen maar voor meer druk op een crisis waarvan de last het zwaarst werd gevoeld door zij die het zich het minst konden veroorloven. Het kwam ook op een ogenblik dat de regering een nieuwe “buitenlandse entiteit” heeft om al haar mislukkingen aan te wijten, waarbij xenofobie wordt vermengd met rassenhiërarchieën, door Syrische en Palestijnse vluchtelingen te vereenzelvigen met de risico’s op verspreiding van epidemieën.

De staat heeft deze pandemie gebruikt als excuus om demonstraties te stoppen en zijn verzwakte cliëntelistische netwerken nieuw leven in te blazen door hulp te bieden aan die districten waar de politieke partijen sterk staan. De toenemende werkloosheid, het snijden in de toch al beperkte sociale uitgaven en de weigering om hulp te verlenen aan werknemers met nuluurcontracten waren voor de mensen echter meer dan genoeg redenen om de lockdownmaatregelen te trotseren.

Tripoli, de op één na dichtstbevolkte regio en een van de armste van het land, heeft zich verzet tegen deze toenemende sociaal-economische ontberingen en de repressie. In de laatste weken van april hebben demonstranten in zowel Tripoli als Saida en andere delen van het land hun frustratie en woede getoond door banken te vernielen en zich in groten getale te verzamelen op het Nourplein in Tripoli. Het Libanese leger reageerde met traangas, rubberen kogels en actieve munitie, schoot een van de demonstranten, Fawwaz Fouad al-Seman, 26 jaar oud, neer en liet hem dood achter in het ziekenhuis de volgende dag na geruchten over hun wangedrag in het ziekenhuis.

Het meedogenloze neoliberale beleid van de Libanese heersende klasse, het gewelddadige militaire apparaat en de systematische verarming van de meest kwetsbaren hebben de bestaande spanningen alleen maar verergerd. Meer mensen werden zich daardoor politiek bewust van hun positie in de samenleving en van het structurele probleem dat het laissez-faire-kapitalisme van de Libanese bourgeoisie is.

In de context van de Oktoberrevolutie van 2019 hergroepeerde de campagne voor de nationalisering van de banken zich rond linkse partijloze activisten en marxistische organisatoren. Die zagen de noodzaak in om een beweging te starten om het concept van nationalisatie te herdefiniëren, tot een door arbeiders geleid en gecontroleerd geheel in plaats van door de staat, terwijl ze de dreigende economische en monetaire catastrofe aanpakten die werd veroorzaakt door deze vorm van financieel kapitalisme en de grotere rol van Libanon in de regio als een van de centra van de kapitaalreproductie in de Golfregio.

Het magazine Bidayat nam een interview af van één van de personen achter de campagne ‘Nationaliseer de banken’. Dit is de integrale vertaling van dit interview.

Had u de beweging van 17 oktober verwacht? Waarom vond het volgens u plaats en wat zorgde ervoor dat het op geografisch en volksniveau veel aandacht kreeg? Hoe zou u het definiëren? Is het een reeks protesten, een volksbeweging, een opstand, een revolutie? Hoe omschrijft u de deelnemende sociale onderdelen?

Het was nogal duidelijk dat het neoliberale beleid, met inbegrip van de extreme fiscale bezuinigingen en privatiseringen, dat sinds het einde van de burgeroorlog werd opgelegd, zou leiden tot een mobilisatie die deze specifieke problemen aanpakt. Niemand had echter kunnen voorzien dat de bestaande cliëntelistische netwerken er niet in zouden slagen hun economische dominantie en hun patriarchaal mecenaat in stand te houden. Dit resulteerde in een collectieve ontkoppeling uit het sektarisme, zowel op een spontane als op een gedecentraliseerde manier.

De escalatie in de straten, de werkvloeren en later de banken was te wijten aan de toename van de inherente tegenstrijdigheden en animositeit tussen de klassen. Deze tegenstrijdigheden hadden de overhand in verschillende eerdere bewegingen, waaronder de campagnes van 2011 om het sektarische regime omver te werpen, de lerarenstaking van 2012 en de protesten van 2015 tijdens de vuilniscrisis.

Deze mobilisatie was een gevolg van de onhoudbaarheid van de cliëntelistische netwerken, die door hun onderdrukkend karakter werd benadrukt omdat ze de eisen van de mensen verborgen hielden door het gebruik van geweld. Zo werd een politiek bewustzijn gecreëerd en het momentum voor deze organisaties werd versterkt.

Sindsdien kwamen er talloze pogingen van de heersende klasse om hun verantwoordelijkheid te ontlopen door de schuld van de financiële en economische crisis die zij zelf hebben veroorzaakt, af te schuiven op de werkende klasse. Deze inspanningen werden in fasen uitgevoerd: ze begonnen met het opleggen van het kafalasysteem (een systeem dat huishoudelijke hulp door migranten koppelt aan een Libanese sponsor die hem volledige controle geeft over het leven van deze migranten) aan arbeiders met de Syrische nationaliteit, wat werd gekoppeld aan harde en racistische voorwaarden voor Palestijnen.

Beide acties werden door de heersende elites op tegenstrijdige en bedrieglijke wijze gerechtvaardigd “om Libanese werknemers te beschermen”. Hun oplichterij kwam echter aan het licht door de groeiende bezuinigingsmaatregelen voor toekomstige werknemers op de arbeidsmarkt en voor universiteitsstudenten. Die begonnen zich op de Libanese Universiteit (LU) te mobiliseren in de aanloop naar wat tot het revolutionaire momentum in oktober 2019 ontketende.

We moeten dus erkennen dat er tegelijkertijd een roofzuchtig beleid wordt gevoerd tegen werknemers van alle nationaliteiten om opeenvolgende crisissen te ontvluchten, met als grootste reactie de 17 oktober-bewegingen en het bereiken van het momentum gebaseerd op het politieke bewustzijn dat ontstaan is uit de campagne van 2015.

In deze beweging zijn twee opmerkelijke slogans ontstaan. Een over het instellen van een regering van technocraten onafhankelijk van de regerende partijen, en een andere over een overgangsregering die vervroegde verkiezingen organiseert. Wat zijn uw ideeën over deze slogans en over de mogelijkheden van de krachten achter deze beweging om een van deze doelstellingen te bereiken?

Eerst moeten we de dimensies van de term ‘technocraat’ begrijpen en analyseren voor we deze vraag kunnen beantwoorden. Moeten we de economische en sociale problemen van Libanon beschouwen als een gevolg van ‘technische’ zwakte binnen de heersende klasse, of eerder als een structurele en systematische kwestie die onvermijdelijk is onder het kapitalistische systeem, met name in de vicieuze neoliberale vorm die het in Libanon heeft aangenomen?

Zijn wij van mening dat het politieke plafond van onze eisen moet worden beperkt door aan te dringen op de vervanging van dictators door specialisten om de onderdrukkingsmachine efficiënter te beheren? Vergeten wij dat de meest agressieve, felle en mislukte bureaucraten die aan de macht zijn, degenen zijn die deze specialisten in de eerste plaats hebben aangesteld? Als we toegeven aan de betwistbare veronderstelling dat de echte strijd alleen maar tegen corruptie gericht zou zijn (wat een duidelijke abstractie van de echte strijd is), zijn we dan van mening dat de oplossing voor de privatisering meer privatisering is?

Ten tweede moeten we ons begrip van de politieke partijen opnieuw evalueren. De strijd uitsluitend op hen richten is eveneens een abstractie van de strijd. Deze strijd is het resultaat van een oppervlakkige en valse analyse van de materiële omstandigheden die hen in staat hebben gesteld de controle over te nemen en te behouden. Als we het zogenaamde politieke partijnetwerk in zijn hedendaagse vorm in Libanon nader bekijken, stellen we een parasitair gedragspatroon in het algemeen vast.

De partijen maken gebruik van alle mogelijkheden die het huidige economische model hen biedt om pogingen te vernietigen en te onderdrukken om een productieve economie op te bouwen. Hierdoor konden ze uitgebreide netwerken van mecenaat en cliëntelisme creëren en hun economische en culturele hegemonie ontwikkelen, om het huidige economische model – en dus zichzelf – te reproduceren. Dit is natuurlijk niet het enige deel van de vergelijking, maar het laat ons zien dat oplossingen niet uit het systeem zelf kunnen voortkomen. In werkelijkheid moeten we dit hele systeem ontmantelen.

Aan de andere kant kunnen we niet voorbijgaan aan de eisen en slogans die hebben geleid tot de verheldering en versterking van de tegenstrijdigheden die het gevolg zijn van het kapitalistische systeem in Libanon, alleen maar omdat ze reformistisch van aard zijn. Zo heeft onze campagne om de banken te nationaliseren of de campagne van de Libanese universiteitsstudenten voor gratis onderwijs, samen met andere campagnes, bijgedragen aan het aantonen van de dimensies van de eigenlijke strijd via hun intrinsieke relatie met de dagelijkse strijd van de arbeiders.

Daarom zien wij de eisen voor een regering onafhankelijk van de machtspartijen en het aandringen op vervroegde verkiezingen als lege slogans die niet oproepen tot verandering, tenzij ze in een revolutionair kader worden geplaatst dat tegen het bestaan en de vorm van het regime zelf indruist.

Wat zijn de meest opmerkelijke verwezenlijkingen van de beweging? Was ze volgens u bedoeld om specifieke resultaten/hervormingen te bereiken, en in welke mate? Wat waren volgens u de meest prominente levende eisen die deze beweging wilde bereiken?

Een van de meest in het oog springende successen van de opstand van oktober 2019  was de substantiële deelname van werknemers, in het bijzonder buitenlandse en migrerende werknemers. Interessant is dat de opstand een kritische interactieve ruimte heeft gecreëerd tussen werknemers uit verschillende sectoren enerzijds en het Libanese publiek anderzijds. In dit opzicht was de opstand een getuigenis van verschillende organisatorische pogingen om de realiteit van de uitbuiting in zijn raciale en juridische vorm aan te pakken.

De meest opmerkelijke prestatie in dit opzicht zijn wellicht de organisatorische pogingen van migrantenstudenten en -arbeiders om brede relatienetwerken op te zetten die de deelname van niet-Libanezen (die onderdeel zijn van de uitgebuite klassen in Libanon) aan de revolutionaire actie op het terrein helpen beschermen en stimuleren.

Ondanks de bescheiden aantallen en de slechte organisatorische continuïteit van deze inspanningen, was hun belangrijkste overwinning het vermogen om het racistische discours uit het rijk van de humanitaire en morele solidariteit weg te halen. In plaats daarvan brachten ze de strijd tegen het fascisme in de individuele en collectieve politieke actie om zo de rechten van arbeiders en vluchtelingen te realiseren.

Er heeft zich een verschuiving voorgedaan van het discours over burgerrechten naar de benadering van collectieve politieke rechten op zelfbeschikking op klassenloze basis. De opstand in de kampen, die in 2019 meer dan twee maanden duurde, was misschien wel de belangrijkste drijfveer voor de ontwikkeling van dit klassenbewustzijn, voorbij de stereotypen van het fascistische nationalisme.

Zodra de beweging van de kampen de migrantenorganisaties doorkruist, zoals in het geval van de opstand van oktober, zal het de bouwsteen vormen voor een klassendiscussie die de assen en diameters van de nationale identiteit en het gecodificeerde uitbuitende systeem dat haar omringt, overstijgt. Misschien is het dit kruispunt van politieke acties dat zal helpen een kritisch bewustzijn te ontwikkelen tegen het reactionaire Libanese rechtssysteem.

Wat zijn uw gedachten over de slogan “we stellen eisen en onderhandelen niet”? Is er een alternatief voor de overheid die zijn beleid uitvoert en voor de protestbeweging?

De opstand van 17 oktober maakt deel uit van een golf van diverse bewegingen die de regio heeft geschokt, van Irak tot Algerije, Marokko en Soedan. De Soedanezen hebben al-Bashir omvergeworpen terwijl ze “de overwinning of Egypte” riepen. Ironisch genoeg hebben de overblijfselen van het regime aangedrongen op een koers naar onderhandelde oplossingen onder auspiciën van Abdel Fattah el-Sisi zelf, die zich tegen de Egyptische revolutie had gekeerd.

Het Soedanese volk kwam uit alle macht in opstand tegen de islamitische neoliberale regering van al-Bashir. Overal in het land, van de periferie tot de hoofdstad, werden comités opgericht die een fatsoenlijke levensstandaard eisen. De Soedanese Beroepsvereniging (SPA) werd opgericht, die semi-clandestien was omdat ze geen publieke vertegenwoordigers had.

Ze creëerde een band tussen de meeste revolutionaire krachten. De vereniging slaagde erin jongeren te polariseren omdat ze, in tegenstelling tot andere oppositiegroepen, niet bezweek aan het politieke onderhandelingsspel onder het tirannieke regime. Bovendien maakte het vakbondskarakter van de vereniging een stevige en nauwe band met de protesten mogelijk.

De SPA was een cruciaal onderdeel in het organisatieproces van de beweging en de sturing van haar eisen. De weigering om te onderhandelen was een van de kenmerken van de SPA. Al-Bashir probeerde zijn repressieve regime en bloeddorstige milities te gebruiken, maar de volharding van de revolutionairen werd niet gecompromitteerd.

Er kwam een militaire staatsgreep en hoewel Al-Bashir werd omvergeworpen, bleven de pleinen vollopen. De eisen verschoven naar het omverwerpen van de nieuwe militaire regering, maar haar antwoord was het bloedbad in Khartoem door de Rapid Support Forces. Vervolgens werd een ‘onderzoekscommissie’ opgericht en de oppositie (inclusief de SPA) ging een fase van onderhandelingen in. Die eindigde met een regeling waarin de rol van de militaire regering werd vastgelegd in ruil voor een aantal bekomen eisen. Maar menswaardig leven stond niet langer meer ter discussie.

Het is mogelijk om te profiteren van de ervaringen in onze omgeving en de Soedanese strijd is daar een goed voorbeeld van. De revolutionaire vlam in Soedan is niet gedoofd. De ervaring van de SPA benadrukte het belang van een vakbondsorganisatie die in overeenstemming is met sociale eisen buiten de bureaucratische structuren. Maar tegelijkertijd zal deze organisatie niet genoeg zijn zonder een geïntegreerde visie op de aanpak en de principes om de militanten te organiseren. De gebreken in de consensus tussen de oppositiekrachten kwamen aan het licht na de omverwerping van al-Bashir en de SPA die bovengronds ging, waardoor de reactionairen deze interne tegenstellingen konden uitbuiten.

Het is dus mogelijk om te zeggen dat de slogan “we stellen eisen en onderhandelen niet” enige onvermijdelijkheid en dubbelzinnigheid in zich heeft. Onderhandelen met een dominante klasse vereist een nauwkeurig machtsevenwicht als we iets willen bereiken. Hier komt het belang van organisatie aan de orde. Het organiseren van een arbeidersbeweging op basis van daadwerkelijke eisen kan de belangen van de heersende klasse van de straat en de werkplek bedreigen, maar dat moet dan wel op basis van solide principes.

Het systeem in Libanon erkent de bedreigingen van een dergelijke organisatie. In de loop van de voorbije decennia heeft het bijvoorbeeld geprobeerd zich te verschansen en te reproduceren. Een van de meest prominente manifestaties van deze afpersing is de hegemonie over de belangrijkste vakbondsconfederatie (CGTL), waardoor die getransformeerd is in een apparaat voor sektarische repressie tegen de arbeidersklasse.

Met wie zijn we aan het onderhandelen? Waarover onderhandelen we? Onderhandelen vereist zowel een visie als het organiseren van de beweging. Eisen worden effectief wanneer deze organisatie de reproductiecapaciteit van het regime verlamt. Onze principes zullen niet onderworpen worden aan onderhandelingen. Dat herinnert ons aan de waarschuwing van Soedan door de radicale beweging Muzn al-Nil, dat “de contrarevolutie in de lijnen van het akkoord vervat ligt.”

Wat is er in de rol van de jeugd veranderd tussen de opstand van 17 oktober 2019 en die van de zomer van 2015? De eisen van de jongeren en de studenten ontwikkelden zich tijdens de beweging van 17 oktober, wat waren de belangrijkste?

Het zou misleidend zijn om de twee als ongerelateerde massa-evenementen te vergelijken, terwijl ze ongetwijfeld twee onderdelen zijn van een decennium van brede volksbewegingen in de Arabische regio in het bijzonder en meer in het algemeen op wereldschaal. In dit verlengde decennium (tussen 2010 en 2020) is de Arabische wereld getuige geweest van een versneld proces van cumulatieve massale protesten, die hun hoogtepunt naderen in het bepalen van een nauwkeurigere positie tegenover het bestaande statistische (sociaal-economische) systeem.

Om deze reden kunnen transformaties bij jongeren of studenten alleen worden omschreven in termen van de collectieve acties die beide pieken in de beweging met elkaar verbinden. We moeten dus eerst de sporadische protesten begrijpen die de neergang van de protesten van 2015 verbinden met de piek van de opstand van 2019.

Vóór de neergang van de volksbeweging in 2015 bleven er op de pleinen minder dan 10 coalitiegroepen over met partijformaties buiten de regeringscoalitie (zoals de campagne over verantwoordingsplicht). Anderen bestonden uit maatschappelijke groeperingen en ngo’s (zoals “You Stink!”).

Het discours dat gepaard ging met het ontstaan van deze campagnes schommelde tussen twee zaken: ten eerste de oproep tot een stopzetting van het privatiseringsbeleid dat ten grondslag ligt aan het economische systeem van de Libanese bourgeoisie en ten tweede de oproep tot het aanpakken van de corruptie als de hoofdoorzaak van het falen van de regering.

Ondanks het feit dat het jongerencomponent in alle bovengenoemde groepen aanwezig was, was het duidelijk dat ze werden ondergedompeld in het dominante discours met weinig, of nog steeds onderontwikkelde, ruimte voor een volledig begrip van de vitale gebieden waarin de jongerenervaring het meest wordt gevoeld, zoals op de universiteiten.

De kern van een studentenbeweging in het LU begon zich te materialiseren toen de beweging na 2015 begon te haperen. Getroffen door de tirannie van het gefragmenteerde reformistische discours als reactie op de publieke protesten in het hele land, bleef het begin van de studentenbeweging beperkt tot kleine organisaties die zich uitsluitend bezighielden met de problemen van de LU en haar corruptie.

Het begon zich systematisch te ontwikkelen door middel van verschillende collectieve initiatieven tussen studentengroepen en -clubs tegenover het sektarisme en de corruptie die hun universiteit verpestte. Maar begin 2019, en parallel aan de beweging van Palestijnse arbeiders in de kampen, begon het discours van de oppositiestudenten een meer ophitsende politieke taal te volgen. Ze koppelden de marginalisering van de Libanese universiteit aan het neoliberale economische renteniersmodel van het land als geheel, wat begin 2020 tot uiting kwam in het besluit van het kabinet om het budget van de Libanese universiteit te verlagen.

De protesten bereikten hun hoogtepunt toen de studenten hun volledige solidariteit verklaarden en in de voorhoede stonden van de strijd die door de Liga van de LU-professoren werd aangekondigd. Hoewel de campagne van de Liga eindigde in een of ander compromis, zette de oppositiecoalitie haar protesten verder en begon ze zich organisatorisch te consolideren in een studentenblok dat het “Libanese Universiteit Studentenblok” werd genoemd.

Bij de eerste uitdaging verklaarde dit blok de studentenverkiezingen te boycotten om twee redenen. De eerste reden is de nutteloosheid van een kiesstelsel dat de afhankelijkheid van het studentencorps van het universiteitsbestuur en de Libanese staat reproduceert. De tweede reden is het vasthouden aan de uitsluitingslogica van het regime die niet-Libanese studenten het recht ontneemt om te stemmen. Zo zette de studentenbeweging haar eerste stappen om zich te identificeren met de revolutionaire actie op het terrein tegen het Libanese neoliberalisme en zijn fascistische retoriek.

Bovenstaande actie vond plaats een week voor 17 oktober 2020. Tijdens de opstand werkte de LU-beweging aan de versterking van hun coördinatie met politieke jongerenorganisaties om het studentendiscours te verspreiden buiten de openbare universiteiten en te interageren met de studentenorganisaties van de privé-universiteiten.

Ook werden afgestudeerden (vooral de werklozen onder hen) bij de actie betrokken en, wat het belangrijkst is, werden jonge werknemers benaderd als een publieke verklaring van hun standpunt ter linkerzijde. Het was een nieuwe politieke, organisatorische stap die niet zonder substantiële technische en politieke gebreken was. Het blijkt dat LU-studenten (de linkse oppositie) in ieder geval een mijlpaal in de politieke organisatie van studenten hebben kunnen bereiken die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw niet meer bestond.

De studenteneisen zijn tegenwoordig gericht op de ontwikkeling van een geïntegreerd politiek discours dat de positie van de studentenbeweging ten aanzien van het Libanese systeem in zijn geheel illustreert. Daarom zag het blok zich gedwongen de sector van het privéonderwijs te beschouwen als een pijler van de neoliberale economische orde.

Tot dit politieke bewustzijn retorisch en organisatorisch wordt versterkt, kunnen we er echter van uitgaan dat het traject van de studentenprotesten in Libanon de onverschilligheid, de angst en de meegaandheid van de openbare universiteit in de protestgolf van 2015 aan het wankelen heeft gebracht. Met de Oktober-opstand gaat het nu een organisatorische fase in die probeert zich te ontpoppen als vertegenwoordiger van de jeugd in Libanon door een oppositionele positie in te nemen tegenover de neoliberale economie en de fascistische logica van het Libanese regime.

Wat zijn, vanuit uw positie als jongere, de belangrijkste eisen waar de beweging zich op moet richten?

Onze belangrijkste eisen zijn de volgende:

  • Het kafala-systeem afschaffen en buitenlandse werknemers hun volledige mensen- en burgerrechten geven.
  • Geef Palestijnse, Syrische en andere vluchtelingen hun volledige mensen- en burgerrechten.
  • Geef vrouwen en de LGBT-gemeenschap hun volledige mensen- en burgerrechten.
  • Laat alle gevangenen voor lichte vergrijpen vrij, ontwapen de binnenlandse veiligheidstroepen en demilitariseer de burgergebieden.
  • Nationaliseer de medische sector en farmaceutische bedrijven om gratis en volledige gezondheidszorg te bieden aan alle inwoners.
  • Teruggave van geplunderd openbaar eigendom, zoals maritieme gebieden en het investeringsbedrijf Solidere, naast het nationaliseren van alle sectoren die zijn geprivatiseerd door de heersende klasse.
  • Nationaliseer de privébanken om het door hen geplunderde geld terug te krijgen door het afschrijven van openbare en privéschulden van gewone burgers, waardoor meer dan een derde van de overheidsbegroting wordt vrijgemaakt om te worden gebruikt voor het verbeteren van de dienstverlening en de zorg, en maak de hele financiële geschiedenis van het land openbaar.
  • Herstructurering van het belastingstelsel om het progressief te maken, waarbij de rijkste mensen worden getroffen en de lasten voor de arbeidersklasse worden verlicht.
  • Richt kapitaalinvesteringen op economisch productieve arbeid, waarbij de werknemers volledige en collectieve controle hebben over de productie en de democratische processen op de werkplek.
  • Ontwikkel een duurzaam landbouwbeleid dat het milieu beschermt, het inkomen van de landbouwers verbetert door beslag te leggen op de geaccumuleerde landbouwgrond en dat de coöperaties voor werknemers in de landbouw aanmoedigt en versterkt.

Wat zijn de lessen die je hebt geleerd uit je ervaring met deze beweging?

  1. Organisatie is essentieel en noodzakelijk voor de continuïteit. Een van de belangrijkste mislukkingen van de eerste protestgolf van 2015 was het gebrek aan organisatie en het egoïsme van de groepen. Linkse en communistische partijen hadden bereid moeten zijn om zo’n populaire beweging op te vangen, te begrijpen en te gebruiken. Helaas waren ze daar niet op voorbereid.
  2. Er is geen plaats voor sterren en sterrendom in volksopstanden. Helaas werd dit door sommige partijen en hun aanhangers niet aanvaard. Ze maakten promotie voor wie ze wilden, ten koste van de zaak en de beweging. Het leidde tot de verpersoonlijking van de kwesties en deed hen afwijken van hun populaire en inclusieve aanpak.
  3. Werk aan de ontwikkeling van organische intellectuelen en leiderschap vanuit de arbeidersklasse van onderaf en niet vanuit kleinburgerlijke sterren van bovenaf.
  4. Op het terrein moest coördinatie met buurtbewoners plaatsvinden. Helaas was het vaak andersom. Meestal zorgden ‘keyboard supervisors‘ voor planning en beslissingen voor de revolutionairen op straat.
  5. Er zat geen onderling compromis in de slogans van de deelnemende groepen. Het verhogen van het eisenplafond omvat niet alleen de eisen van de revolutie, maar ook onaanvaardbare allianties waarbij bijvoorbeeld de Palestijnse vlag een rel zou veroorzaken. Het opbouwen van een radicaal geïntegreerd discours en een verenigde visie versterkt die alliantie. Tijdens het blokkeren van wegen en het terugwinnen van door de staat in beslag genomen land, het opzetten van kampen en het bewonen ervan, ontstond een samenwerkingsverband op verschillende Libanese pleinen. Dat nam de taak op zich om alle technische en in-natura logistiek te beveiligen, inclusief dekens, voedsel, drank en eerste hulp.

Helaas heeft de afwezigheid van een geïntegreerde en gecentraliseerde (of verenigde) organisatie het mogelijk gemaakt dat onpopulaire entiteiten onder het mom van liefdadigheid de pleinen konden betreden.

Dit incident heeft aangetoond dat er behoefte is aan volkscommissies die zich bezighouden met het organiseren van de basis en die in staat zijn om het proces van veerkracht te behouden, zonder te verdrinken in afhankelijkheid of ondergeschiktheid aan andere entiteiten.

De toename van organische uniformiteit waar dat mogelijk is, zal helpen in de strijd tegen de cultuur van cliëntelisme die in samenwerkingsverbanden kruipt tijdens massabijeenkomsten. Deze bijeenkomsten worden anders getransformeerd tot een markt van goederen en diensten die de klassensolidariteit afremt.

Om deze hinderpalen voor de ontwikkeling van de klassensolidariteit te overwinnen, moeten er volkscommissies worden opgericht. Die moeten tevens het forum zijn om het nationalistische karakter te overwinnen dat meestal het discours en de retorische aanpak op de pleinen domineert.

Slogans als “het recht van een Libanese burger op een fatsoenlijke levensstandaard” dragen bij tot de normalisering van de systematische uitsluiting van niet-Libanezen, zoals vluchtelingen of arbeidsmigranten en van de revolutionaire massa.

Dergelijke volkscommissies, eenmaal ze georganiseerd zijn (en zelfs tijdens hun organisatie proces), zullen helpen de “nationalistische mentaliteit” te overwinnen en te gaan naar een klassenbewustzijn dat nationaal burgerschap overstijgt.

Met andere woorden, het is alleen via volkscommissies dat de pleinen georganiseerd kunnen worden als ruimtes voor kennis en interactie om:

  • Optie 1: de revolutionaire basis te versterken tegen de gevaarlijke koers naar isolationisme.
  • Optie 2: te voorkomen dat het revolutionaire grondwerk afglijdt naar isolationisme.

Kortom, de volkscommissies worden het antwoord op de vraag ‘hoe blijven mensen veerkrachtig in hun strijd tegen het regime?’, waarbij de betekenis van veerkracht verder gaat dan zijn logistieke karakter in natura en teruggaat naar zijn interactieve en intellectuele dimensie.

  1. Er is behoefte aan een productieve alternatieve economie die werkgelegenheid biedt aan iedereen, ongeacht zijn of haar nationaliteit. De uitvoering daarvan moet ten goede komen aan de werknemers en niet aan de winsten die voortvloeien uit privébezit. We moeten eisen dat de sectoren openbaar worden gemaakt en ondersteund worden door een duurzaam en productief beleid, dat de infrastructuur en de verwezenlijking vergemakkelijkt.

De landbouw is een prioriteit om de afhankelijkheid van voedselimport te verminderen, voedselzekerheid te garanderen en vervolgens de voedselsoevereiniteit van alle inwoners te waarborgen. Door de ontwikkeling van de landbouw en de nationalisering van de banksector kunnen we een productieve industriële sector mogelijk maken.

Een economie die de uitbuitende sociale productieverhoudingen normaliseert, kan zich ontwikkelen en bijdragen tot welvaart op korte termijn. Dit zal echter onvermijdelijk leiden tot nog meer ernstige crisissen op lange termijn.

Het recht van werknemers om zelf hun productie te beheren en hun volledige loon te ontvangen, als resultaat van hun werk, blijft de basis van het democratische economische systeem dat wij nastreven.