Het document "Op weg naar een nieuw Europees Sociaal Model" werd opgesteld en goedgekeurd door het "Forum Sociaal Europa". Dit Forum is een netwerk van linkse vakbondsleden van verschillende Europese landen, dat ongeveer tien jaar geleden werd opgericht. Het uitgangspunt was de vaststelling dat leef- en werkomstandigheden meer en meer worden beïnvloed door Europees beleid, en dat vakbondsorganisaties dit proces onvoldoende beïnvloeden. Het doel van het Forum is een breed sociaal debat aan te moedigen over de ontwikkeling van Europa en het Europese beleid om te komen tot een politiek alternatief voor de dominant neoliberale manier van denken. Dit zal ook helpen om van Europese vakbondsorganisaties een sterke beweging te maken, die haar institutionele en nationale grenzen kan overschrijden. De leden van het Forum zijn ervan overtuigd dat een sterke en onafhankelijke vakbondsbeweging onmisbaar is voor de ontwikkeling van een sociaal Europa. We ondersteunen een Europees sociaal ontwikkelingsproces waarin de werknemers en hun vakbonden een hoofdrol spelen - in overeenstemming met onze overtuiging dat de vakbonden in de eerste plaats een beweging moeten zijn, die niet institutioneel mogen worden begrensd.

 

Dit document is bedoeld als bijdrage tot het sociale en politieke debat, en we nodigen iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkeling van vakbonden en vakbondsbeleid dan ook uit om bijdragen en/of opmerkingen aan te reiken.

Deel I: De noodzaak voor een alternatief model

a) Achtergrond

De term "Europees Sociaal model" wordt vaak gebruikt om de sociale welvaartsstaten te beschrijven die zich vooral na de Tweede Wereldoorlog in West Europa hebben ontwikkeld. Ook de grotere invloed van vakbondsorganisaties in deze samenlevingen valt hieronder. Hoewel de West-Europese landen veel gemeenschappelijke kenmerken hebben ontwikkeld, is het ook belangrijk te onthouden dat het "Europees Sociaal Model" in realiteit een combinatie was van verschillende modellen die zich ontwikkelden binnen het kader van sterke nationale staten. Ze ontwikkelden zich op nationaal en dus niet op Europees niveau, met hun eigen tradities en bijzonderheden. In Spanje en Portugal bijvoorbeeld overleefde zelfs het fascisme tot de jaren zeventig. Aan de andere kant vertonen deze sociale modellen veel gelijkenissen voor wat betreft de historische context, mondiale machtsverhoudingen en culturele relaties. De West-Europese welvaartsstaten waren het resultaat van een specifieke historische ontwikkeling, waarbinnen een belangrijke verschuiving in de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal de basis vormde voor een herverdeling van macht en rijkdom in de samenleving.

Onder de specifieke omstandigheden die zich ontwikkelden, leidde het eigenlijke machtsevenwicht tot het zogenaamde historische compromis, of sociaal pact, tussen arbeid en kapitaal. Doordat de sterkte van de arbeidersbeweging toenam, moesten kapitalistische belangen plaatsruimen voor talrijke eisen van de arbeiders, en werd aanvaard dat een aanzienlijk deel van de economische groei zou worden gebruikt om sociale welvaartsvoorzieningen te ontwikkelen. De vrees voor een socialistisch offensief van de arbeidersbeweging was de drijvende kracht achter de bereidheid van de kapitalisten om dergelijke akkoorden te sluiten.

De democratisering van de samenleving en de ontwikkeling van openbare diensten van hoge kwaliteit waren dus het resultaat van een sociale strijd die de macht van de syndicaten vergrootte, in het bijzonder tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw. De toename van staatseigendom en de controle op basisinfrastructuur in de samenleving en op openbare voorzieningen, vertegenwoordigen een belangrijk deel van de nieuwe machtsverhoudingen. Het arbeidsrecht en de arbeidsmarktvoorwaarden werden verbeterd.

Dit werd verwezenlijkt door een algemene beteugeling van de marktkrachten. De macht van het kapitaal werd gereduceerd ten voordele van politiek verkozen organen. Politieke interventies op de markt temperden de concurrentie. Kapitaalcontrole werd ingevoerd en financieel kapitaal gereguleerd. Een sterke publieke sector en de welvaartsstaat beïnvloedden de kapitalistische ontwikkeling. Een belangrijk deel van de economie werd weggehaald van de markt en onder politieke controle geplaatst.

Kapitaalcontrole, in het bijzonder, maakte het mogelijk een beleid van nationale economische en sociale ontwikkeling na te streven zonder voortdurend geconfronteerd te worden met exitstrategieën van het kapitaal, waar grote ondernemingen dreigden te vertrekken naar andere landen met gunstigere voorwaarden en goedkopere arbeidskrachten, indien hun belangen werden geschaad.

Het vredevol samengaan van arbeid en kapitaal, wat een resultaat was van deze ontwikkeling, werd in de eerste plaats in het noorden van Europa geïnstitutionaliseerd, en na de Tweede Wereldoorlog min of meer in heel Europa. Vanuit een periode die werd gekenmerkt door zware confrontaties tussen arbeid en kapitaal, kwamen samenlevingen terecht in een periode van sociale vrede, onderhandelingen tussen twee en drie partijen en consensuspolitiek - nu het "Europees Sociaal Model" genoemd. Dit was gebaseerd op een groeiende economie en een asymmetrisch, kwetsbaar en onstabiel compromis tussen klassen.

b) Het neoliberale offensief

Wanneer de reconstructie en wederopbouw van de economie na de Tweede Wereldoorlog afgelopen was, kreeg het naoorlogse economische model van Keynes te kampen met steeds meer problemen. Stagnering, inflatie en winstcrisissen kregen de overhand. Aangespoord door deze internationale economische crisissen, gingen de marktkrachten over tot het offensief, en begon het huidige neoliberale tijdperk. Op die manier culmineerde in de jaren zeventig de politiek van het sociaal pact. Daarna veranderden de kapitalistische krachten hun strategie met als doel de winstgevendheid te herstellen, trokken ze zich geleidelijk aan terug uit het sociaal pact en voerden ze meer confronterende maatregelen tegen arbeiders in.

Het kapitalistische offensief kreeg niet af te rekenen met veel weerstand. De arbeidersbeweging was niet echt goed voorbereid op de nieuwe economische en sociale situatie. De vakbondsorganisaties hadden moeilijkheden om te functioneren onder de veranderde economische en sociale omstandigheden, omdat hun beleid en hun activiteiten hoofdzakelijk afgestemd waren op economische bloei. Daarbij komt nog dat zich tijdens de periode van het sociaal pact een proces van depolitisering en deradicalisering voltrokken had, wat het makkelijker maakte de crisis 'op te lossen' door te raken aan werkomstandigheden, de rechten van vakbonden en werknemers, overheidsdiensten en sociale rechten en voorzieningen.

De afgelopen twintig jaar hebben we bijgevolg te maken gehad met de afschaffing van kapitaalcontrole, de deregulering en liberalisering van de markten, de herverdeling van de rijkdom, de privatisering van overheidsdiensten, het toenemende gebruik van openbare aanbestedingen en outsourcing, het verminderen van het aantal arbeidskrachten tot een absoluut minimum waardoor arbeid intensiever werd, en de flexibilisering van de arbeidsmarkten. Via informele en onwettelijke machtsstructuren zoals de G8, instituten als het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO), en via bilaterale en regionale handelsovereenkomsten, worden neoliberale beleidslijnen doorgedrukt en internationaal geïnstitutionaliseerd. Samenvattend kan men stellen dat er een enorme aardverschuiving heeft plaatsgevonden in de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal, en ditmaal in het voordeel van het kapitaal. De grote multinationals namen het voortouw bij deze ontwikkeling, dankzij hun nieuw verworven vrijheid van democratische regulering en controle.

Een belangrijk deel van de strategie van het kapitaal was de herstructurering van de kapitalistische productie op mondiaal niveau. Wereldwijde productielijnen, lean production, outsourcing, off-shoring en de verplaatsing van montagelijnen en ondersteunende diensten zijn kenmerkend voor deze ontwikkeling. Arbeiders en sociale modellen worden tegen elkaar uitgespeeld als gevolg van deze steeds meer onbegrensde bewegingsvrijheid van kapitaal, goederen en diensten. "New Public Management" heeft het model van de privé-sector binnengeloodst in de publieke sector. Als gevolg daarvan stijgt de concurrentie op de arbeidsmarkt, en de snelle toename van onzeker werk ondermijnt de rechten van vakbonden en werknemers.

De instellingen en politieke inhoud van de Europese Unie, samen met het beleid van de nationale overheden, werden de laatste twintig jaar ontwikkeld onder invloed van deze nieuwe machtsverhouding. Marktvrijheid en de mogelijkheid om te concurreren op hoe langer hoe meer gedereguleerde internationale markten vormden de richtsnoeren voor het hedendaagse beleid. De eenheidsmarkt, het stabiliteits- en groeipact, de Lissabonstrategie en het agressieve Europese handelsbeleid werden alle ontwikkeld om deze doelen te dienen. De uitbreiding van de EU gaat gepaard met nieuwe bedreigingen in deze context. In de Oost-Europese landen is het dereguleringsbeleid sterk ontwikkeld, in het bijzonder wat de werkomstandigheden betreft. Aan de andere kant zijn de vakbondsorganisaties gefragmenteerd en zwak. Europese welvaartsstaten en het arbeidsrecht werden door deze ontwikkeling aangevallen, ondermijnd en verzwakt.

c) De Lissabonstrategie en de EU-crisis

De Lissabonstrategie is de afgelopen jaren een belangrijk werktuig geweest in het neoliberale offensief. Het doel is om voor 2010 de meest concurrerende kenniseconomie ter wereld te worden. De Lissabonstrategie is gebaseerd op de vestiging van een nieuw tijdperk van kapitalistische ontwikkeling, wat een nieuwe periode van economische welvaart zou mogelijk maken door gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door de informatie-economie. Deze mogelijkheden worden overschat en dit concept alleen is niet in staat om de structurele grenzen van het kapitalisme te overschrijden, aangezien het er eigenlijk nauw mee verbonden is.

In een economie waar de dienstensector ongeveer 70 procent van de werkgelegenheid vertegenwoordigt, waarvan een groot deel arbeidsintensief is, betekent dit een enorme aanval op de arbeidskosten - zowel wat betreft de directe kosten (lonen) als wat betreft de indirecte kosten (sociale welvaartsvoorzieningen). De Dienstenrichtlijn werd gelanceerd als een belangrijk instrument om een vermindering van de arbeidskosten te verkrijgen, door sociale dumping te institutionaliseren en openbare diensten aan te vallen. Hoewel de sterke mobilisering ertegen heeft geleid tot belangrijke wijzigingen aan deze richtlijn, vormt ze nog steeds een bedreiging voor de arbeidsomstandigheden en de openbare diensten.

Na de tussentijdse herziening in 2005, kwam de Commissie tot de conclusie dat de balans van de Lissabonstrategie (volgens het Verslag Kok) hoe langer hoe negatiever is in vergelijking met andere landen zoals de Verenigde Staten, China en India. Volgens de Commissie is dit geen tekortkoming van het programma of concept. Het is een tekortkoming in de uitvoering van de strategie, en daarom moet deze niet fundamenteel worden veranderd, maar is integendeel een striktere toepassing ervan nodig.

De doelstellingen van de Lissabonstrategie, namelijk meer en betere jobs te creëren en te zorgen voor meer sociale samenhang, zijn min of meer gebruikt om de vakbeweging te paaien. De echte ontwikkelingen zijn in de tegengestelde richting gegaan - met voortdurende hoge werkloosheidscijfers, toegenomen armoede, een herverdeling van de rijkdom van beneden naar boven en een snelle toename van onzeker werk.

In haar mededeling "Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren" schrijft de Commissie nog agressievere maatregelen voor om de doelstellingen van de Lissabonstrategie te bereiken, zowel intern als extern. Extern betekent dit een verhoogde druk om markttoegang te zoeken voor Europese bedrijven in andere landen. Intern betekent dit dat binnenlandse regelingen moeten worden geherstructureerd en ontwikkeld als middel om het concurrentievermogen van Europese bedrijven te verhogen. De belangen van de inwoners van ontwikkelingslanden en de inwoners van Europa worden dus gezamenlijk geofferd op het altaar van de Europese commerciële belangen.

Deze strategie toont dat de Commissie haar koers versnelt - in de verkeerde richting. De Europese Unie doet dit ondanks de diepe crisis waarin ze zich bevindt, die onder meer te zien is in de verslagen grondwet, het niet halen van de tussentijdse financiële doelstellingen (2007-2013), het onvermogen om een gemeenschappelijk buitenlands beleid te ontwikkelen en stijgende populaire oppositie en mobilisering tegen verdere liberalisering van de eenheidsmarkt.

d) Een nieuwe mogelijkheid - een nieuw offensief

Hoewel er af en toe werd gemobiliseerd en er confrontaties waren in enkele landen, was het grootste deel van de vakbeweging in Europa verrast door het neoliberale offensief. Veel vakbonden, nationale verbonden en internationale vakbondsorganisaties gingen gewoon verder alsof het sociaal pact nog steeds intact was, of makkelijk kon worden hersteld door de zogenaamde sociale dialoog.

De sociale vrede en de geleidelijke verbetering van de sociale omstandigheden waarmee we te maken hadden in de periode na de Tweede Wereldoorlog hebben echter geen enkel realistisch draagvlak onder de huidige machtsverhoudingen. Het sociaal pact is vernietigd en kapitalistische krachten zijn overgegaan tot het offensief. Ze gingen van consensus naar confrontatie, en de vakbeweging moet zich voorbereiden om te kunnen omgaan met deze nieuwe situatie. Als we overheidsdiensten, de welvaartsstaat en de rechten van vakbonden en werknemers willen beschermen, moeten we hun aanvallen beantwoorden met een tegenoffensief.

De deradicalisering en depolitisering van grote delen van de vakbonden en de arbeidersbeweging en hun onvermogen om aanvallen van kapitalistische krachten en rechtse regeringen te counteren, heeft nationalistische stromingen en rechtse populistische partijen de kans geboden de situatie uit te buiten door in te spelen op de groeiende ontevredenheid en het ongenoegen van de bevolking. Bijgevolg hebben door geheel Europa enkele rechtse populistische partijen zich ingewerkt in de arbeidersbeweging.

De afgelopen jaren is een groeiend aantal vakverenigingen hoe langer hoe kritischer geworden ten opzichte van de neoliberale beleidslijnen die worden nagestreefd door de Europese Unie en door de meeste van onze nationale overheden. Het afwijzen van het Constitutioneel Verdrag in Frankrijk en Nederland toonde aan dat er grote tegenkanting bestaat tegen een neoliberaal Europa. De brede mobilisering over heel Europa tegen de Dienstenrichtlijn en de zeer succesvolle strijd tegen de Havenrichtlijn verhief de strijd naar een supranationaal niveau. Terwijl de meeste mobiliseringen door de vakbonden tegen de neoliberale aanvallen gedurende de afgelopen twintig jaar beperkt zijn gebleven tot een strijd op lokaal en op nationaal niveau, is de Europese Unie eindelijk een verenigd strijdtoneel geworden voor de strijd van de vakbonden, iets wat een conditio sine qua non is voor een succesvollere offensieve strijd in de toekomst.

Tegelijkertijd hebben we ook de ontwikkeling van een nieuwe globale rechtvaardigheids- en solidariteitsbeweging kunnen meemaken, met inbegrip van een wereldwijde antioorlogs- en vredesbeweging, die vecht tegen neoliberaal beleid in verschillende domeinen. Zowel in de strijd tegen het Europees Constitutioneel Verdrag als tegen de Dienstenrichtlijn waren de allianties die werden gesmeed tussen de vakbonden en deze nieuwe maatschappelijke beweging van doorslaggevend belang. De succesvolle alliantie tussen de Franse vakbonden, studenten- en jongerenorganisaties en andere sociale bewegingen, die de voorgestelde arbeidswetgeving (CPE) heeft doen mislukken, betekende ook een grote inspiratie in dit opzicht.

Deze ontwikkelingen, de Europese Unie in crisis, meer kritische vakbonden, bredere allianties en succesvolle gevechten op Europees niveau creëren een nieuwe situatie voor de sociale strijd in Europa. Vakbonden moeten deze situatie ten volle uitbuiten. Onder de huidige machtsverhoudingen worden geïsoleerde overwinningen van de vakbeweging meestal onmiddellijk gevolgd door nieuwe aanvallen van Europese instellingen, regeringen en werkgevers. De vakbeweging in Europa, verenigd met andere sociale bewegingen, moet zich daarom voorbereiden op een offensief om zo de machtsverhouding te verschuiven, door de confrontatie aan te gaan met marktkrachten, en op die manier de basis leggen voor een nieuw en totaal verschillend Europees Sociaal Model gebaseerd op solidariteit en duurzame ontwikkeling.

Een dergelijk offensief moet van onderuit komen en verbindingen helpen leggen tussen bestaande gevechten van vakbonden en andere sociale gevechten in Europa. In wat volgt zullen we de belangrijkste terreinen identificeren waarop deze strijd moet worden gevoerd, samen met een aantal concrete eisen die realistisch gezien kunnen worden verwezenlijkt in de huidige situatie, en bijgevolg kunnen bijdragen tot een verschuiving van de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal.

Deel II: Belangrijke strijdterreinen

Er moet een nieuwe richting voor economische en sociale ontwikkeling in Europa worden uitgestippeld en verankerd als een alternatief in het bewustzijn van de mensen. Dit is ook nodig om ervoor te zorgen dat de gerechtvaardigde ontevredenheid bij grote delen van de bevolking over de ontwikkelingen in Europa niet omslaat in rechtse populistische gevoelens en nationalistisch denken.

Om dit doel te bereiken is een nieuw Europees sociaal model belangrijk. De bedoeling moet zijn een soeverein Europees project te creëren, dat een algemeen concept moet zijn voor de Europese linkerzijde. Het gaat er niet om het huidige model te verbeteren of aan te passen; een volledige economische en politieke heroriëntering is noodzakelijk.

Dit nieuwe sociale model wordt gekenmerkt door een nieuw economisch regime, het waarborgen van een sociaal welvaartssysteem, het versterken van de plichten en verantwoordelijkheden van de staat en de democratisering van nationale en Europese instellingen en industriële relaties. In dit opzicht is het ook belangrijk de rol van de Europese Unie op internationaal niveau te herbekijken.

Dit betekent in het bijzonder:

1. Een nieuwe wereldorde gebaseerd op vrede en solidariteit

Vrede vormt de fundamentele basis voor elke vorm van sociale ontwikkeling. Zeer vaak worden oorlog en militaire confrontaties gerechtvaardigd als politieke middelen. Dit is onaanvaardbaar. Een Sociaal Europa moet in de mogelijkheid verkeren politieke oplossingen te vinden en politieke alternatieven te ontwikkelen voor militarisering in Europa en de wereld. Europa moet zichzelf bewijzen als een macht die staat voor samenwerking en vrede.

Het doel is een nieuwe wereldorde gebaseerd op vrede en solidariteit. Een essentieel onderdeel in deze context is een migratiebeleid gericht op integratie.

2. Her-regulering van de globale economie

Maatschappelijke bewegingen over de hele wereld moeten de krachten bundelen om de neoliberale herstructurering van de wereldeconomie te beëindigen. De onwettelijke machtsstructuur die de G8 vormt, moet worden afgeschaft, en het verplichte deregulerings- en privatiseringsbeleid van het IMF, de Wereldbank en de WTO moet worden gestopt. Het doel is een nieuwe en eerlijke wereldhandelsorde, de ontmanteling van het globale financiële kapitaal en de reorganisatie van Noord-Zuid relaties. De invoering van een Tobin-belasting en andere vormen van kapitaalcontrole kunnen belangrijke beginpunten zijn voor deze strijd.

3. Stop neoliberalisme - voor een níeuw economisch regime

We hebben een nieuw economisch beleid nodig als alternatief voor de neoliberale manier van denken. Er is een nieuw monetair en fiscaal politiek regime nodig, en een nieuw Europees concept op het vlak van infrastructuur en innovatie. Bij de volgende stap ligt de nadruk op het ontwikkelen van een verandering in het politieke, financiële en werkgelegenheidsparadigma. Belangrijke elementen zijn een democratisch verantwoordelijke Europese Centrale Bank, de afschaffing van het stabiliteitspact en de vervanging ervan door een gecoördineerd economisch beleid in de hele Europese Unie om de macht van het kapitaal te counteren en duurzame ontwikkeling te promoten, meer werkgelegenheid en een herverdeling van de rijkdom van boven naar beneden en een regionaal en structureel beleid over heel Europa, vooral om regionale ongelijkheid te overwinnen, bijvoorbeeld tussen de 'oude' en de 'nieuwe' landen en regio's.

4. Democratisering van de Europese instellingen

Europa heeft nieuwe principes nodig, gebaseerd op democratische beslissingen door bevolkingen en parlementen. Deze principes moeten grotendeels bestaan uit een volledige erkenning van democratische rechten en rechten van arbeiders, een vredevolle rol voor Europa in de wereld, het weigeren van oorlog als een middel om internationale conflicten op te lossen, gelijkwaardig burgerschap voor migranten en het doel een sociaal Europa te verwezenlijken gebaseerd op menselijke behoeften en milieubehoud.

Een project voor institutionele en communicatieve democratisering van de Europese Unie is van cruciaal belang. Institutionele democratisering betekent de uitbreiding van de autoriteit en de rechten van het Europees Parlement en de uitbreiding en versterking van elementen voor een 'directe democratie' (bijvoorbeeld een petitie voor een referendum). Communicatieve democratisering verwijst in het bijzonder naar de politieke ontwikkeling van een Europese bevolking als een domein voor politieke controle en een civiele samenleving, en de totstandkoming van politieke impulsen in het politieke en institutionele bestel. Er moet een Europese identiteit worden gepromoot die gebaseerd is op menselijke waarden, democratie en sociale samenhang.

5. Herverdeling van de rijkdom door een universeel sociaal beschermingssysteem

De verandering van de strategie voor sociale insluiting van een concurrentiegericht naar een sociaal en solidair georiënteerde vorm van benchmarking kan een beginpunt vormen. Het sociale welvaartssysteem, gebaseerd op diensten in het bezit van en beheerd door de overheid, moet worden verdedigd en voortdurend worden ontwikkeld volgens het criterium van de universaliteit, en moet de levensstandaard waarborgen en individuele behoeften insluiten, op basis van hogere standaarden. Basisvereisten zijn een minimumstandaard voor uitkeringen ingeval van ziekte, werkloosheid ouderdom, en een Europees minimumloon. De aanhoudende aanvallen op publieke pensioenssystemen moeten worden gestopt.

6. Overheidsdiensten van hoge kwaliteit die voor iedereen toegankelijk zijn

Gemeenschappelijke openbare goederen en diensten zijn belangrijke sociale elementen, aangezien ze een essentieel werktuig zijn voor sociale en territoriale solidariteit, voor de herverdeling van de maatschappelijke rijkdom, voor een duurzame samenleving en voor de toepassing van burgerrechten. Openbare diensten worden echter al lang aangevallen op alle niveaus, met als doel ze te hervormen in economische activa en goederen die de regels van de markt moeten respecteren. Het huidige neoliberale beleid van de Europese Unie moet daarom worden verworpen. Dit houdt ook in dat gevechten moeten worden gevoerd tegen de beleidslijnen van de GATS-overeenkomst van de WTO, de Dienstenrichtlijn en alle toekomstige richtlijnen die de openbare sector verder liberaliseren en privatiseren.

7. Een versterking van de rechten van vakbonden en werknemers

De invloed van werknemers en de rechten van vakbonden en werknemers hebben in Europa de afgelopen twintig jaar zwaar onder vuur gelegen. Daarom is het nodig het initiatief terug te winnen, de collectieve onderhandelingsposities te versterken en de machtsverhoudingen te doen verschuiven om de macht van het kapitaal en de werkgevers te beperken en de democratische controle op de economie en de macht van de vakbonden op bedrijfs-, nationaal en Europees niveau te vergroten.

8. Kortere werktijden

De fundamentele heroriëntering van het economische beleid moet gepaard gaan met een allesomvattende en algemene arbeidsduurvermindering. Het doel om meer werkgelegenheid te creëren, kan enkel worden bereikt door een herverdeling van het werk. Los daarvan heeft arbeidsduurvermindering ook een groot maatschappelijk en cultureel belang.

9. Duurzame ontwikkeling en milieubescherming

Het is een uitdaging een economisch beleid te ontwikkelen dat zowel instaat voor maatschappelijke ontwikkeling als voor ecologische duurzaamheid. Milieubescherming is een basisbehoefte. Hiervoor is een beleid nodig dat gericht is op het besparen op hulpbronnen. We hebben een nieuw energiebeleid nodig dat gebaseerd is op de ontwikkeling van nieuwe energiebronnen en op energiebesparing. De ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen maakt een essentieel deel uit van dergelijk beleid.

10. Gelijke kansen voor vrouwen en mannen

Een nieuw Europees sociaal model moet bijzondere aandacht besteden aan 'gendermainstreaming'. Dit vereist een herdefiniëring van beleidswaarden. Er moet een perspectief van gendergelijkheid worden geïntegreerd in alle beleidsdomeinen.

Politieke conclusie

Losse groeperingen en bewegingen kunnen de hierboven beschreven taken niet uitvoeren. Daarom is het noodzakelijk de samenwerking van het hele linkse veld te versterken, alle nodige hulpmiddelen aan te wenden en brede allianties aan te gaan om het voorgestelde project verder vorm te geven.

De maatschappelijke bewegingen, de linkse politieke partijen in de nationale en Europese parlementen en regeringen, kritische intellectuelen en vakbonden vormen in deze context de linkse sleutelelementen. In dit opzicht moet het een belangrijk doel van het Forum Sociaal Europa zijn discussies te beginnen binnen de vakbeweging, het smeden van allianties aan te moedigen en gezamenlijke activiteiten te starten.

We moeten overeenkomen welke concrete eisen en voorstellen eerst moeten worden behandeld om de realisatie van een nieuw Europees sociaal model dichterbij te brengen. Dergelijke eisen moeten voortbouwen op bestaande mobiliseringen en gebaseerd zijn op concrete analyses van de huidige situatie.

Contactadres: Forum Social Europe, Rodoula Matziari, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.