Johan Seynaeve is vakbondsafgevaardigde van ACOD-Financiën en al vele jaren actief rond de eis van een drastische belasting op de grote vermogens. We hadden een uitgebreid gesprek met hem over de sociale en economische gevolgen van de coronacrisis en hoe een progressieve en sociaal rechtvaardige aanpak van de crisis er zou kunnen uitzien.

(Door Johan Seynaeve, overgenomen van Sap-Rood)

Enorme economische impact

Alle economisten zijn het er blijkbaar over eens: met deze pandemie gaat een economische crisis gepaard die zwaarder is dan de crisis van 2008. Hoe groot is de economische schade?

Een belangrijk verschil met de crisis van 2008 is dat de trigger hier geen intrinsiek economisch gegeven is. Deze economische crisis wordt in gang gezet door een externe, niet-economische schok, namelijk een ernstige en zeer besmettelijke ziekte.

Bijkomend betreft het ditmaal een schok die zich rechtstreeks uit in de reële economie en niet enkel of voornamelijk via een crisis in de financiële wereld.

Het gaat daarenboven over schokeffecten zowel aan de vraagzijde als aan de aanbodzijde van de warenproductie (en in de dienstensectoren, zoals toerisme en sportevenementen?):

Het ontbreken van geneesmiddelen, de ernst van de ziekte en de snelle verspreiding ervan leiden in eerste instantie tot het in quarantaine plaatsen van geïnfecteerde mensen, nationale (of regionale) lockdowns, een drastische beperking van de mobiliteit en afstand houden van anderen.

Horeca, toerisme, culturele en sportevenementen, enz. zijn uitgesloten of nog altijd zwaar beperkt.

Daarenboven zijn ook de activiteiten in verschillende industriële bedrijven sterk afgezwakt door de sterk gedaalde vraag of door een beperking van de aanvoer van onderdelen en/of grondstoffen. Of de productiviteit is verminderd als gevolg van de nodige veiligheidsmaatregelen (vnl. social distancing) of door ziekte en het vaststellen van infecties op de werkvloer, of door een combinatie van deze factoren.

De economische schade tot nu toe is gigantisch. Het BBP in de Eurolanden daalde met 3,1% in het 1ste kwartaal en met 15,0% in het 2de kwartaal van 2020 t.o.v. een jaar eerder (bron Eurostat).

Volgens de laatste prognose van het IMF (World Economic Outlook van juni 2020) zou in 2020 de output (jaar op jaar) op wereldvlak dalen met 4,9%, het BBP daalt zou volgens het basisscenario in de geïndustrialiseerde landen dalen met 8%, in Latijns-Amerika met 9,4%, in India met 4,5%, Rusland 6,6%, Sub-sahara Afrika met 3,2%, enz. Alleen in China zou het BBP in 2020 stijgen met amper 1,0%. De wereldhandel zou volgens dit IMF-rapport dalen met 11,9% in 2020 door de verminderde vraag naar goederen en diensten (incl. toerisme).

De werkloosheid (in een beperkt aantal landen vnl. onder de vorm van tijdelijke werkloosheid) is tijdens de lockdown, maar ook na het versoepelen van de beperkingsmaatregelen, enorm toegenomen. Volgens de International Labour Organisation (ILO) is het aantal effectief gepresteerde en betaalde arbeidsuren in de eerste helft van 2020 nog nooit zo sterk gedaald.

Op wereldvlak wordt het aantal ‘verloren’ arbeidsuren in het 1ste kwartaal van 2020 geschat op 5,4% in vergelijking met het 4de kwartaal van 2019. Dit komt overeen met 155 miljoen voltijdse arbeidsplaatsen (in een 48 uren week, in een 40 urenweek is dit 185 miljoen). Het ILO (1)) raamt het verlies in het 2de kwartaal op 14,0% in vergelijking met het 4de kwartaal van 2019, of 400 miljoen arbeidsplaatsen in een 48 uren week (480 miljoen in een 40 urenweek).

In april werd nog gehoopt op een V vormige evolutie van de wereldeconomie – met een snelle daling, bijna onmiddellijk gevolgd door een snelle stijging en een beperkte permanente aantasting (scarring) van het economisch weefsel. Maar al in juni (toen er nog geen sprake was van een tweede golf) paste het IMF het basisscenario aan door uit te gaan van een trager herstel.

Dit omwille van het langer aanhouden van maatregelen zoals ‘social distancing’ in de 2de helft van 2020, een groter dan verwachte aantasting van het economisch weefsel en een negatieve impact op de productiviteit, ten gevolge van veiligheidsmaatregelen die nodig zijn en blijven om de veiligheid op het werk te garanderen.

Maar een definitieve opmeting van de schade is nu onmogelijk. Enerzijds omdat de virale infectie nog bijlange niet onder controle is. Volgens Hans Kluge,Europees directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie, kan het coronavirus endemisch worden, een ‘seizoensgriep’  die elk jaar terugkomt, die de hele tijd achtervolgd moet worden met min of meer beperkende maatregelen en een vaccin dat elk jaar heruitgevonden moet worden. Anderzijds omdat de coronapandemie zich voordoet in de context van een uiterst kwetsbare laatkapitalistische economie. Hierdoor zijn de gevolgen op socio-economisch vlak extra zwaar.

Covid-19 treft niet iedereen gelijk

Sommigen beweren dat deze crisis iedereen treft: het virus kijkt niet naar rijk of arm. Klopt dit?

Helemaal niet. De maatschappelijke verhoudingen worden ook in deze crisis weerspiegeld:

Uit gegevens van de ‘Intensive Care National Audit and Research Centre’ (ICNARC) blijkt dat 1/3 van de covid-19 zieken in kritieke toestand in het Verenigd Koninkrijk zwarten en mensen van etnische minderheden zijn.

Volgens de nationale statistische dienst van het Verenigd Koninkrijk (Office for National Statistics), hebben zwarte mannelijke Britten en zwarte vrouwelijke Britten resp. 4,2 en 4,3 keer meer kans om te sterven aan COVID-19 gerelateerde oorzaken dan blanke Britten. En in England en Wales sterven meer mensen die ongeschoold werk doen in vergelijking met het gemiddelde bij mensen van dezelfde leeftijd en sekse.

Uit gegevens van het departement gezondheid van New York City zouden Spaanssprekende en zwarte stadsbewoners 2 keer meer kans hebben om van de ziekte te sterven dan blanke New Yorkers. In Chicago zou de kans op sterven aan covid-19 voor zwarte stadsbewoners zelfs 5 keer hoger zijn dan voor de blanke.

Sociale en economische ongelijkheid zou hierbij een cruciale rol spelen. Etnische minderheden behoren meestal tot de armste socio-economische lagen van de bevolking.

Velen hebben laagbetaald (2) werk met precaire arbeidsomstandigheden, meestal zonder mogelijkheid om te telewerken. Omwille van de job inhoud of om financiële redenen zijn ze verplicht om te blijven werken.

Gecombineerd met slechtere woonomstandigheden (te kleine ruimtes voor te veel mensen, een gedwongen mix van generaties) maakt dat de mensen van etnische minderheden kwetsbaarder voor besmetting.

In de VS komt daar bovenop dat ze vaak geen ziekteverzekering hebben en daardoor een behandeling niet kunnen betalen.

België is hierbij geen uitzondering. De Tijd kwam na een data-analyse tot de vaststelling dat tijdens de opstoot in juli het virus vooral mensen trof in de armste, jongste, dichtstbevolkte en meest gekleurde wijken (De Tijd van 6/8/2020).

Naast de ongelijkheid in de gezondheidseffecten zijn er ook nog de verschillen in economische effecten. Onderzoek in de VS toont aan dat vooral mensen met een relatief laag inkomen, laaggeschoolden en jongeren werkloos zijn geworden. In april steeg de werkloosheid bij werknemers met een universiteitsdiploma met 6 procentpunten naar 8,4%, bij werknemers zonder een diploma middelbaar met 14 procentpunten naar 21,2%. De algemene werkloosheidsgraad was op dat ogenblik 14,7%.

Volgens het Becker Friedman Institute daalde de werkgelegenheid bij de werknemers behorend tot de 20% hoogste inkomensgroep met 9%, bij de 20% met de laagste inkomens was dit 35%.

In ontwikkelingslanden zijn de gezondheidsproblemen een veelvoud van de problemen die zich in de geïndustrialiseerde landen voordoen. De gezondheidszorg is in die landen absoluut niet in staat om een dergelijke epidemie op te vangen.

The economist geeft het voorbeeld van India en Pakistan (samen herbergen ze 1/5de van de wereldbevolking): India heeft slechts 8 artsen en 7 ziekenhuisbedden per 10.000 mensen; Pakistan resp. 10 en 6. In maart beschikte India slechts over ongeveer 40.000 werkende ventilators, een cruciaal levensreddend hulpmiddel bij zwaar zieke coronapatiënten. (The economist, 26/3/2020)

In andere ontwikkelingslanden is de situatie gelijkaardig. Daarbovenop komt het feit dat ‘social distancing’ onmogelijk is als je in een sloppenwijk of in een vluchtelingenkamp moet overleven. Hoe kan je je handen wassen als er geen of te weinig stromend water is? Jarenlange ondervoeding en malnutritie heeft de gezondheid (o.a. het immuunsysteem) van de bevolking aangetast en maakt ze kwetsbaarder voor deze bijkomende infectieziekte.

Hoe kan een lockdown (3) functioneren als je elke dag 10 uren of meer moet werken om net te kunnen overleven? Enkele uren na de plotselinge invoering van de lockdown (4) in India stonden duizenden bijkomende werkloze en dakloze Indiërs aan te schuiven aan de soepkeukens, niet wetende waar ze elders naartoe konden.

In de ontwikkelingslanden is informele arbeid veruit de meest voorkomende vorm. In India en Pakistan zou 70% van de actieve bevolking in de informele sector werken. Sociale zekerheid is in de derde wereld zo goed als onbestaand.

Ook de financiële slagkracht van de overheden is er zwak Dit hangt samen deels met de grootte van de informele sector, maar vooral met de enorme afbetalingen aan buitenlandse schulden die de belastinginkomsten van bepaalde landen tot 40% leegzuigt.

Het effect van de pandemie op de inkomens van de mensen en dus op hun dagelijks leven is dan ook dramatisch.

Een studie van het United Nations University World Institute for Development Economics Research (UNU-WIDER) stelt dat het aantal mensen dat onder de armoedegrens (5) komt, voor het eerst sinds het begin van de jaren 90, zou stijgen.

In het ergste, maar niet onwaarschijnlijke, scenario (een daling van het gemiddeld inkomen met 20%) zou in 2020 meer dan de helft van de wereldbevolking onder de armoedegrens van $5,5 per dag komen, een half miljard mensen (7% van de wereldbevolking) meer dan voor de pandemie!

Overheidsinterventie

Volgens het World Economic Outlook rapport kwamen de overheden tot 12 juni 2020 al tussen voor een fenomenaal bedrag van 11.000 miljard dollar. Zal dat volstaan om deze crisis te boven te komen?

Het bedrag dat het IMF opgeeft betreft in essentie de rechtstreekse belastingverliezen door de afgenomen productie en consumptie en de kosten van de maatregelen die getroffen worden door de overheden.(6) Deze bedragen omvatten nog niet de kosten die de overheden willen uitgeven aan een of andere vorm van relancepolitiek.

Zoals hiervoor al aangegeven, deze pandemie speelt zich af in een wereldeconomie die ernstig verzwakt is.(7)

De S&P500-index noteert aan 26 keer de verwachte winst over 2020 en 20 keer die van 2021. Dat is een kwart duurder dan het historische gemiddelde. (De Tijd, 11/08/2020). De mogelijkheden voor investeringen in de productieve sectoren die hoge winstvoeten opleveren zijn uiterst beperkt. Dit wakkert, samen met het ‘gratis’ geld van de centrale banken, speculatief gedrag aan.

Beleggers kopen vooral ‘groeiaandelen’ (dit zijn aandelen van bedrijven waarvan verwacht wordt dat de toekomstige winsten de moeite zullen zijn, terwijl bij ‘waarde-aandelen’ beleggers vooral de actuele waarde van een bedrijf in aanrekening nemen). De Nasdaq Composite Index (bevat de 100 belangrijkste techbedrijven waaronder Alphabet, Amazon Apple, Baidu, Facebook, Intel, Microsoft, Tesla) noteert vandaag bijna 60% hoger dan op 20 maart 2020 (dieptepunt). Daarbij is de verhouding koers/winst vandaag ook volledig scheef getrokken.

Sinds de jaren 70 van de vorige eeuw is de wereldeconomie verzeild geraakt in een langdurige periode van vertraagde groei. De oorzaken van deze langdurige periode van vertraagde groei worden gedetailleerd beschreven in Het Laatkapitalisme van Ernest Mandel.(8)

Tot nu toe faalde elke poging om deze bijzonder langdurige fase van vertraagde groei om te zetten in een langdurige fase van versnelde economische groei zoals we deze na de 2de wereldoorlog gekend hebben.

De Keynesiaanse recepten die na de 2de wereldoorlog toegepast werden, verzandden in de jaren 70 in stagflatie (een stagnatie van de groei gecombineerd met hoge inflatie). De economische politiek (vnl. een politiek van deregulering van de financiële en arbeidsmarkten en een voor het kapitaal gunstiger (para-)fiscale wetgeving) die vanaf de jaren ’80 toegepast werd, mondde na verschillende kleinere waarschuwingen uit in de systeemcrisis van 2007-2009.

Deze laatste is tot op vandaag blijven nazinderen met een lage gemiddelde economische groei. In bepaalde geïndustrialiseerde landen, Griekenland, Italië, Spanje om er maar enkele op te noemen, was het reële BBP 10 jaar na de crisis nog steeds lager of net iets hoger dan voor de crisis.

Productieve investeringen in de Westerse economieën bleven in die ganse periode ondermaats. In een poging om deze te stimuleren voerden de centrale banken in Europa en de VSA een politiek van quantitative easing. De hieruit voortvloeiende goedkope kredietfaciliteiten werden echter voornamelijk gebruikt voor het verrijken van beleggers door kapitaalsverminderingen en uitkering van dividenden. Dit verhoogde de schuldgraad en tastte de solvabiliteit van talloze grote internationale bedrijven a

Ook de tewerkstelling werd aangetast.(9) Weliswaar was er de laatste jaren een herstel van de werkgelegenheid, maar met een verschuiving naar onzekere, flexibele en laagbetaalde jobs.

Terwijl het kapitaal massaal ondersteund werd met publieke middelen stegen de overheidsschulden in de geïndustrialiseerde landen tot ongeziene hoogten en werden aan de werkende klasse bijkomende besparingen opgelegd.

In deze context van lage economische groei, een lage investeringsgraad, verslechtering van de schuldgraad van bedrijven en overheden, precaire tewerkstelling en lage koopkrachtige vraag en groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid kondigde zich – na een, relatief zwakke, heropleving vanaf 2015 – in de loop van 2018 een omslag naar een fase van laagconjunctuur aan.

De groei van het BBP en van de industriële productie op wereldvlak vertraagden, de wereldhandel en de vraag naar machines, uitrusting en duurzame verbruiksgoederen daalde.

Zoals het faillissement van Lehman Brothers in 2008 enkel de trigger was en niet de oorzaak van de systeemcrisis van 2008, zijn de pandemie en de hierboven aangegeven noodzakelijke maatregelen om de verspreiding van het virus af te remmen dus niet zozeer de oorzaak maar de trigger van een crisis.

De hierboven geschetste context van een verzwakte markteconomie verhoogt de kans dat een conjuncturele crisis een systeemcrisis wordt.

De verhoogde schuldgraad van overheden wereldwijd heeft rechtstreeks geleid tot een aantasting van de gezondheidszorg waardoor niet alleen in de ontwikkelingslanden (zie hiervoor) maar ook in geïndustrialiseerde landen het initieel onmogelijk was om het groeiende aantal Covid-19 patiënten adequaat te verzorgen. Daarenboven verklaart ze ook de initiële hoge sterftecijfers in de rusthuizen.

De lockdown was dan ook nodig om het aantal opnames te kunnen beperken. Of zoals Hans Kluge, Europees directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie, het stelt: ‘Die lockdown was natuurlijk nodig om de capaciteit van onze gezondheidszorg op orde te krijgen en een systeem van contacttracing op te zetten.’ (De Tijd 8/8/2020).

Maar nog belangrijker, de hogere schuldgraad maakt het veel moeilijker en op den duur onmogelijk om monetair en budgettair in te grijpen om de in pan vallende markteconomie te onderstutten, laat staan om een relancepolitiek te voeren, of om de gezondheids-, de sociale (werkgelegenheid, pensioenen, …) én klimaatproblemen aan te pakken.

Was een andere aanpak mogelijk?

Maar was er dan een andere mogelijkheid dan dit massaal overheidsingrijpen?

In de meeste geïndustrialiseerde landen is er veel overheidsgeld gespendeerd aan (tijdelijke) werklozen en overbruggingsrechten voor zelfstandigen wiens zaak gesloten moest worden. Is dat niet normaal, zou het niet onverantwoord zijn indien de overheid hier niet tussenkomt?

Vanaf het begin van de gezondheidscrisis was het duidelijk dat de markteconomie aan zichzelf overgelaten niet bestand zou zijn tegen de economische gevolgen zonder een drastisch ingrijpen van de overheden.

Een sterk vereenvoudigd voorbeeld ter verduidelijking: een restaurant huurt een pand van een vastgoedbedrijf dat zelf geleend heeft bij een bank om het pand te bouwen. Het restaurant moet gedwongen sluiten, de inkomsten vallen volledig weg. Als dat lange tijd aanhoudt dan raken de liquide middelen van de restauranthouder op. De huur kan niet meer betaald worden aan het vastgoedkantoor. Het vastgoedbedrijf kan de schuldaflossing aan de bank niet meer verzekeren.

Als dit op massale schaal gebeurt, over verschillende sectoren en wereldwijd zoals vandaag, dan kunnen de socio-economische verhoudingen tussen arbeiders en bedrijven, tussen bedrijven onderling, tussen productiebedrijven en financiële instellingen, tussen financiële instellingen onderling, enz. niet intact gehouden worden.

Zelfs de grootste en kapitaalkrachtigste bedrijven en financiële instellingen worden meegesleurd in de problemen, de waarde van aandelen en andere effecten op de beurzen dalen.

Wanneer het waardeverlies van al deze private eigendom-titels groot genoeg wordt komt het kapitalistische productiesysteem zelf in gevaar.

Door het ontbreken van omzet kunnen ook de werknemers in het restaurant, het vastgoedkantoor en zelfs de bank niet meer betaald worden door de private ondernemingen.

Overgelaten aan de marktwerking zou ook het inkomensverlies van de werkende klasse gigantisch zijn. Met als direct gevolg een enorme daling van de koopkracht en daardoor van de vraag. Daarenboven zou grootschalige sociale onrust praktisch niet te vermijden zijn. Wat het gevaar voor het systeem nog zou vergroten.

Geen enkel bedrijf, geen enkele belegger of ondernemer kan een dergelijke schok, zoals de wereld vandaag ervaart als gevolg van de pandemie, aan zonder beroep te doen op de overheid.

En dus is de overheidsinterventie volkomen terecht?

Het is absoluut nodig dat de overheden tussenkomen om te koopkracht van de bevolking te ondersteunen. Dit zou in elk economisch systeem gebeuren.

De hierboven geschetste gevolgen voor het economisch weefsel gaan echter verder dan een verlies aan koopkracht. De gehele economie wordt bedreigd door een kettingreactie van faillissementen, ontslagen, werkloosheid en armoede. Dat zou zich niet in elk systeem voordoen maar is het gevolg van de wijze waarop de economie en de samenleving georganiseerd zijn, namelijk het private bezit van de productiemiddelen.

Stel je een samenleving voor waar de voornaamste bedrijfsactiva of productiemiddelen (bedrijfsgebouwen, machine en uitrusting, …) geen bezit zijn van een individu of van een groep individuen, maar daarentegen aan de gemeenschap toebehoren.

Met andere woorden, een samenleving waar niet enkel politieke maar ook economische democratie de regel is. Waarbij collectief beslist wordt wat, hoeveel en in welke omstandigheden er geproduceerd wordt. Een maatschappij die de vruchten van de productie onder de leden verdeelt naargelang de noden.

Een deel van de middelen en arbeid zullen dan worden ingezet voor het openhouden van restaurants, zolang hier een maatschappelijke behoefte voor is. Als echter uit voorzorg, in geval van een pandemie zoals vandaag, de restaurants tijdelijk dicht moeten, zal dit geen verdere effecten veroorzaken voor verhuurders, noch voor financiële instellingen, enz.  Er is geen lening nodig geweest bij een private bank om het restaurant te bouwen, er hoeft aan niemand huur betaald te worden aangezien het gebouw eigendom van de gemeenschap is.

Daarenboven zal er, zolang het nodig is om de restaurants gesloten te houden uit gezondheidsoverwegingen, voor gezorgd moeten worden dat iedereen die hier voorheen aan de slag was nog steeds aan de noodzakelijke levensmiddelen kan geraken.

De vrijgekomen arbeidstijd kan zoveel als mogelijk ingezet worden in sectoren waar de behoeftes groter zijn geworden als gevolg van de ongebruikelijke situatie.

Het belangrijkste probleem waarmee deze samenleving geconfronteerd wordt in een gelijkaardige ‘lockdown’ (die misschien niet of in beperktere mate nodig zou geweest zijn omdat het gezondheidszorgsysteem beter uitgebouwd zou zijn) is dus het in stand houden van de essentiële diensten (gezondheidszorg, onderwijs, …) en productie (voedsel, infrastructuur, …) zodat aan de essentiële noden van alle mensen voldaan kan worden. Andere zaken, zoals het aanvullen van de kleerkast, het vernieuwen van bepaalde duurzame goederen, toerisme, culturele evenementen, restaurant en café bezoeken, …. kunnen uitgesteld worden en geleidelijk terug op gang komen zonder bijkomende schade aan de betrokken producenten en dienstverleners.

Vandaag gebeurt dit, zeer gedeeltelijk, in de overheidssector. Het inkomen van het personeel bij de overheden loopt door, zelfs al kunnen ze niet (tele-)werken. Indien de overheid over eigen gebouwen, over eigen onderhouds- en poetspersoneel beschikt dan worden de kosten hiervoor in essentie beperkt tot de lonen. In deze diepgaande crisis blijkt dan ook dat landen met een beter uitgebouwde openbare sector beter bestand zijn tegen de effecten van de lockdown en dat het vnl. overheidsdiensten zijn die zonder al te veel complicaties blijven functioneren.

De sterk geprivatiseerde gezondheidszorg in de USA toont dit op een bijzonder frappante manier aan: Volgens het ‘Bureau of Labor Statistics’ gingen 43.000 arbeidsplaatsen in de gezondheidszorg verloren: door de massale ontslagen waarbij mensen ook hun ziekteverzekering verloren en het opschorten van niet dringende medische afspraken daalde de omzet en de winst van de ziekenhuizen drastisch met als ongelofelijk gevolg dat medisch personeel ontslagen werd. Het enige ziekenhuis in Marion County, West Virginia, ging eind maart dicht. Enkele dagen later stierf in die county de eerste Covid-19 patiënt van West Virginia.

Niet elke overheidsinterventie in belang van de sociale meerderheid

Maar welke soort overheidstussenkomst is dan verkeerd?

Het gaat er om dat binnen de logica van de markteconomie de focus van de overheidsinterventies niet gericht zijn op het behoud (laat staan het verbeteren) van de leef- en werkomstandigheden van de bevolking, maar op het behoud van de productieverhoudingen eigen aan de kapitalistische productiewijze. Dit verklaart waarom de gigantische meerkosten van elke crisis, ook deze, afgewenteld worden op de samenleving om de winsten van kapitaalbezitters veilig te stellen.

Een correcte inschatting van de rol die de overheid speelt in de maatschappij is cruciaal om de maatregelen die vandaag genomen worden te begrijpen. De staat is geen instelling die boven de maatschappelijke tegenstellingen staat en kan dit ook niet zijn.

Zolang in een maatschappij verschillende klassen bestaan (t.t.z. groepen van mensen die fundamenteel verschillende sociale en economische posities en belangen hebben) waarbij één klasse politiek en economisch overheerst, zolang zal er een nood zijn aan een “staat” die als taak heeft de gevestigde orde, namens die klasse, te beschermen.

Om de bestaande maatschappelijke orde en klassenverhoudingen in stand te kunnen houden moet de overheid enkele essentiële functies kunnen uitoefenen:

  • De repressieve functie, die de bestaande productiewijze (maatschappelijke orde) moet beschermen tegen de dreiging van de beheerste klassen of afzonderlijke leden van de heersende klassen (leger, politie, justitie).
  • De integratieve functie maakt het mogelijk dat de klassenstructuur niet constant in vraag wordt gesteld door de beheerste klasse zodat er geen permanente repressie nodig is voor haar onderwerping aan de klassenheerschappij. De overheid speelt hier een belangrijke rol door de voorzieningen voor onderwijs, opleiding, cultuur en massamedia.
  • Het scheppen van algemene productievoorwaarden die niet gewaarborgd kunnen worden door de individuele leden van de heersende klasse.

Zo zijn er algemeen-technische voorwaarden (wegenaanleg en -onderhoud, haveninfrastructuur, luchthavens, …) en algemeen-maatschappelijke voorwaarden (bvb. stabiel muntsysteem, (rechts)zekerheid garanderen voor een interne markt, veiligheids- en rechtsvoorwaarden, economische regelgeving, …).

Kenmerkend voor het huidige kapitalisme is dat de grote monopolies om hun winstdoelstellingen te halen, en zelfs om alleen nog maar te kunnen overleven, steeds meer beroep moeten doen op rechtstreekse of onrechtstreekse staatsinterventie. Zo creëert de overheid belangrijke mogelijkheden voor het verwezenlijken van investeringen, waarborgt ze de winsten wanneer de zaken slecht gaan en staat ze in voor het dekken van verliezen.

Enkele voorbeelden ter illustratie:

De reactie van de centrale banken op de spectaculaire koersdalingen op de beurzen (eind februari tot halverwege maart) is een sprekend voorbeeld hiervan: Op 27 februari meent Christine Lagarde, de kersverse voorzitter van de ECB nog te kunnen zeggen dat ‘een monetaire ingreep niet direct voor de hand lag’. Op 2 maart verlaagt de FED zijn belangrijkste rentetarief met 0,5 procentpunten, de Australische centrale bank met 0,25 procentpunten en Christina Lagarde belooft namens de ECB om ‘de gepaste maatregelen te nemen’.

De beleggers vinden dit duidelijk onvoldoende. Ongeveer een maand na het inzetten van de dalende trend hebben de aandelen op de meeste beurzen 30 à 38% van hun waarde kwijtgespeeld.

Dan worden de geldkranen echt open gedraaid: Op 12 maart pompt de FED $1.500 miljard op de geldmarkt; de ECB deelt op 18 maart mee dat ze €750 miljard extra obligaties van de overheid en de privésector zal aankopen; andere belangrijke centrale banken nemen in deze periode gelijkaardige maatregelen. Naast het klassieke recept van verlaging van de basisrente, daar waar dit nog kan, worden ook, tijdelijk, de kapitaal- en liquiditeitsbuffers, voor banken verlaagd, en goedkope kredietfaciliteiten aan financiële instellingen verleend.

De beurzen beginnen vervolgens aan een remonte, want opnieuw stond de overheid paraat om de bedrijven te redden op een wijze die geen afbreuk zou doen aan de eigendomsrechten van de beleggers.

Een gerelateerd voorbeeld: De overheden van de Eurolanden mogen geen geld rechtstreeks van de ECB krijgen, ze moeten hiervoor aankloppen bij de private financiële instellingen. Zo zijn de overheidsschulden die vandaag massaal gemaakt worden een belangrijke bron van winst voor de banken.

Maar de Europese banken krijgen wel geld van de ECB. Zij hadden tegen halverwege juni al 1.308 miljard euro ontleend bij de Europese Centrale Bank (ECB) tegen een rente van -0,5 tot -1%. Ze lenen dus €1.308 miljard en krijgen hiervoor elk jaar (zolang de lening duurt) tot 1% rente, of €13,08 miljard euro. Deze middelen kunnen ze dan gebruiken om kredieten aan bedrijven, burgers en … overheden te bezorgen, natuurlijk tegen positieve rentevoeten.

Maar ook als banken het ECB-geld niet uitlenen, verdienen ze er op. De 1 % die ze elk jaar krijgen kunnen ze immers ook ‘parkeren’ bij de ECB, waarvoor ze slechts 0,5% betalen.

Wie betaalt dat cadeau? Wel, de ECB en de centrale banken van de Eurolanden boeken minder winst. Dit betekent uiteindelijk minder inkomsten voor de overheden.

Een derde voorbeeld: De groep Lufthansa zag zijn omzet gehalveerd en boekte een nettoverlies van €3,6 miljard in het 1ste halfjaar van 2020. De voorzitter Karl-Ludwig Kley stelde onomwonden dat het bedrijf zonder de miljardensteun op een faillissement zou afstevenen. Bij Brussels Airlines daalde in die periode de omzet met 63 en het bedrijf boekte een verlies (voor interestaftrek en belastingen, EBIT) van €211 miljoen.

Dus kloppen ze aan bij de overheid voor geld. De Duitse staat geeft het moederbedrijf van Brussels Airlines een krediet van 3 miljard euro en neemt een stille participatie van 5,7 miljard euro waaraan geen stemrechten verbonden zijn.(10) Ondertussen werkt de groep aan het ‘ReNew’ herstructureringsprogramma dat o.a. een reductie van 22.000 voltijdse banen omvat.

De Belgische regering geeft Brussels Airlines een lening van 290 miljoen euro terwijl Lufthansa zelf maar €170 miljoen (geld van de Duitse overheid dus) in haar dochteronderneming stopt. Daarvan vloeit 70 miljoen euro naar het herstructureringsplan waarbij ruim 1.000 van de 4.000 banen verdwijnen.

Gelijkaardige deals werden afgesloten bij Air France-KLM die een steunpakket van €7 miljard door de Franse overheid en €3,4 miljard van de Nederlandse overheid krijgt. Deze overheden nemen zelfs geen enkel aandelenbelang. Hier zijn wel enkele minimale klimaatvereisten gesteld én, opnieuw, een herstructureringsplan.

Alitalia zou 3 miljard steun van de Italiaanse regering krijgen. De malaise bij de Italiaanse maatschappij is niet alleen te wijten aan gesloten grenzen, reisverboden of geschrapte vluchten. Het bedrijf is al jarenlang verlieslatend.

Nog een voorbeeld: de overheden in diverse staten in de VS geven gratis ‘regulatory credits’ aan bedrijven (o.a.) in functie van het aantal ZEV’s (zero emmission vehicles) die ze produceren. Enkel dankzij de verkoop van deze certificaten aan andere autoproducenten kan Tesla (die alleen maar ZEV’s produceert) winst maken (zie ook voetnoot 7).

Het mag duidelijk zijn dat bij dit alles niet de noden van het personeel, noch de noden voor het klimaat, noch de noden aan transport centraal staan. Het gaat er over dat private grootbedrijven kunnen overleven en de kapitalen en de beslissingsrechten van de kapitaalbezitters gevrijwaard blijven wanneer deze door een crisis aangetast worden of althans de dreiging hiertoe bestaat. De kosten zijn voor de gemeenschap.

Zo zijn er nog tal van voorbeelden aan te halen.

Keynesiaans beleid?

Tot nu toe kwam de overheid in hoofdzaak tussen om de onmiddellijke economische gevolgen van de pandemie en de bestrijding ervan te beperken. Maar ondertussen circuleren er bij diverse partijen, patronale organisaties, vakbewegingen, denktanks maar ook overheidsinstellingen die zich bezig houden met economische programmering (centrale banken, planbureaus …) ideeën om een economische relancepolitiek te gaan voeren.

Zijn er dan geen ‘neoliberalen’ meer die zich verzetten tegen overheidsinmenging in de economie en kan er terug een Keynesiaanse relancepolitiek zoals in de jaren na de 2de wereldoorlog gevoerd worden?

Het klopt dat er vandaag zo goed als geen politici, economisten, bedrijfsleiders, … zijn die stellen dat overheidstekorten en overheidsschulden dringend moeten aangepakt worden.

Ook na de ‘containment’-fase – waar bijna alle landen (China is hier de grote uitzondering) nog steeds inzitten – wordt van de overheid algemeen verwacht dat ze verder in de economie intervenieert, zelf investeert en anderzijds maatregelen neemt die de private investeringen aanmoedigen. Keynes wordt uit de ideologische schuif gehaald.

Hierbij moeten we toch een aantal belangrijke kanttekeningen plaatsen.

Ten eerste is er een verschil tussen de ideologische retoriek en de reële economische politiek. In de neergaande fase van het laatkapitalisme sinds de jaren 70 van vorige eeuw tot vandaag bleef de overheid een belangrijke economische rol spelen, zelfs onder de meest rabiate ‘neoliberale’ regeringen zoals deze van Thatcher en Reagan. Het gemiddelde van de overheidsuitgaven in de VS onder Reagan (1981-89) bedroeg 34,6% van het BBP. In de hoogtejaren van het ‘Keynesiaans beleid’ (1961-1969) was dit ‘slechts’ 29,7% van het BBP.

M.a.w. van de welvaart die jaarlijks geproduceerd wordt kwam onder Reagan een groter deel terecht bij de overheid dan in de ‘gouden’ Keynesiaanse jaren ‘60.

Wat onder Reagan wel gebeurde is een drastische omgekeerde herverdeling door overheidstussenkomsten: rechtstreeks door het inkomen uit kapitaal te ontlasten en onrechtstreeks door de maatschappelijke krachtsverhouding van de werkende klasse t.o.v. de kapitalistische klasse – die al zwaar aangetast was door de recessie van de jaren 70 en de trend naar globalisering van kapitaal – verder te ondermijnen, o.a. via een drastische deregulering van de arbeidswetgeving en een doorgedreven liberalisering van de financiële markten. Deze overheidspolitiek werd in de andere geïndustrialiseerde landen in mindere of meerdere mate overgenomen vanaf de jaren ‘80. In Europa ging dit dikwijls gepaard met de privatisering van openbare nutsbedrijven.

Maar ook de Keynesiaanse retoriek verschilt van de politiek die de aanhangers ervan voerden. Dit is vooral duidelijk wanneer we de sociaaldemocratische houding bekijken: de sociaaldemocratie die ideologisch voorstander is van een Keynesiaanse economische politiek (11) heeft in de periode na 1980, wanneer ze in de regering zat, meegeholpen aan een omgekeerde herverdelingspolitiek ten nadele van de werkende klasse.

Denken we maar aan de Hartz hervormingen onder Schröder in Duitsland (12), de soberheidsmaatregelen en desinvesteringen door de overheid in Griekenland in de periode na 2008 door een sociaaldemocratische PASOK-regering (13), of nog de besparingsmaatregelen in eigen land die werden ingevoerd onder de regering Di Rupo (2011_2014).

Deze laatste verlaagde bv. de RSZ bijdragen van de werkgevers terwijl ze elk jaar ettelijke miljarden bespaarde in de werkloosheidsuitkeringen, (pré-)pensioenen, gezondheidszorg, in personeel en middelen voor de federale overheidsdiensten en de overheidsbedrijven, enz.(14)

Het mag duidelijk zijn dat de reëel gevoerde economische politiek van regeringen minder afhankelijk is van de ‘ideologie’ dan wel van de reële noden van de heersende kapitalistische klasse. En deze zijn, zoals eerder aangegeven, vandaag helemaal anders dan in de expansieve fase van de laatkapitalistische periode na de 2de wereldoorlog.

Ten tweede bestaat een relancepolitiek er in essentie uit dat de overheid een bijkomende koopkrachtige vraag creëert die een gebrek aan vraag door de markt moet opvangen.

Dat kan op verschillende manieren:

De overheid kan door een of andere vorm van subsidiëring de consumptie van bepaalde goederen stimuleren. In Frankrijk bijvoorbeeld besliste de regering eind mei om subsidies voor de aankoop van een auto met 8 miljard euro op te trekken in het kader van een ondersteuningsplan voor de automobielsector.

Het kan ook door overheidsinvesteringen die onrechtstreeks besparing van de bedrijfskosten betekenen: bv. door nog meer wegeninfrastructuur te bouwen zodat de transportkosten afnemen, door investeringen in het gezondheidssysteem die de ziektekosten doen dalen, door gerichte investeringen in onderwijs die de opleidingskosten voor de bedrijven doen dalen enz.(15)

Het is vooral op deze twee manieren dat de meeste partijen, patronale organisaties, denktanks en overheidsinstellingen een relancepolitiek willen. Dit gaat dan in vele gevallen gepaard met een restrictie van de overheidsuitgaven voor de sociale zekerheid, voorstellen voor langer werken, verdere flexibilisering – op maat van de werkgever – van de arbeidsmarkt en beperking van de loonkosten (beperking van de brutolonen en/of verlaging van de RSZ-bijdragen van de werkgevers).(16)

We mogen dus het voeren van een (Keynesiaanse) relancepolitiek niet zo maar gelijk stellen aan de ondersteuning van de koopkracht voor de werkende klasse, integendeel.

In principe zou de overheid ook de consumptieve uitgaven kunnen verhogen: het leefbaar maken van de sociale uitkeringen (bij werkloosheid, ziekte, invaliditeit, …), het optrekken van de pensioenen, het optrekken van de (minimum-)lonen.

In het relanceplan van de Belgische PS staan o.a. ook voorstellen om de koopkracht van de laagste inkomens te verhogen teneinde de binnenlandse vraag en dus de groei te ondersteunen.(17)

Maar juist deze weg om een koopkrachtige vraag te stimuleren wordt langs alle kanten bekritiseerd.(18)

Dit is niet verwonderlijk. Een permanente verbetering van lonen en de sociale uitkeringen die niet volgen uit een productiviteitsstijging betekent dat er een structurele herverdeling plaatsvindt van de inkomens ten voordele van de loontrekkers en uitkeringsgerechtigden en ten koste van het inkomen uit kapitaal, wat de winstvoet op de lange termijn nog meer aantast.

Dit gaat in tegen de logica van het kapitalisme zelf en vergt de organisatie van een strijdbaar verzet tegen de beslissingsmacht van het kapitaal.(19)

Een andere bedenking betreft de kans op succes van een relanceplan. Zoals hierboven al aangegeven doet de coronapandemie zich voor in de context van een uiterst kwetsbare laatkapitalistische economie. De socio-economisch crisis is hierdoor extra zwaar.

De staat kan niet onbeperkt bijkomende koopkracht creëren en hoe belangrijker de recessie, hoe groter de hoeveelheid bijkomende koopkracht die de overheid moet creëren om effect te hebben.

De kans dat met de tot nu toe al opbouwde gigantische overheidstekorten en schulden de overheid (zelfs met steun van Europa) in staat zal zijn om voor verschillende jaren de kapitalistische economie terug op een spoor van langdurige groei te krijgen is bijzonder gering. Ook al omdat dergelijke steun het ‘heilzame’ effect van een crisis in het kapitalisme – het bewerkstelligen van een herstel van de winstvoeten door het devalueren / uitschakelen van weinig of niet renderend kapitaal – belet.

Een vierde bedenking betreft de tegenstelling tussen een relancepolitiek en de bestrijding van de klimaatverandering.

Het kapitalisme verliest zijn dynamiek wanneer de warenproductie en warenconsumptie niet steeds verder toeneemt. Ook hier is de logica van het kapitalisme pervers: de economie dient niet om de materiële noden van de mensen te leningen. De mensen moeten werken en kopen om de winsten van het kapitaal te verzekeren, gebeurt dit niet of te weinig, dan stokt de productie, daalt de tewerkstelling en verzeilen we in een economische crisis.

De doelstelling van een relancepolitiek is dan ook het aanzwengelen de warenproductie en warenconsumptie.

Ondanks alle retoriek over ‘klimaatvriendelijke’ investeringen betekent dit (terug) meer auto’s produceren (20), meer elektronische apparaten (van smartphones tot televisies) maken/produceren, meer vliegen, (ook de luchtvaartmaatschappijen en de toeristische sector moeten ‘gered’ worden), enzovoort. Meer produceren, impliceert meer energieverbruik, meer CO2 uitstoot en uiteindelijk verdere opwarming van het klimaat.(21)

Welk alternatief?

Een Keynesiaanse relancepolitiek is niet het antwoord. Wat dan wel?

Zoals gezegd, deze crisis legt opnieuw, en duidelijker nog dan voorheen, de onmacht bloot van een markteconomie om aan de belangrijkste noden van de samenleving te voldoen.

Opnieuw moet de overheid, kost wat kost het economisch systeem redden. De kost zal, vroeg of laat, doorgeschoven worden naar de werkende klasse.

Daarenboven vergen de klimaatveranderingen een dringende herziening van wat en de manier waarop er geproduceerd wordt. De kapitalistische dynamiek die enkel gefocust is op winst is daarvoor een hinderpaal.

Om beide redenen moeten we buiten het kapitalistisch kader durven kijken om echte oplossingen te kunnen waarmaken.

Rekening houdend met de huidige socio-economische en politieke toestand lijken mij twee belangrijke stappen, om te beginnen, onontbeerlijk:

Ten eerste een moratorium op schuldaflossingen en kwijtschelding van onterechte schulden

Voor de ontwikkelingslanden is een kwijtschelding van de schuld een acute kwestie. Experten zeggen onomwonden dat ontwikkelingslanden voor de keuze staan: ofwel het terugbetalen van de buitenlandse schuldeisers of beletten dat (nog meer) inwoners sterven.

Maar ook in de geïndustrialiseerde landen moeten onverantwoorde schulden in vraag gesteld worden.

Er zijn schulden die aangegaan werden tegen de nationale of internationale wetgeving in. Er zijn schulden die gemaakt werden onder voorwaarden die onredelijk en verwerpelijk zijn, die ingaan tegen het algemeen belang of die de omzetting van private schulden naar publieke schulden inhouden. Er zijn ook schulden die het gevolg zijn van ondemocratische beslissingen.

In al deze gevallen dringt een kwijtschelding zich op. Daarnaast dringt een tijdelijke opschorting zich op voor de afbetalingen van onhoudbare schulden.

Het betreft hier schulden die weliswaar verantwoord zijn, maar waarbij door de schuldaflossingen de regering van een land niet meer in staat is om fundamentele mensenrechten te garanderen, zoals voedsel, onderwijs, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, …

Het onderzoek naar onverantwoorde en onhoudbare schulden moet op een democratische wijze gebeuren en dus niet achter gesloten deuren. De bevolking heeft het recht op inspraak, via de middenveldorganisaties en rechtstreeks, zowel in het onderzoeksproces als bij het bepalen van de uitkomst van een schuldenaudit.

Ten tweede een substantiële, progressieve, uitzonderlijke vermogensbelasting op de 10% rijksten.

De opbrengst moet niet alleen dienen om de factuur van het verwachte overheidstekort in 2020 (€33 à 39 miljard) te betalen. De intentie van een uitzonderlijke vermogensbelasting moet ambitieuzer zijn en met name de volgende doelstellingen omvatten:

  • Het realiseren van een drastische daling van de overheidsschuld tot we terug kunnen aansluiten bij de schuldgraad van 2007, t.t.z. de schuldgraad voor de massale overheidsinterventies die de financiële instellingen moesten behoeden voor een fiasco ten gevolge van roekeloze speculatieve beleggingen.
  • Het financieren van overheidsinvesteringen en -maatregelen die ervoor zorgen dat er voldoende werkgelegenheid is, met fatsoenlijke lonen en werkomstandigheden
  • Het uitbouwen van die overheidsdiensten die de mensen, de samenleving en het milieu beschermen tegen armoede, discriminatie en vervuiling.

Dit betekent dat de opbrengst significant genoeg moet zijn om deze doelstellingen te kunnen verwezenlijken:

Voor het uitbreken van de pandemie hadden we zelf een voorbeeld uitgewerkt voor een vermogensbelasting. Met progressieve aanslagvoeten op het netto-vermogen – van 1% voor het 91ste centiel tot 16% voor het 100ste centiel (de 1% rijksten) – en een aftrek van 500.000 EUR voor de eigen woning.

Berekend op basis van het netto gezinsvermogen in 2018 kon de opbrengst van de vermogensbelasting voor het jaar 2018 op iets meer dan 100 miljard geschat worden, d.i. iets meer dan 20% van het BBP.

Deze eenmalige bijdrage is geen onteigening. Gemiddeld vermindert het vermogen van de 10% rijksten slechts met 7 à 8%. Maar met dit bedrag kan de samenleving zelf initiatieven ontwikkelen die beantwoorden aan de hierboven vermelde doelstellingen zonder afhankelijk te zijn van de private kapitaalmarkt.

Het mag duidelijk zijn dat dergelijk voorstel niet tot stand kan komen zonder slag of stoot. Tegenstanders van een vermogensbelasting stellen zelden het nut of de rechtvaardigheid van een vermogensbelasting in vraag. Meestal gaat het over de ‘technische onhaalbaarheid’.

Iedereen die professioneel met fiscaliteit bezig is weet het: fiscale systemen zijn altijd complex. Regels opstellen, registratie-, controle- en inningsprocedures vergen altijd ernstig denkwerk en bekwame ambtenaren. Dit is zo voor personenbelasting, vennootschapsbelasting, BTW, enz.

Voor een werkzame vermogensbelasting is het niet gemakkelijker, maar ook niet moeilijker dan voor andere soorten belastingen mits de fiscus toegang krijgt tot de nodige gegevens.

Net zoals ze vandaag toegang heeft tot alle inkomensgegevens van de loon- en weddetrekkenden, gepensioneerden, werklozen, zieken, invaliden, enz.

Dankzij de vergevorderde digitalisering kunnen vandaag alle kapitaalstromen gemakkelijk gevolgd worden. Het feitelijke bankgeheim moet volledig opgeheven worden en een vermogenskadaster is nodig. Met gebruik van de bestaande informaticatechnologie is dit zelfs relatief eenvoudig.

De belangrijkste moeilijkheid is niet technisch maar ligt bij de weerstand van de vermogenden zelf en hun greep op het economisch en politiek gebeuren.

Het is aan de middenveldorganisaties en linkse politieke krachten om aan dat alternatief gestalte te geven, om de krachtsverhoudingen op te bouwen en om een voldoende groot maatschappelijk en politiek draagvlak voor de volledige opheffing van het bankgeheim, het invoeren van een vermogenskadaster en een bijzondere crisisbelasting op het grootkapitaal te creëren.

Voetnoten

1. ILO Monitor 5de editie (2020-06-30
2. Volgens het ONS sterven er in England en Wales meer mensen die ongeschoold werk doen in vergelijking met het gemiddelde bij mensen van dezelfde leeftijd en sekse. Al Jazeera, 11 mei 2020; https://www.aljazeera.com/news/2020/05/male-security-guards-highest-risk-dying-covid-19-ons-200511094644488.html?utm_source=website&utm_medium=article_page&utm_campaign=read_more_links
3. In de 4de week van maart werd aan 210 miljoen Pakistanen en 1,3 miljard Indiërs een lockdown opgelegd.
4. De aankondiging van de lockdown in India gebeurde slechts enkele uren op voorhand. De onmiddellijke stopzetting van alle openbare vervoersmiddelen maakte dat honderdduizenden arbeiders urenlang ‘en masse’ te voet naar hun dorpen, die soms honderden kilometers verwijderd waren van steden waar ze tot dan gewerkt hadden, moesten terugkeren.
5. Dit geldt voor elkeen van de 3 armoedegrenzen die de Wereldbank hanteert: $1,90, $3,20, en $5,50 per dag.
6. 5.400 miljard dollar aan bijkomende overheidsuitgaven en minder belastinginkomsten en $5.400 miljard aan overheidsleningen, borgstellingen en andere quasi-budgettaire operaties.
7. Het is in dit kader dat we de bizarre beursnotering vandaag kunnen plaatsen.

De S&P500-index noteert aan 26 keer de verwachte winst over 2020 en 20 keer die van 2021. Dat is een kwart duurder dan het historische gemiddelde. (De Tijd, 11/08/2020). De mogelijkheden voor investeringen in de productieve sectoren die hoge winstvoeten opleveren zijn uiterst beperkt. Dit wakkert, samen met het ‘gratis’ geld van de centrale banken, speculatief gedrag aan.

8. Dit werk is zonder twijfel een van de belangrijkste bijdragen aan de marxistische economische theorie. Het geeft een brede en indringende analyse van en verklaring voor de ontwikkelingen van de kapitalistische productiewijze in de 20ste eeuw, vnl. in de periode na de 2de wereldoorlog.
9. De gemiddelde werkloosheidsgraad in de periode 1998-2007 lag in de VS op 4,9%, tussen 2008 en 2017 was dit 7,0%, in de Eurolanden lag het gemiddeld op 9,0% (1998-2007) en op 10,3% (2008-2017).
10. Heinz Hermann Thiele, met een vermogen geschat op 10 miljard euro, is een belangrijke aandeelhouder bij Lufthansa en ontevreden over de deal. Volgens hem krijgt de overheid in ruil voor de 9 miljard steun samen met een belang van 20 procent ‘te veel zeggenschap’.
11. De sociaaldemocratie heeft zich vanaf het einde van de 19de eeuw, in eerste instantie de facto, maar ook al heel snel daarna ook theoretisch, gedistantieerd van de marxistische economische theorie.
12. O.a. met de invoering van de mini jobs waarbij laaggeschoolden per maand aan 450€ per maand (of minder) verloond worden. In 2009 werkten bijna 5 miljoen Duitse arbeidskrachten in een of andere mini job. Of met de drastische verlaging van de werkloosheidsuitkeringen in ‘Hartz IV’.
13. Een PASOK-regering in 2010 ,gevolgd door een regering van PASOK en liberalen in 2011 tekende resp. het eerste en tweede economische aanpassingsprogramma met een drastische verlaging van de nominale lonen en pensioenen van de ambtenaren, verhoging van de BTW (een regressieve belasting die vooral de lagere inkomens treft), besparingen in overheidsinvesteringen, privatisering van nutsbedrijven, de nationale luchthaven, de haven van Piraeus en Thessaloniki, de verkoop van overheidsgebouwen, enz.
14. Zie voor de desbetreffende details o.a. de ‘Ontwerpverklaring over het algemeen beleid’ van 1 december 2011.
15. Zie bv. de open brief van 32 ‘captains of industry’ i.v.m. de eindtermen in het secundair onderwijs. Hierbij pleiten ze voor ‘4 correcties’ die ‘verder inzetten op STEM (Science, Technology, Engineering en Mathematics) als belangrijk onderdeel van talentontwikkeling in het Vlaams arbeidsmarkt- en economisch beleid’. In Vlaanderen besliste minister van Economie Hilde Crevits (CD&V) om de komende 4 jaar 90 miljoen euro uit te geven om ‘ondernemerschap en innovatie in Vlaanderen te stimuleren’. Het geld gaat onder meer naar Unizo, Voka en Agoria (De Tijd, 27/6/2020).
16. Zie bv. de relanceplannen van VOKA (https://www.voka.be/relance) en het VBO (https://www.vbo.be/newsletters/pb-2020.06.26-focus-conjunctuur-van-het-vbo–coronacrisis-slaat-diepe-krater-in-welvaart.-relanceplan-nodig/
17. Meestal in vrij vage termen: ‘Ontwikkeling van een grote Europese campagne tegen armoede, om de directe gevolgen van de crisis voor de meest kwetsbare groepen te bestrijden.’ … ‘Het verhogen van alle sociale uitkeringen boven de armoedegrens’ ‘Het opzetten van speciale bijdragen om een duurzame financiering te waarborgen van de staat en de sociale zekerheid, zonder de koopkracht van de huishoudens aan te tasten’, enz.
18. Het voorstel van de PS werd bekritiseerd in de media, door andere politieke partijen (zie bv. de polemiek tussen Paul Magnette en Johan Vanovertveldt in De Tijd begin juni 2020), alsook door Paul De Grauwe die het plan ‘surrealistisch’ noemt. Patronale organisaties pleiten dan weer net voor het beperken van de loonkosten.
19. Dit geldt evenzeer voor productieve overheidsinvesteringen. De overheid zou namelijk zelf via de oprichting van overheidsbedrijven bepaalde waren kunnen produceren en op deze wijze tewerkstelling creëren en goederen en diensten leveren. Het is echter niet toevallig dat er net een omgekeerde beweging geweest is – nl. de privatisering van overheidsbedrijven (telefoonmaatschappijen, luchtvaartmaatschappijen, overheidsbanken, elektriciteitsproductie, openbaar vervoer, …) – na de crisis van de jaren ‘70.
20. Het hierboven aangegeven voorbeeld van Frankrijk is sprekend, maar ook Duitsland wil steun verlenen aan de auto-industrie.
21. Hiermee willen we niet beweren dat er geen materiële tekorten zouden zijn. De uiterst precaire levensomstandigheden van het grootste deel van de wereldbevolking toont het tegendeel aan. Maar tezelfdertijd worden de meer koopkrachtige mensen (vnl. in de geïndustrialiseerde landen) er toe aangezet om waren te consumeren die nog slechts in geringe mate of zelfs helemaal niet hun levenskwaliteit verhogen en deze soms zelfs verslechten (sigaretten, overmatig eten en drinken, elk jaar een nieuwe smartphone kopen om ‘mee te zijn’, enz.).