ImageBespreking van het boek A Game as Old as Empire: The Secret World of Economic Hit Men and the Web of Global Corruption. (San Francisco 2007) "Het boek is een gids over de intriges van het moderne imperialisme".

Door Hannah Holleman en R. Jonna in de Monthly Review van februari 2008
Vertaling Tijn van Beurden

Net voor John Perkins, auteur van de bestseller Confessions of an Economic Hit Man, besloot dat hij niet langer kon blijven zwijgen over zijn nauwe betrokkenheid bij de economische oorlog tegen de derde wereld-landen, zat hij vertwijfeld bij de ruines van Ground Zero, niet in staat de tragedie te overzien. Het enige beeld dat zich aan hem opdrong, was dat van een wapenhandelaar uit de VS die voor miljoenen aan wapens leverde aan de mujahedeen in Afghanistan. Perkins was voormalig adviseur van een multinationale aannemer op het gebied van nutsvoorzieningen, zoiets als Bechtel. Hij voelde zichzelf net als anderen het product van een 'systeem dat de subtielste en effectiefste vorm van imperialisme propageert dat de wereld ooit heeft gekend'(*1) Gerenommeerde commentatoren die het boek van Perkins  bespraken negeerden de levendige verhalen over zijn persoonlijke betrokkenheid als economic hit man. Dat werd ongetwijfeld veroorzaakt doordat Perkins zijn ervaring gebruikte, en nadruk legde op de aanzienlijke verbindingen tussen de geheime diensten van de VS, de multinationale ondernemingen en de politieke elite van de derde wereld landen, om zo de echte motieven van 'ontwikkeling' bloot te leggen. Als economic hit man produceerde Perkins bijna elke economische voorspelling waarom men vroeg, zoals zijn bazen trouwens ook van hem verwachtten. Zo ontstonden uiteindelijk zijn bezwaren tegen het economische dogma van de VS in Confessions:

 

"We geloven liever dat duizenden jaren van menselijke evolutie uiteindelijk het ideale economische systeem heeft geperfectioneerd, dan dat we onder ogen zien dat we in een verkeerd concept gestapt zijn, dat we vervolgens als goddelijk dogma zijn gaan beschouwen. We hebben onszelf wijs gemaakt dat economische groei goed is voor de mensheid.........dat mensen die uitblinken in het opstoken van economische groei, geprezen en beloond moeten worden, terwijl de minderbedeelden beschikbaar zijn voor uitbuiting.....Het echte verhaal is dat we leven in een leugen."(p. 216)

 

Critici wezen terecht op het magere ondersteunende bewijs voor de belastende verklaringen, ofschoon Perkins talrijke en goed gedocumenteerde historische vergelijkingen leverde, zoals de betrokkenheid van de CIA bij het omverwerpen van linkse Latijns-Amerikaanse regeringen en de wereldwijde bewuste aanwending van schuldslavernij. Als antwoord op critici en de media-blokkade, hebben Perkins en Berret-Koehler, de uitgever van Confessions, een groep bij elkaar gebracht van activisten, academici, onderzoeksjournalisten, voormalige economic hit men, en schrijver-activist Steven Hiatt, om A Game as Old as Empire uit te brengen. Het boek is een gids over de intriges van het moderne imperialisme.

Net als Perkins hebben agenten van het imperialisme in het verleden dikwijls de gevolgen van het beleid dat ze hielpen implementeren vastgelegd. Zo zijn officiële rapporten aangevuld met de meest afschuwelijke gebeurtenissen en het overlijden van de slachtoffers van het imperialisme. Imperialisme dat inherent is aan kapitalisme als economisch systeem, heeft vanaf het begin een ideologische dekmantel gekregen van de meest prestigieuze economen. Vrijheid, vrije markt, hebzucht, economische ontwikkeling en plundering werden door elkaar gehaald. Daarom zullen de uiteenzettingen en analyses in A Game as Old as Empire de kenners van de geschiedenis van de kapitalistische ontwikkeling niet verrassen. Maar de lezers hebben waarschijnlijk nog nooit een dergelijke verzameling essays van insiders, die hun eigen rol onthulden bij de versterking van het kapitalisme, bij elkaar gezien. De activiteiten van die insiders betekenden verpaupering van mensen over de hele wereld en de ondermijning van democratische hoop. De verklaringen zijn daarom zo uniek, omdat ze zijn samengebracht in een boek dat gericht is op sociale verandering.

Hiatt, auteur van het eerste essay, 'Global Empire: The web of control,'geeft achtergrondinformatie over de samenwerking tussen de politiek en de wereld economie na de Tweede Wereldoorlog. Toen veel Europese kolonies formele onafhankelijkheid verkregen, was de westerse elite vastbesloten dat proces te beheersen om zo hun toegang tot grondstoffen, arbeid, en markten van de derde wereldlanden te handhaven. Zo werd een 'subsidie van de voormalige kolonies aan de voormalige heersers ingebouwd'. (17) Echte onafhankelijkheid vormde voor het Westen op twee manieren een bedreiging: (1) 'Aziatische, Afrikaanse en Latijns Amerikaanse landen zouden baas over hun eigen economie kunnen worden, om zich zo zelf te ontwikkelen,' en (2) 'er waren alternatieve modellen: Cuba en Vietnam waren prominentste voorbeelden' (17). Ondanks alle risico's was het voordeel van de westerse strategie op dat punt helder: 'onafhankelijkheid bood het Westen de mogelijkheid de kosten van directe heerschappij -verantwoordelijkheid voor bestuur, toezicht, en ontwikkeling kwijt te raken- en tegelijkertijd alle voordelen voor het imperium te handhaven'. (17)

Tijdens de koude oorlog, concurreerde het Westen met de Sovjet Unie om ontwikkelingsleningen te verstrekken aan nieuwe onafhankelijke staten om zo 'die landen onder westerse economische en politieke controle te brengen' (17). Die leningen werden afgesloten, dikwijls door een corrupte elite voor eigen verrijking, met garantstelling van westerse regeringen en de schatkist van de derde wereldlanden als onderpand. Zoals Marx het een eeuw geleden het al stelde:

 

'Nationale schuld, dat wil zeggen vervreemding (door verkoop) van staatseigendom, of het nu despotische, constitutionele of republikeinse staten zijn, kenmerken het kapitalistische tijdperk. Het enige deel van de zogenaamde nationale rijkdom dat feitelijk in handen komt van het gemeenschappelijke bezit van een moderne natie is de nationale schuld'. (Capital, vol. 1, 919 )

 

De economieën van de derde wereld landen waren verzwakt door tientallen jaren, zo niet eeuwen van koloniaal kapitalistische uitbuiting en konden daardoor leningen niet meer aflossen. Dat werd natuurlijk wel geëist en het gaf het Westen de gelegenheid economieën te herstructureren in de naam van de 'vrije handel.' Die herstructurering was schijnbaar bedoeld om de schulden te betalen en groei mogelijk te maken. De echte gevolgen waren openstelling en uitputting van de markten van derde wereld landen en de exponentiële verhoging van rente en leningenomvang, waardoor de bevolking met schulden werd overladen en ondernemingen van westerse landen record winsten maakten. De elites hier en in het buitenland hebben samengespannen om hun eigen klasse te verrijken en zo de grootste inkomenskloof tussen rijk en arm te veroorzaken, met de grootste opeenhoping van rijkdom in een paar handen die in de geschiedenis  bekend is. "Dit systeem wordt wel eens een 'omgekeerd Marshall plan' genoemd waarbij de derde wereld landen de rijke westerse landen subsidiëren, zelfs al leeft de halve wereldbevolking van minder dan $ 2 per dag".(19)

De tien volgende essays in het boek geven een fascinerend beeld van wat die wereldeconomie betekent voor mensen. In plaats van abstract gepraat, krijgen corruptie en omkoperij hier een gezicht, en beginnen we te begrijpen hoe "corruptie als het vaste hulpje van de Macht, dient als een mechanisme van winst en controle, en de aandacht afleidt van de echte machtsbron".(24) Het boek toont aan hoe de wettelijke en staatsstructuur opgebouwd worden om de elite van dienst te zijn. Voor Perkins is de echte machtsbron de "corporatocracy": de machtige groep die aan de top staat van de grootste ondernemingen van de wereld, de machtigste regeringen en het eerste echte imperium in de wereldgeschiedenis"(2) In elk verhaal zijn de ondernemingen stevige medespelers en zeker geen speelbal in de strijd om de geopolitieke controle. De onthullingen van Lucy Komisar (hoofdstuk 4) met betrekking tot de notoir corrupte Bank of Credit and Commerce International (BCCI) introduceert ons in het schimmige raakvlak tussen enkele van de afschuwelijkste dictators van de twintigste eeuw, beruchte drugkartels, religieuze extremisten, machtige politieke elites (Democraten en Republikeinen) en de bloedigste CIA operaties. Tegen die achtergrond moeten we ook de bijdragen zien van S.C.Gwyne (hoofdstuk 2), voormalig internationaal bankier, Steve Berkman (hoofdstuk 8), een voormalig fraude-onderzoeker van de Wereldbank, en John Christensen (hoofdstuk 3), voormalig BCCI werknemer en ambtenaar in Jersey, een politiek autonoom eiland en bloeiend offshore belastingparadijs, dat deel uitmaakt van de British Isles. Ze leveren allemaal bewijsmateriaal voor de stelling dat de praktijken van de BCCI systematisch zijn en dus nodig voor het functioneren van de wereldeconomie.

Wyne geeft een eerstehands verslag van het leven van een ondernemende internationale bankier: "gekleed in een pak dat meer kost dan wat een gemiddelde inwoner per jaar ontvangt, toont hij niet al te veel interesse voor de lokale bevolking, hij is gehoorzaam, agressief en amoreel; zijn efficiency wordt bepaald door die zeer nauwe blik van de wereld om hem heen."(34) Al wat hij moet doen om zijn promotie veilig te stellen is het sussen van de maatjes van de lokale elite (in dit geval de vrienden van Ferdinand Marcos), het negeren van het feit dat de deal "minder gezond is" (bijvoorbeeld "pure waanzin" vanuit financieel oogpunt) (36), en zichzelf indekken door een regeringsgarantie. Het is natuurlijk bekend dat de nationale bank die de verantwoordelijkheid op zich neemt "geen enkele kans heeft " om haar borg terug te krijgen.(38) Tegen de tijd dat de betalingen zijn geschorst is de bankier al weg, de lening herschikt en de gehate schuld vergroot ($ 28 miljard toen Marcos ten val werd gebracht) en het Filippijnse volk mag terugbetalen(39). De bijdrage van Berkman over de halsstarrigheid van de Wereldbank met betrekking tot vele onderzoeken, die de welig tierende fraude onthulden, wijkt niet veel af. De Wereldbank staat garant voor:

 

"Miljoenen dollars voor wegen die niet konden worden gevonden, miljoenen die werden betaald voor verbetering van infrastructuur die niet konden worden geverifieerd, goedgekeurde miljoenen voor diensten die op de een of andere manier nooit de armen bereiken, miljoenen om een betere economische politiek mogelijk te maken, en miljoenen voor beter bestuur... Uit die rampzalige corruptie kan men alleen maar concluderen dat fraude en bedrog meer regel dan uitzondering zijn in de portefeuille van de Wereldbank."(173)

 

In al die gevallen is het geleende geld veilig opgeborgen bij offshore belastingparadijzen, zoals Christensen gedetailleerd beschrijft, wat resulteert in "wijdverspreide werkloosheid, slechte publieke diensten en een algemeen gebrek aan economische en sociale mogelijkheden."(66) Christensen concludeert: "corruptie in de derde wereldlanden kan niet overleven zonder de medeplichtigheid van de financiële instituten van de rijke landen."(45) en "offshore bankieren is de kern van een systeem dat de zakenwereld en de superrijken in staat stelt te opereren buiten bereik van de onshore publieke en wettelijke autoriteiten."(54) 

De beweging voor schuldkwijtschelding groeide als antwoord op die cyclus van plunderingen, met de eis dat de USA en andere landen de gehate schulden kwijt moesten schelden. James S. Henry maakt duidelijk dat na eindeloze herschikkingen en prolongaties, en heel de hype over schuldkwijtschelding, landen meer schulden hebben dan toen de hulpplannen begonnen. Henry levert omvangrijke gegevens en een beknopt overzicht van de specifieke plannen met betrekking tot schuldhulpverlening zoals die door landen zijn voorgesteld, onder andere van de USA en de multilaterale instituten. Ook levert hij een kritische beschouwing van de feitelijke resultaten van de geïmplementeerde plannen. Hij geeft ook weloverwogen voorstellen die de dominantie van de grootste wereldbanken over de derde wereldbanken echt kan verminderen. Ondanks de mislukking van de schuldkwijtschelding, hebben die bewegingen uiteindelijk de multilaterale instituties verzwakt en dat verklaart waarschijnlijk het toenemende belang van de export credit agencies (ECAs), die door Bruce Rich worden onderzocht in hoofdstuk 10. Volgens Rich pompen de ECAs jaarlijks "meer geld in de ontwikkelingslanden dan alle ontwikkelingshulp wereldwijd, bilateraal en multilateraal, inclusief de hulp van de VN bureaus en de Wereldbank."(198) Ze zijn "nu het grootste collectieve publieke financiële instituut van de wereld."(199)

Het centrale doel van de ECAs is "handelsvergroting voor het eigen land."(198) Omdat ze met weinig of geen toezicht opereren, bestaat de neiging om sociaal en ecologisch schadelijke projecten te financieren, de drieklovendam in China is daarvan een voorbeeld.(201) Maar een van het grootste voordelen is verhoging van de bedrijfswinsten. ECAs doen dit door voor miljoenen aan leningen uit te zetten, die de nationale schuld direct verhogen, en additioneel geld beschikbaar stellen voor de volgende ronde van megaprojecten. (214-215)

De resterende drie stukken (exclusief de conclusie) nemen ons mee naar de meest meedogenloze conflictgebieden in de wereld van vandaag. Cathleen Kern (hoofdstuk 5) beschrijft in detail, hoe in de jacht op mineralen in de Kongo, militaristische leiders en milities, aan beide zijden van het conflict, worden getraind, bewapend en gemarteld door VS-militairen. In de jaren negentig, toen de macht wisselde tussen Kongo en Rwanda/Oeganda, wisselden de mijncontracten van meerdere miljoenen dollars, bankleningen en militaire hulpprogramma's ook. De "holocaust op de evenaar" werd ook ieder jaar meedogenlozer. Verscheidene ondernemingen (bijvoorbeeld Bechtel, Brown & Root een dochtermaatschappij van Halliburton, en mijnbouwondernemingen Barrick Gold and Heritage Oil and Gas), waarvan de raden van bestuur bestonden uit machtige politieke personages, leverden logistieke steun op sleutelplaatsen in het conflict. Ze werden beloond met lucratieve contracten. De mijnbouwonderneming kwamen tegelijk met militairen, net voor de invasies om zo contracten ter plekke veilig te stellen. (99-100) De Kongolezen die door Kern werden geïnterviewd wisten wel beter dan de schuld voor het conflict bij Rwanda en Oeganda te leggen, "het mogen dan piraten zijn geweest, de multinationale ondernemingen uit het Westen hebben ze uitgerust om de plunderingen uit te voeren."(98)

Het thema van onmenselijke en corrupte leiders die samenspanden met staten en multinationals doemde weer op in Nigeria, de leidende olie-exporteur in West-Afrika en een van de snelst groeiende bronnen van olie en gas voor de Amerikaanse markt. Andrew Rowell en James Marriott (hoofdstuk 6) volgen een gijzelaarsituatie in de Nigerdelta. In het proces beschrijven ze de sluimerende geopolitieke rivaliteit tussen China en de VS en de vertwijfelde weerstand van de inheemse stammen. De vorige OPEC-president en oud minister van oliezaken, Dr. Edmund Daukoro, bagatelliseerde cynisch genoeg onlangs de onrust onder de bevolking in de regio en was het eens met de lokale militaire commandant, majoor Paul Okuntimo, die verklaarde dat een ononderbroken oliewinning in de Nigerdelta onmogelijk is "tenzij meedogenloze militaire operaties worden ondernomen."(123)

In Irak waar "meedogenloze militaire operaties de norm zijn", onderzoekt Greg Muttit (hoofdstuk 7) de "non-profit" organisatie International Tax and Investment Center (ITIC), die opschept over een raad van bestuur...waarin directeuren zitten van enkele van de grootste multinationals ter wereld."(134) De ITIC was verantwoordelijk voor het opstellen van de beruchte production sharing agreements (PSAs), waarmee de oliewinning wordt geregeld, en op grond waarvan Irak nominale controle over de oliereserves krijgt en de oliemaatschappijen directe controle. De ITIC is volgens Ken Potter, vice president van Chevron Overseas, "een privaatachtige versie van de OECD of het IMF" (135) en werd bekend door de olie en gaswetten van het Oostblok te "hervormen". Het hoofd van de ITIC, Dan Witt, ging naar Irak net na de invasie, met de bedoeling het proces te herhalen. Geprivilegieerde toegang tot de centrale personen bij de bezettingsautoriteiten, samenspanning met het IMF, en de aanwezigheid van 150.000 USA militairen, garandeerde het succes, maar desondanks niet zonder conflicten.

Muttit interviewde ook Irakese oliearbeiders die geconfronteerd werden met racistische oordelen over hun bekwaamheid de olie-installaties te beheren, de voortzetting van een organisatieverbod uit 1987, en voortdurend getreiter door de bezettende macht. Ondanks die hindernissen blijven die arbeiders de voorhoede vormen van de strijd tegen de privatisering. Niettegenstaande plunderingen (in het bijzijn van US militairen) begonnen de arbeiders van de Iraqi Drilling Company onmiddellijk na de invasie, de derde in twintig jaar tijd, met het herstel van de installaties. Ook organiseerden ze zich illegaal. Dat deden ze niet alleen met het oog op de arbeidsrechten, maar volgens de vakbondsleider Hassan Juma, "om de nationale economie te beschermen, want we wisten heel goed dat de Amerikanen en hun bongenoten kwamen voor de olie."(142) Juma, leider van de 23.000 leden tellende vakbond van oliearbeiders, zegt dat de Irakezen "de privatisering zien als economisch kolonialisme. De autoriteiten zeggen dat privatisering nuttig is en zal helpen onze sector te ontwikkelen, maar wij zien dat helemaal niet als ontwikkeling: we zien ieder plan om de olie sector te privatiseren als een totale mislukking."(154)

Uit het voorgaande blijkt dat A Game as Old as Empire zeer de moeite waard is om te lezen, terwijl het uitzicht geeft op veranderingen en begrip van processen. Het boek verschaft informatie die voor de meeste van ons moeilijk te krijgen en te begrijpen is. Maar het boek heeft twee zwakke plekken die het deelt met andere boeken over "globalisering": een gebrekkige historische benadering en een naïeve economische analyse. Die zwakheden zijn vooral duidelijk in het laatste hoofdstuk.

Het boek focust voornamelijk op imperialistische activiteiten, vooral van de USA, vanaf de recessie van 1970. De schrijvers veronderstellen dat de beschreven gruwelijkheden een afwijking zijn van een gezonder verleden, of eervolle bedoelingen, vooral wat betreft de USA. (dit strookt met de mythe dat een "neoconservatieve sekte" verantwoordelijk is voor het onheil wat we nu aanschouwen.) Het is daarom belangrijk, het historische gegeven dat de uitbuiting die in dit boek wordt beschreven, geen nieuw fenomeen is, toe te lichten.

Uitbuiting heeft diepe wortels in de vroegste kapitalistische regimes. De gedwongen levering van grondstoffen en arbeid door de niet kapitalistische gebieden van de wereld aan het groeiende kapitalistische centrum, begon met de opdeling en overheersing van het Oosten, Afrika, en daarna de Atlantische gebieden, door de Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders, Fransen, en later de Engelsen. Het lijkt nogal op de gevolgen van de huidige politiek, "miljoenen overleden, niet buiten het 'moderne wereldsysteem', maar juist tijdens het proces van gedwongen opname in de economische en politieke structuren. Ze stierven in de gouden eeuw van het liberale kapitalisme; velen werden vermoord....door de theologische toepassing van de heilige principes van Smith, Bentham en Mill."(*2) De VS werd geboren uit dat tijdperk van wereldwijde veroveringen en zocht als land een plaats in het imperium van het kapitaal. Zoals historica Roxanne-Ortiz duidelijk maakt, "dit was niet het alleen het stichten  van een republiek voor goedgeklede, meestal slavenhoudende witte mannen, maar vooral van een kolonisten kolonie en een agressieve imperialistische staat."(*3) Onder Jefferson en later Jackson, "werd de term 'vrijheid' een eufemisme voor de continentale en wereldwijde expansie van de grootste slavenhouder in de wereld." Ze herinnert er ons aan dat de VS niet de machtigste militaire machine heeft gekregen en de dominante macht is geworden op de wereld door thuis te blijven en op de koeien en banken te letten."(*4)

In het eerste hoofdstuk legt Hiatt verder uit dat de stagflatie-crisis in de jaren zeventig leidde tot veranderingen in de optiek van de Amerikaanse ondernemingen en politiek. Hij verbindt die crisis met de toenmalige overvloed aan oliedollars in de Amerikaanse banken, maar in de discussie wordt geen link gelegd met de historische ontwikkelingen in het kapitalisme. Daarom worden lezers aangemoedigd om "globalisering"of "neoliberalisme" te zien als afwijkingen, of als nieuwe en onafhankelijke verschijnselen. Op die manier wordt voorbijgegaan aan het feit dat we hier te maken hebben met aspecten van een systeem dat de laatste tijd wordt gedomineerd door een monopolie van financieel kapitaal, waarbij "een eindeloze cyclus van stagnatie en financiële uitschieters" kenmerkend zijn.(*5) Een veel uitgebreidere economische analyse zou helpen verklaren waarom ondernemingen en staten door het gebrek aan investeringsmogelijkheden in de productie hun toevlucht nemen tot financiële producten en eindeloze oorlogen. De historische ontwikkelingen van het systeem begrijpen is cruciaal als we enige hoop willen hebben ons te kunnen richten op de oorzaken van onze pijn en lijden in plaats van op de symptomen.

De zwakke historische en economische analyse van het boek is vooral belangrijk omdat begrip van de problemen ons voert naar strategieën voor oplossingen en de prioritering van ons werk. In het laatste hoofdstuk van het boek wijst Antonia Juhasz erop dat "manipulatie even oud mag zijn als het imperium, maar dat het verzet ertegen en de alternatieven ook een belangrijke, leerzame, en lange geschiedenis hebben."(265) Dat is waar, maar de geschiedenis die wordt behandeld begint na de Tweede Wereldoorlog, onder weglating van de historische continuïteit van het kapitalisme en het verzet ertegen. Eveneens ontbreekt een analyse van de huidige oorzaken en de machtsverhoudingen die ten grondslag lagen aan de nukken van het huidige systeem. Verzet waar we wat van kunnen leren, begint in haar essay met de global justice beweging als antwoord op de komst van de Bretton Woods instituten. In werkelijkheid, begon het verzet niet met het oprichten van die instituten (IMF, Wereld Bank, WTO, GATT, etc.) en zal ook niet met hen eindigen. In werkelijkheid bestaat verzet niet alleen tegen de diverse uitingen van macht, maar juist tegen de oorzaken van die macht in de sociale relaties van het kapitalistische systeem. Eigenlijk begon het verzet tegen het systeem (en gaat nu nog door), met de enclosure bewegingen en de onderwerping en gedwongen afhankelijkheid van grote groepen mensen van de irrationaliteit van een markt systeem, om te kunnen voorzien in hun basis behoeften. Het neoliberale model, en de tendensen die we nu "globalisering" noemen zijn het logische gevolg van de praktijken van imperialistische naties vanaf het begin, hoe veranderd ze ook zijn. Machtsrelaties, en de verdeling tussen wie er betaalt en wie ervan profiteert blijven fundamenteel hetzelfde.

Zoals Eduardo Galeano schrijft, "in omgekeerd georganiseerde systemen, neemt de sociale ongelijkheid toe als de economie groeit."(*6) Onze enige hoop is een fundamentele verandering van dit systeem en de bijbehorende machtsverhoudingen. De kern van een dergelijke verandering is de uitbreiding van democratie naar de economie en de politiek, dat wil zeggen socialisatie van de productie en besluitvorming op een brede maatschappelijke basis. Met de beslissingen over productie en distributie regelrecht in handen van de demos, of het volk, in plaats van privé eigenaren van kapitaal, zouden we een wereld kunnen aanschouwen zoals beschreven door Elvira, een textielarbeider uit de Filippijnen. Hij stelt zich een wereld voor "waar wordt voorzien in de basisbehoeften, waar genoeg voedsel en huisvesting zijn voor iedereen, alle kinderen naar school kunnen, ziekenhuizen en banen zijn voor iedereen, banen waarmee mensen al hun mogelijkheden als menselijk wezen kunnen ontwikkelen."(263) Wat er anders gezegd nodig is, is een wereld die niet langer onderworpen is aan "a game as old as empire".      

* Noten:

1. John Perkins, Confessions of an Economic Hitman (San Fransisco: Berrett-Koehler Publishers, 2004).

2. Mike Davis. Late Victorian Holocausts (Londen, New York : Verso, 2001), 9.

3. Roxanne Dunbar-Ortiz, "The Grid of History, "Monthly Revieuw 55, nr. 3 (juli-augustus 2003), 88.

4.Ibidem, 89-90.

5.John Bellamy Foster, The Financialization of Capitalism,"Monthly Revieuw 58, nr. 11 (april 2007), 1.

6.Eduardo H. Galeano, Open Veins of Latin America (New York: Monthly Revieuw Press, 1997), 282.